OKV2016.1
In maart van dit jaar kan u in het Gentse S.M.A.K. terecht voor een tentoonstelling met nieuw werk van de in honderden beelden verdwijnende en dan als een lenige katachtige opnieuw verschijnende hongerkunstenaar Rinus Van de Velde.
In een onlangs gepubliceerd gesprek met zijn kompaan Koen Sels vertelt Rinus Van de Velde (°1983) dat hij gelooft dat hedendaagse kunstwerken niet meer te begrijpen zijn zonder bijkomende kennis over de kunstenaar. Zonder hem hierin te moeten bijtreden, kunnen we ons afvragen wat we dan over hem zouden moeten weten om zijn eigen werk te begrijpen, vooral als we beseffen dat zijn oeuvre gebaseerd is op fictieve autobiografische verhalen.
Natuurlijk hoeven wij niets te weten over Alexander Calders leven om te kunnen zien dat zijn vroege draadsculpturen onvoorstelbaar mooi en precies geplooid zijn, met prachtige lijnen die doen denken aan de tekeningen van Warhol en op een weergaloze manier de ruimtelijkheid van het lichaam oproepen. Wat moeten wij dan wel weten over Van de Velde? Allereerst zou ik willen zeggen dat we hier te maken hebben met een zacht en intelligent man, behorend tot die selecte groep kunstenaars die zich bewust zijn van hun narcistische aanleg en hun pathologische neigingen kunnen verplaatsen naar hun werk. Je voelt dat Van de Velde gedreven is, maar niet op een manier die hem buiten zichzelf drijft. Je voelt dat deze man al zijn hele leven kunstenaar heeft willen zijn, maar wel zonder te vergeten dat het kunstenaarschap maar een vorm is, die je kan helpen te worden wie je bent. Daarom doet zijn oeuvre zich voor als een spiegelpaleis dat beelden weerkaatst van een zoekende, voortdurend van rol wisselende held die misschien droomt van wat Fernando Pessoa, de Portugese dichter, ubiquiteit noemde, of de hele wereld in zich wil verzamelen zoals Walt Whitman, de Amerikaanse dichter en essayist.