OKV1993.2
In zijn Geschiedenis van de Antwerpse Schilderschool (Antwerpen, 1883) verhaalt Van den Branden de gebeurtenissen die onmiddellijk aan de oprichting van het Antwerpse Museum voor Schone Kunsten voorafgingen. Hij geeft, decennia na de feiten, uiting aan het gevoel van gekrenkte trots dat aan de basis lag van de oprichting van het museum.
Meester van Frankfurt (°1460), Het schuttersfeest, 1493 (?). Olieverf op hout, 176 x 141 cm. Cat. 529
"Den 23n juli 1794 bezette een leger Fransche republikeinen de stad. Niet tevreden zich de meesterstukken der Antwerpsche drijfkunst toe te eigenen en ze tot staven gesmolten naar Parijs te verzenden, aarzelden de zoogezeide bevrijders niet zich ook meester te maken van de schoonste schilderijen. Zestig schilderijen, waarvan dertig van Rubens en negen van Van Dijck, werden uit de kerken, het stadhuis en de Munt van Antwerpen gehaald en naar Parijs vervoerd. Barbier kreeg verlof om ze aan de Nationale Conventie aan te bieden als 'meesterstukken te lang door den aanblik der slavernij bezoedeld'. Vele andere werken werden gestolen, verkocht, vernield en verbrand." Aldus verhaalt Van den Branden in zijn Geschiedenis van de Antwerpse Schilderschool (Antwerpen, 1883) de gebeurtenissen die onmiddellijk aan de oprichting van het Antwerpse Museum voor Schone Kunsten voorafgingen en geeft hij, decennia na de feiten, uiting aan het gevoel van gekrenkte trots dat aan de basis lag van de oprichting van het museum.
In 1797 slaagde Willem Herreyns, directeur van de Antwerpse academie, er in om na het sluiten van de kerken en de kloosters 328 schilderijen te redden van verkoop en verduistering. Herreyns verkreeg vervolgens ook de teruggave van Rubens' O.-L.-Vrouw met de papegaai en De madonna omringd door heiligen uit de grafkapel in de St.-Jacobskerk. Met prefect d'Herbouville ijverde Herreyns voor de teruggave van de weggevoerde schilderijen, de oprichting van een museum en de toelating om academisch onderricht te geven. Pas in 1810 verleende Napoleon, tijdens zijn bezoek aan Antwerpen, de toelating om in de lokalen van het voormalige Minderbroedersklooster een museum in te richten. Pas in 1815 na de slag bij Waterloo werden 38 van de 63 weggevoerde schilderijen in het museum ondergebracht.