OKV2026.2
Waar is de tijd dat in elk Belgisch salon een vaas van Val Saint-Lambert pronkte en dat op chique feesten kristallen glazen van de Luikse firma werden bovengehaald? Vandaag bestaat Val Saint-Lambert tweehonderd jaar; de multinationale onderneming van weleer vervelde weliswaar tot een kleinschalig kunstenaarsatelier. Musea in Brussel, Charleroi en Luik eren de jarige.
Val Saint-Lambert, foto uit de prospectus van 1962, Musée du verre, Charleroi (fonds Pierre Dias)
Er bestaat een heerlijke foto van het eeuwfeest van Val Saint-Lambert in februari 1926. Liefst 1.300 ondernemers, politici en edellieden zitten aan eindeloze tafels met duur servies. Op het podium schittert de 200 kilo zware Vaas van de negen provincies die de Fransman Léon Ledru (1855-1926) in opdracht van de glasfabriek had gecreëerd als blikvanger voor de wereldexpositie in Antwerpen in 1894.
In 1926 was Val Saint-Lambert, met hoofdfabriek in Seraing en tal van bijhuizen, een wereldspeler. Er werkten liefst 4.000 arbeiders die vijf miljoen glasobjecten per jaar vervaardigden. De onderneming stond bekend voor hoge kwaliteit en bediende de bourgeoisie in binnen- en buitenland. Ook technisch was de firma bij de pinken. Toen rond 1900 elektriciteit haar intrede deed, had Val Saint-Lambert al snel 931 verschillende lampen en lantaarns in de catalogus.
Tijdens de belle époque surfte Val Saint-Lambert elegant mee op de inslaande mode van de art nouveau. Het Luikse museum Le Grand Curtius belicht deze eerste bloeiperiode met de tentoonstelling Japonisme en art nouveau. Ze focust op het werk van Léon Ledru en de broers Désiré (1877-1952) en Eugène (1883-1914) Muller die tussen 1880 en 1914 de artistieke lijn in de glasfabriek uitzetten.