OKV2012.5
Kwam Jan van Eyck als een briljante ster uit het duistere niets tevoorschijn, of zijn de verwezenlijkingen van zijn kunst gebed in een langere, aantoonbare traditie? Het zijn vragen die gesteld worden in de tentoonstelling De weg naar Jan van Eyck in het Museum Boijmans van Beuningen in Rotterdam.
Het beruchte kwatrijn op het Retabel met de Aanbidding van het Lam Gods vertelt ons dat het veelluik in 1432 af was, en dat zowel Jan (circa 1385/90-1441) als zijn oudere broer Hubert van Eyck (circa 1380/85-1426) een aandeel in het werk hadden. Eensklaps was in de schilderkunst de perfectie bereikt: zonder antecedent. Zonder aankondiging, zo leek het. Nochtans weet iedereen dat geschiedkundige evoluties uiterst traag op gang komen, en toch werd dit vanaf de vijftiende eeuw een topos, gebruikt door verschillende geschiedschrijvers, alsof er voorheen volstrekt niets was, en Jan van Eyck eigenhandig licht en duisternis had gescheiden. Op die manier lijkt van Eyck als een briljante ster vanuit het duistere niets tevoorschijn gekomen.