OKV2025.6
In een kunstwereld gedomineerd door mannen en concept art ging Marianne Van Vyve (1943-1991) haar eigen weg. Tegen de stroom in bleef ze in de jaren zeventig en tachtig van vorige eeuw trouw aan de schilderkunst. Nu er opnieuw volop aandacht is voor narratieve schilderkunst en de verzwegen vrouwelijke bijdrage aan de kunstgeschiedenis wordt rechtgezet, komt Van Vyves werk weer in beeld. Een Engelstalig kunstboek brengt voor het eerst haar bewogen leven en oeuvre in kaart.
Cover van de monografie van Marianne Van Vyve
Toen Marianne Van Vyve in 1991 op amper 48-jarige leeftijd aan een aneurysma stierf, liet dat amper sporen na in kranten of kunstbladen. Daarvoor stelde ze te weinig tentoon en bleef ze met haar werk bewust aan de zijlijn staan, wars van trends en hypes. Niet dat ze onopgemerkt bleef, want Van Vyve was een uitgesproken persoonlijkheid. Een eigengereide vrouw uit de Antwerpse francofone bourgeoisie die tegen alle patronen voor de kunstwereld kiest, valt sowieso op.
Hoewel Marianne Van Vyve een generatiegenoot van Panamarenko en Fred Bervoets (1942) was, speelde ze in de revolte van de sixties, de kunsthappenings en de nachtelijke esbattementen in De Muze geen rol van betekenis. Op haar vijfentwintigste trouwde ze en werd moeder van een dochter. Het huis van het jonge gezin in de Sint-Thomasstraat bij het Harmoniepark werd een pleisterplaats voor musici die er concerten gaven en kunstliefhebbers die het atelier van Van Vyve bezochten.
Een vaste gast was de Nederlandse globetrotter Ysbrant Van Wijngaarden (1937-2021), die een tijdlang het atelier van Van Vyve deelde. Mede onder zijn invloed veranderde ze haar stijl. Muntte ze in haar vroegste werk uit in huiselijke taferelen en doorleefde stillevens, dan werd haar oeuvre in 1979 dramatischer en vergrootte ze het formaat. Ze gebruikte haar zelfportret en de figuur van haar dochter om historische verhalen te vertellen waarin vrouwelijke angsten, maar tegelijk ook fier zelfbewustzijn de drijfveren vormden.