OKV2025.3
Meer dan een eeuw na het hoogtij van art nouveau en art deco opent het Brusselse Museum Kunst & Geschiedenis twee grootse tentoonstellingsruimten als een schrijn voor het beste wat België in die tijd te bieden had. Wereldklasse!
Charles Van der Stappen, Mysterieuze Sfinx, 1897, ivoor, zilver, onyx, Museum Kunst & Geschiedenis, Brussel
Soms gaat het traag in de vaderlandse musea. Geldzorgen en een administratief hindernissenparcours hebben wel het voordeel dat je intussen rustig kunt nadenken over je aanpak. Dat was het geval bij de vormgeving van de nieuwe zalen voor decoratieve kunst in het Museum Kunst & Geschiedenis. Ze zijn zowat het levenswerk van projectleider, conservator en VUBhoogleraar Werner Adriaenssens. Terwijl restauratrices geduldig bladgoud aanbrachten op de spanten van Horta’s wintertuin en de nieuwe vitrines behoedzaam op hun plaats werden gemanoeuvreerd, leidde hij ons rond op de werf van de eeuw.
Eigenlijk begint Adriaenssens’ verhaal al in 1889, met een heus koninklijk besluit waarin werd bepaald dat er op de Jubelparksite een nieuw museum voor de hedendaagse decoratieve kunsten zou komen. Bezield door de dadendrang die het jonge, rijke koninkrijkje kenmerkte, werden objecten aangekocht ... om er in de reserves stof te vergaren.
Regeringscommissarissen schuimden de internationale tentoonstellingen af waarin elk land trots uitpakte met het mooiste wat de ateliers aanboden: vazen, sculpturen en tapijten, maar evengoed hele interieurs. Niemand minder dan de Brusselse advocaat en estheet Octave Maus (1856-1919), drijvende kracht achter de artistieke genootschappen Les Vingt en La Libre Esthétique, trad een tijdlang op als adviseur.