OKV2024+
Antwerpen herontdekt zijn verloren zoon. Niet Panamarenko of Luc Tuymans hebben de Scheldestad als internationaal kunstcentrum weer op de kaart gezet maar Kempenzoon Jef Verheyen. Alleen vergaten de Antwerpse musea en galeries dat goede nieuws te vertellen. Met de sensuele tentoonstelling Jef Verheyen, een venster op het oneindige corrigeert het KMSKA een foute koers.
Jef Verheyen, Collectie FOMU Antwerpen
Kleur, licht en nog eens kleur: daar draait het oeuvre van Jef Verheyen (1932-1984) rond. Dat is geen vondst van hem, want de hele geschiedenis kent voorbeelden van artiesten die zich daarop gefocust hebben, van de transparante verflagen van Van Eyck en het clair-obscur van Caravaggio tot het zinderende zonlicht van Monet en Van Gogh. Verheyen bewonderde die voorgangers maar voor hem was het licht geen technisch probleem. Het was de essentie van zijn kunst. Als modernistische erfgenaam was hij niet geïnteresseerd in de weergave van de werkelijkheid. Hij beschouwde schilderkunst als een middel om voorbij de waarneming te kijken en door te dringen tot het onbevattelijke.
Dat inzicht kwam niet onmiddellijk, maar toch verrassend snel. In 1949, op zijn zestiende, verhuisde Jef Verheyen vanuit Nijlen naar Antwerpen om er Academie te volgen. Hij wilde geen huisschilder worden zoals zijn vader, maar kunstschilder. Het is verleidelijk om in de gekleurde muren die vader en zoon zeker samen hebben geschilderd, een voorafschaduwing te zien van wat komen zou. Maar eerst doorliep de Kempenzoon een uitgebreid opleidingsprogramma van figuurtekenen, schilderen, etsen, boetseren en toegepaste sierkunsten. In zeldzaam bewaard gebleven jeugdwerken zien we invloeden van Vlaamse expressionisten en zijn professoren Julien Van Vlasselaer en Gustaaf De Bruyne, maar ook van Picasso voorbijsnellen. Tegelijk schoolde Jef Verheyen zichzelf filosofisch bij aan het Emiel Van de Velde Instituut.