OKV2024.3
Een leven lang variaties op stillevens bedenken en schilderen, dat is wat Jan Davidsz. de Heem in de zeventiende eeuw deed. Het Museum Snijders&Rockoxhuis brengt deze briljante en spitsvondige kunstenaar terug naar Antwerpen.
Jan Davidsz. de Heem, Festoen van vruchten en enkele bloemen, olieverf op doek, 74 x 60 cm, Rijksmuseum, Amsterdam
Foto: Rijksmuseum, Amsterdam
Jan Davidsz. de Heem (1606-1684) werd geboren in Utrecht, volgde er een opleiding als schilder en moet er rond 1620 zijn eerste schilderijen gemaakt hebben. Op dat moment was Peter Paul Rubens al meer dan een decennium terug uit Italië en had hij meesterwerken gemaakt als de Kruisoprichting en de Kruisafname. Caravaggio was tien jaar geleden gestorven, terwijl Rembrandt, net zoals De Heem, nog maar een tiener was. Pieter Aertsen en Joachim Beuckelaer stamden al uit de vorige eeuw. Hun keuken- en marktstukken hadden het stilleven voorbereid. Jan Brueghel I, en in zijn zog heel wat anderen, was vernieuwend geweest met zijn (bloem)stillevens. En Frans Snijders ten slotte, blonk uit in breedvoerige jachttaferelen en stillevens.
Daarmee is met de breedst mogelijke pennentrekken het artistieke tijdsgewricht geschetst waarin de piepjonge kunstenaar een eigen plaatsje moest veroveren en nieuwe horizonten moest verkennen om op te vallen en klanten aan zich te binden. Jan Davidsz. de Heem werd 77 en zette tijdens zijn lange carrière de lijnen uit voor wat nu bekendstaat als het pronkstilleven: vaak erg grote schilderijen met vernuftige composities en luxueuze objecten.