OKV2022.4
Eindelijk is het zover. De getalenteerde Belgische impressionist Albert Baertsoen (1866-1922) doemt op uit de grijze sluiers van de kunsthistorie. Gewaardeerd bij verzamelaars met een scherp oog, schuilt hij nog steeds in de schaduw van stralende luministen als Emile Claus en Theo van Rysselberghe.
Albert Baertsoen, Weerspiegeling, Dordrecht (I), 1909, ets op papier, 225 x 86 mm
Privéverzameling
Vanaf 1897 verkent Baertsoen, vergezeld van vrouw en zoon, met zijn gloednieuwe woonboot Fafner het vlakke Zeeland. Zijn véritable maison flottante voert hem ook over Hollandse kanalen naar Dordrecht en Amsterdam. De achterhuizen aan de Voorstraathaven in Dordrecht verglijden geruisloos in het weerspiegelend water.
Naar aanleiding van zijn 225ste verjaardag haalt het Museum voor Schone Kunsten Gent de schilder-tekenaar-graficus Baertsoen uit zijn coulissen. Zelf bezit het een meer dan representatieve verzameling van zijn schilderijen. Zoals het een intelligent en scherpzinnig museum betaamt, maakt Gent er zich niet zomaar van af met een rijk gestoffeerde retrospectieve. Grondig onderzoekswerk resulteert in een verrassend nieuwe kijk op Baertsoen en een boeiende publicatie. Voor eens en voorgoed is het duidelijk dat hij meer is dan de schilder van het druilerige Gent.
Tijdens zijn leven is Baertsoen een gevierd kunstenaar die nooit op het internationale appel ontbreekt. Dankzij vader Alfred, een Gentse textielbaron, heeft hij rustig zijn artistieke loopbaan kunnen ontwikkelen. Zijn talent openbaart zich op jeugdige leeftijd. Als zestienjarige jongeman debuteert hij op het driejaarlijkse Salon in Antwerpen. Omstreeks 1885 borstelt hij fors opgezette landschappen onder invloed van Isidore Meyers (1836-1916) en Jacques Rosseels (1828-1912), boegbeelden van de grijze Dendermondse school. Aan boord van vaders binnenschip May Queen vaart hij over de Schelde en ontdekt de picturale kwaliteiten van het grijze water en de stille dorpjes. Wat later leunt hij met een soepele penseelslag, vol afwisseling, aan bij James Ensor (1860-1949). Vanaf de jaren 1890 ontwikkelt hij moeizaam maar gestaag een geheel eigen melancholisch impressionisme, vaak nagevolgd, nooit geëvenaard.
Geïnspireerd door zijn Dendermondse voorgangers is Baertsoen een fervente beoefenaar van het plein-airisme, schilderen en schetsen in de open natuur. Zelden schildert hij een voltooid werk buitenshuis. Eerder maakt hij talloze tekeningen en olieverfschetsen die hij in zijn Gentse atelier componeert tot een weldoordachte maar nooit geforceerde compositie. Het beeldkader met opmerkelijke oversnijdingen herinnert aan een fotografische snapshot. Een definitieve compositieschets met vierkante rastering wordt overgezet op een groot doek. Bijzonder is dat Baertsoen het intieme van zijn schetsen weet te behouden in een robuuste compositie op groot formaat. Eind jaren 1880 verdwijnt het ‘zwaar gemetsel’ van zijn vroege werken. Met veel zorg en bravoure wisselt hij kloeke streken af met nat-in-nat vloeiende toetsen. Nog steeds verbaast zijn schilderwerk door de avontuurlijke penseelvoering, een inspirerende ontmoeting voor hedendaagse schilders.