OKV2020.4
De Sint-Petrus en Sint-Pauluskerk in Middelburg werd ingewijd in 1460
Brugge was in de vijftiende eeuw het Hongkong van de wereld. De elite wist wat er op het spel stond toen hun machtige haven steeds verder verzandde en ze bleef niet bij de pakken zitten. Verschillende financiers en topambtenaren van de Bourgondische hertogen probeerden het tij te keren door nieuwe havens en havensteden te bouwen op gunstige locaties. Middelburg is zo’n nieuwe havenstad, haast uit het niets opgetrokken door Pieter Bladelin (ca. 1410-1472), een Brugse poorterszoon die zich opwerkte tot de minister van financiën van hertog Filips de Goede. Bladelins voorbeeld werkte inspirerend: enkele decennia later stichtte een andere Brugse coryfee, Jeronimus Lauwereins, de stadjes Philippine en Watervliet. De gouden jaren waren echter voorbij, Antwerpen trok de handel en scheepvaart naar zich toe en de op de groei aangelegde nieuwe steden bleven rustige polderdorpen.
Het interieur van de Sint-Petrus en Sint-Pauluskerk
Het huidige Middelburg in het Meetjesland dankt zijn naam aan de abdij van Middelburg in Zeeland. Pieter Bladelin verwierf een flinke oppervlakte aan drassige gronden van deze abdij en hij besloot om hier een nieuwe haven te bouwen. Hij stichtte zijn stad tussen 1445 en 1450 en voorzag haar van alle benodigdheden: marktpleinen, een stadhuis, kanalen en een kasteel. Na dit ‘ab urbe condita’ vierden de Middelburgers de inwijding van hun Sint-Petrus en Sint-Pauluskerk in 1460. Niemand minder dan Jean Chevrot, bisschop van Doornik en vertrouweling van Filips de Goede, kwam de tempel inwijden. Ook kerken bouwde men toen op de groei: men begon met het koor, de toren en de dwarsbeuk, het schip kon later naar believen nog verlengd of zelfs verbreed worden. Het huidige schip dateert overigens van een restauratieperiode in de negentiende eeuw. Vanaf 1470 verzorgde een heus kapittel van kanunniken hier de diensten. Bladelin schonk de kerk ook een belangrijke reliek: een splinter hout van het kruis waaraan Christus was gestorven. Deze reliek zou enkele mirakelen hebben bewerkstelligd en trok bedevaarders aan. De kinderloze stedestichter stierf in maart 1472. Hij kon zich met een vrij gerust hart ten grave laten dragen in het koor van ‘zijn’ kerk, waar ‘zijn’ kanunniken baden voor zijn zielenheil. De hovelingen van hertog Filips de Goede wedijverden met hun meester in weelderige levensstijl en conspicuous con - sumption. Hun verluchte manuscripten bestelden ze bij topateliers van miniaturisten en boekhandelaren, de toentertijd ietwat goedkopere schilderijen kochten ze bij meesters als Jan van Eyck en Rogier van der Weyden. Zo geschiedde het ongetwijfeld dat Pieter Bladelin tijdens een van zijn reizen naar het hof van de hertog in Brussel aanklopte op de deur van Van der Weydens atelier, aan de voet van de Coudenberg. Meester Rogier ontwierp een triptiek voor Pieter Bladelin, waarin de menswording van Christus en de aankondiging van Zijn geboorte het centrale thema vormen. Mogelijk sierde de triptiek het hoofdaltaar van de kerk in Middelburg en moest Van der Weyden het werk voltooien vóór de inwijding van het kerkgebouw. Was de kunstenaar aanwezig bij die plechtige gebeurtenis? Dan ontmoette hij er tal van andere cliënten, met name bisschop Jean Chevrot voor wie hij het befaamde De zeven sacramenten (Antwerpen, KMSK) had geschilderd.