OKV2024.2
In twee ruim opgezette exposities in Brussel wordt teruggeblikt op het Belgische en internationale surrealisme, dat honderd jaar geleden begon. Daaruit blijkt dat de beweging vooral een manier van denken was, veel meer dan een uitdrukkelijke stijl.
René Magritte, Het kristallen bad, 1946, gouache, privéverzameling
Misschien zou hij er zelf wel de ironie van inzien. Paul Nougé (1895-1967), een van de medeoprichters van de communistische partij van België en de theoreticus van de Belgische variant van het antiburgerlijke surrealisme, is nu de spilfiguur van een expositie die er kwam naar aanleiding van het Belgische voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie. De revolutionair Nougé vond dat de kunst politiek mocht en soms moest zijn, maar ook dat die volledig onafhankelijk moest zijn, ver van politieke inmenging. En al is het niet zo dat de expo een duidelijke politieke stempel heeft, het is natuurlijk wel een beetje grappig dat het Belgische voorzitterschap zich zo uitdrukkelijk in de kijker zet met een beweging die lange tijd als subversief werd gezien.
Het eerste wat echt opvalt aan Histoire de ne pas rire, de expo in Bozar die is vernoemd naar een geschrift van Nougé, is de opmerkelijke scenografie van Yves Malysse en Kiki Verbeeck van het architectenbureau URA. Zij kozen ervoor om op de vaste wanden alleen citaten uit teksten te plaatsen, terwijl de kunst zelf op een labyrintische manier wordt gepresenteerd op tijdelijke muren. Dat verwijst uiteraard naar de wens van surrealisten om de gevestigde, burgerlijke manier van kijken te verstoren, en ook naar hun nadrukkelijk aanwezige spel tussen woord en beeld. Hoewel de scenografie zeker geslaagd is, zorgt het her en der voor ietwat vreemde situaties. Van het bekende Napoleonmasker met wolkendek van René Magritte (1898-1967) zou je nog kunnen denken dat het opzettelijk haast tegen het plafond hangt, maar het werk van Joan Miró dat op kniehoogte hangt, had toch iets beter verdiend.