OKV2009.6
Klatergoud mag vandaag dan een minder waardevol beeld oproepen, vroeger was een gouden klater in babyhandjes de trots van een familie. Oude teksten laten met vermeldingen als eenen gouden kinderelater met drye gouden bellekens ende een cristal over de kostbaarheid van de klinkende kleinoden geen enkele twijfel bestaan. Dit najaar is het al Klatergoud en zilveren bellen wat blinkt in het Zilvermuseum Sterckshof.
Links: Verguld zilveren rammelaar met bijtring in ivoor, Henri Lambin, Parijs, 1909-1936
Midden: Verguld zilveren rammelaar met bijtstaaf in bloedkoraal, Hilliard & Thomason, Birmingham, 1853-1854
Rechts: Zilveren rammelaar met bijtstaaf in bergkristal, Brussel, 1750
Vanaf de late middeleeuwen werden in gegoede kringen rammelaars in edele metalen en andere kostbare materialen populair. De klater deed zijn intrede als statussymbool. Voor dagelijks gebruik of voor wie zich zulke schatten niet kon veroorloven, werden ook eenvoudige rammelaars gemaakt in onder meer tin, hout, aardewerk en zelfs in rietvlechtwerk. De rammelaars zijn vooral uit West-Europa afkomstig. Samen met innemende portretschilderijen en miniaturen van kinderen met rammelaars vormen ze een fascinerende ontdekkingstocht door de wereld van de allerkleinsten. Achter de schitterende klaters schuilt meer dan louter rinkelend speeltuig: beschermende krachten, kinderverhalen en historische feiten worden gevat in kostbare materialen, vrolijke vormen en klingelende belletjes.
Rammelaars dienden niet alleen om gehoor, ademhaling en motoriek te stimuleren. De klinkende klaters fungeerden bovenal als (geluids)amuletten om kwade geesten te verjagen. Dit element speelde mee in de materiaalkeuze: tal van (kostbare) natuurlijke materialen bezaten volgens aloud volksgeloof bijzondere beschermende krachten. Als amulet-bijtstukken droegen tanden van roofdieren, stukjes koraal of bergkristal hun steentje bij aan het spirituele welzijn van de kleine spruit. De bijtstukken moesten ook de pijn verzachten bij het uitkomen van de eerste tandjes.
Vooral in Duitsland en de omliggende gebieden werden in de zestiende en zeventiende eeuw rammelaars met grote tanden van roofdieren gemaakt. Hoewel slechts weinig exemplaren bewaard zijn gebleven, werden kinderen op heel wat portretten afgebeeld met rammelaars waarop tanden van wolven, beren, everzwijnen of zelfs haaien waren gemonteerd als symbool van macht en aanzien. Als alternatief voor het vaak gebruikte koraal en bergkristal waren fijn gedraaide ivoren of benen handvatten vooral in de tweede helft van de negentiende eeuw zeer populair.