In de boekhandel is het vandaag vergeefs zoeken naar proza van Herman Teirlinck. Jammer, want Stefan Van den Bossche overtuigt er ons in de eerste veelzijdige biografie van de auteur van dat sommige titels eerherstel verdienen. Dat geldt zeker voor Zon uit 1906, een bundel essays verwant aan het werk van de Zenneschilder Louis Thevenet. Teirlinck toont zich hierin een meester van de ‘aankondigingskunst’. De critici waren destijds ook niet rijp voor de bijna modernistische wendingen in de roman De nieuwe Uilenspiegel (1920) met daarin misschien wel Teirlincks meest aangrijpende passages. En in het zo goed als onbekende essay Monoloog bij nacht (1956) analyseert Teirlinck zijn schrijverschap: “Ik schrijf omdat ik gelukkig ben.”

Herman Teirlinck, Cover Ge zijt zoveel mensen geweest

Via de biografie wandelt Herman Teirlinck ons collectief geheugen weer binnen. Zijn naam wordt tegenwoordig nog ternauwernood geassocieerd met de toneelschool ‘Studio Herman Teirlinck’. Nu zien we hem ook aan het opklaptafeltje in de keuken van zijn huis in Beersel, met die Japanse ogen van hem, turen over de Zennevallei, en een zin noteren als: ‘De Zenne had haar eigen licht’. Of in een open koets aan de boemel op de Anspachlaan, en veel later, in de automobiel cruisen door het Zuid-Vlaamse landschap van zijn jeugd. Verhuizen zal de schrijver overigens telkens een boost geven, zo blijkt. Wanneer hij in 1905 van Molenbeek naar Linkebeek verhuist, schrijft hij met zijn Brusselse kronieken zijn beste journalistieke werk. Eenmaal gevestigd in Beersel, het dorp op de heuvel, schrijft hij na een ‘retraite’ in het toneel de romans die vandaag nog het meest leesbaar zijn: zijn ode aan het Muziekbos Maria Speermalie (1940), of die aan het Zoniënwoud Het gevecht met de engel (1952), en ander vitalistisch geweld als Rolande met de bles (1944) en Zelfportret of het galgemaal (1955).

Literaire zuurstof gaven dan weer Brussel - Teirlinck verenigde zowel boven- als benedenstad in zich - en Zegelsem, en bij uitbreiding de ganse Vlaamse Ardennen, een benaming die Teirlinck te min vond voor ‘de weergaloze Oostvlaamse streek’. Teirlinck zal zijn levenslange fascinatie voor zowel het donkere, mysterieuze als voor het klare, bevrijdende terugvoeren naar de smidse en de windmolen in de familie van zijn grootouders in Zegelsem.

Dat de eerste laureaat van de Grote Prijs der Nederlandse Letteren aan schrijven toekwam, mag eigenlijk een wonder heten, want het multitalent was alomtegenwoordig in het Vlaamse en Belgische culturele leven. Teirlinck slaagt erin de Van Nu en Straks’ers opnieuw te verenigen. Wanneer er nog maar eens een literair tijdschrift wordt opgericht, krijgt ‘wie anders’ dan Teirlinck de leiding. Hij ontwerpt boekbanden in art-nouveaustijl, runt in Molenbeek een meubelzaak en werkt aan een theaterpedagogiek die vertrekt vanuit de acteur in plaats van de auteur. Dat doet hij als docent en later als directeur van het Hoger Instituut voor Sierkunsten Ter Kameren. In 1946 sticht hij de fameuze Studio van het Nationaal Toneel. Als 71-jarige doet hij er nog alles aan om de jonge Hugo Claus bij het Nieuw Vlaamsch Tijdschrift te betrekken. De brokjes vaderlandse geschiedenis laten toe om Teirlinck beter te situeren. Zo lezen we over Brussel dat eind negentiende eeuw bloeide als centrum van de moderne Europese kunst of over de zware strijd voor algemeen stemrecht. Het is wat van de hak op de tak, zodat we daarna telkens blij waren de draad van Teirlincks leven weer te kunnen opnemen. Het is interessanter hem zelf in de geschiedenis te zien ingrijpen. Zijn goed woordje als privé-adviseur van koning  Albert I voor de vernederlandsing van de Gentse universiteit of zijn leugen die Joodse studenten in Ter Kameren - de folterkelders van de Gestapo op de Louizalaan zijn vlakbij - van de deportatie redt. Dat de familie Hess-de-Lilez in Beersel een huis voor hem laat bouwen, dankt Teirlinck aan zijn doortastende optreden toen hij aan het begin van de Eerste Wereldoorlog Alexandre Hess-de-Lilez hielp vluchten langs de achterdeur.

Dit artikel is beschikbaar voor abonnees

Een abonnement kost slechts €59 euro per jaar  (leraren €55 en studenten €51) en je ontvangt daarvoor 6 publicaties.

Reeds abonnee? Dan kan je hier inloggen.

Abonnement

Een abonnement kost slechts €59 euro per jaar  (leraren €55 en studenten €51) en u ontvangt daarvoor 6 publicaties.

Abonnement online

Lees alle artikels van OKV online en doorzoek de voorbije vijftig jaargangen voor slechts €31.

Abonnement + Museumpas

Wie een nieuwe Museumpas (€62) aanschaft samen met een OKV-abonnement (€59) betaalt slechts €117 i.p.v. €121voor combi museumpas en abonnement.

Proefabonnement

Proef eens van OKV.
Voor €32 krijg je drie nummers toegestuurd.