Hotel De Coninck, Gent, sierkunst

Hotel De Coninck

De ritmiek van de voorgevel aan de Jan Breydelstraat wordt centraal doorbroken door een inspringende middenpartij met toegangspoort en balkon. 
De boogvormige dakbekroning wordt herhaald in de gevel van het achtergebouw. De aanblik van het Hotel de Coninck is sinds het einde van de l 9de eeuw veranderd door het dempen van het kanaal (Oude Houtlei) dat rechts naast het gebouw liep en enkele meters verder uitmondde in de Leie en de Lieve. 
De voorgevel van dit pand is opgetrokken in Balegemse zandsteen en heeft de jongste decennia zwaar geleden onder zure regen. Samen met de Dienst Monumentenzorg wordt thans een oplossing gezocht voor reiniging en restauratie. 

Wat bezielde in 1903 een pléiade industriëlen en kunstliefhebbers om in Gent een museum voor toegepaste kunst op te richten?

Uit het goede hout gesneden

Deze retorische vraag kan niet meteen beantwoord worden, vermits documenten over de voorbereiding van dit initiatief niet meer beschikbaar zijn. Zekerheid hebben we wel over de doelstellingen van de "Union des Arts Industriels et Décoratifs". In een rondschrijven aan scholen en bedrijven verduidelijkte het "Besturend Comité" zijn werking als volgt: "Wij hebben de eer uwe aandacht te vestigen op de verzamelingen welke ons Museum en Bibliotheek bevatten. Ons doel is aan alle oversten van technieke leergangen en aan alle kunstnijveraars en hun personeel de specimens van pracht- en andere meubelen te leeren kennen, waarvan den aankoop door onze Vereeniging gedaan is sedert hare stichting ten jare 1903, in groote verkoopingen bij bijzonderen. Met u uit te nodigen om ons Museum te komen bezichtigen en onze toegevoegde Bibliotheek te raadplegen, verzoeken wij u, uwe leerlingen, medehelpers, bedienden en werklieden aan te moedigen onze verzamelingen te komen nazien. Het lokaal, nieuw ingericht, in eene bovenzaal der Academie van Schone kunsten, is kosteloos toegankelijk voor het publiek, de Zondagen, van 10 tot 1 uur, en de Donderdagen, van 2 tot 5 uren. De werken en albums die de bibliotheek bevat staan ter beschikking der bezoekers, die er na goeddunken, kopijen, teekeningen, enz., zonder toelating mogen uitnemen... Om de toelating tot het namaken der voorwerpen, en om inlichtingen te bekomen, wende men zich tot den heer A. Heins. bewaarder, Onderstraat, 18 te Gent".

" In de "catalogue sommaire", uitgegeven in 1909, kunnen we vaststellen dat de collecties toen reeds 28 grote meubels, 37 zetels, 66 stoelen, 2 canapés, 40 kaders, 2 koffers, 6 spiegels, 21 tafels en 2 horlogekasten omvatten, naast een keramiekcollectie, koper en brons, meubelfragmenten en een grote textielcollectie. De vorming van de textielcollectie is zeker niet bevreemdend wanneer we in het organisatiecomité van het Museum de namen terugvinden van textielindustriëlen als Maurice de Smet de Naeyer, Ferdinand de Hemptinne en Lucien Morel de Boucle St. Denis.

De financiële middelen voor de museale werking werden geleverd door de staat, de provincie en de stad. Onder de comitéleden bevonden zich bekende namen als architect Oscar Van de Voorde, hoogleraar in de kunstgeschiedenis, Georges Hulin de Loo en Joseph Destrée, conservator van de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis. Het dubbel voorzitterschap werd waargenomen door G. Cooreman, voorzitter van de Kamer van Volksvertegenwoordigers, en door Fernand Scribe, "artiste-peintre". Na een voorlopige opstelling van de collecties op het gelijkvloers van de Akademie in de Sint-Margrietstraat verhuisde het Museum naar de tweede verdieping voor een definitieve opstelling.

Terugkerend naar onze aanvankelijke retorische vraag lijkt het nuttig om een mogelijke verklaring te zoeken voor het Gentse museuminitiatief. Het Gentse museumlandschap werd rond 1900 vooral gevormd door het Museum voor Schone Kunsten (toen pas ondergebracht in een nieuwbouw aan het Citadelpark) en door het Oudheidkundig Museum (behuisd in de oude kerk van het klooster van de Ongeschoeide Karmelieten aan de Lange Steenstraat). Hield het Museum voor Schone Kunsten zich uitsluitend bezig met schilder- en beeldhouwkunst, dan beschikte het Oudheidkundig Museum toch over een ruime en interessante collectie toegepaste kunsten.

Die verzameling beperkte zich weliswaar in tijd tot het einde van het ancien régime en in ruimte tot de Gentse regio. Het is ons niet bekend of er overleg heeft plaatsgehad tussen de initiatiefnemers van het nieuwe Museum voor Sierkunst en de verantwoordelijken van het Oudheidkundig Museum teneinde de museumaanwinsten en activiteiten van het Oudheidkundig Museum chronologisch en geografisch uit te breiden. In elk geval hebben beide musea vanaf 1903 een eigen weg bewandeld.

Een redelijke verklaring voor het nieuwe Gentse initiatief kan gevonden worden in buitenlandse voorbeelden. In Parijs was in 1864 de "Union centrale des beaux-arts appliqués à l'industrie" opgericht met als doel een museum te creëren waarin modellen en een "bibliothèque d'échantillons" ter beschikking' konden staan van ambachtslui, zilversmeden, drukkers en keramisten.

Belangrijk uitgangspunt daarbij was het feit dat de Franse suprematie in creatie en produktie van kunstnijverheid dreigde verloren te gaan ten voordele van de Engelse industrie, die overigens in 1862 ter gelegenheid van de wereldtentoonstelling in Londen begiftigd werd met het "Museum South Kensington". De activiteiten van de Parijse "Union Centrale" bestonden, naast collectievorming, overwegend uit het inrichten van tentoonstellingen waarin de promotie van eigentijdse Franse creaties een belangrijk doel was.

Dergelijke promotionele optie is in het Gentse initiatief aanvankelijk niet aanwijsbaar. Immers, de eigentijdse toegepaste kunsten komen slechts matig aan bod in het verzamelbeleid en van tijdelijke tentoonstellingen was er geen sprake. In de catalogus van 1909 staan slechts enkele "moderne meubelen" vermeld; afgaande op foto's betrof het meubels van Franse ateliers, zoals Majorelle en Dumas. Wellicht had die politiek te maken met de aanwezigheid in het "comité général" van enkele vooraanstaande liefhebbers van oude kunst, zoals verzamelaar Fernand Scribe, archeoloog Joseph Maertens en professor kunstgeschiedenis Hulin de Loo.

Dit artikel is beschikbaar voor abonnees

Een abonnement kost slechts €59 euro per jaar  (leraren €55 en studenten €51) en je ontvangt daarvoor 6 publicaties.

Reeds abonnee? Dan kan je hier inloggen.

Abonnement

Een abonnement kost slechts €59 euro per jaar  (leraren €55 en studenten €51) en u ontvangt daarvoor 6 publicaties.

Abonnement online

Lees alle artikels van OKV online en doorzoek de voorbije vijftig jaargangen voor slechts €31.

Abonnement + Museumpas

Wie een nieuwe Museumpas (€62) aanschaft samen met een OKV-abonnement (€59) betaalt slechts €117 i.p.v. €121voor combi museumpas en abonnement.

Proefabonnement

Proef eens van OKV.
Voor €32 krijg je drie nummers toegestuurd.