OKV2007.2
Op de hoogte van de Mardasson, een steenworp verwijderd van het centrum van Bastogne, prijkt het stervormig herdenkingsmonument van de slag van de Ardennen . Op de rand van een sierperk wijst een wit bordje naar een crypte die haast niemand bezoekt en dat is jammer. Want wie de trappen afdaalt, staat oog in oog met wellicht het best bewaard geheim van de Ardennen: drie kleurrijke mozaïeken van Fernand Léger (1881-1955).
George Dedoyard, monument voor de slag van de Ardennen op de hoogte van de Mardasson
In Bastogne zijn de gebeurtenissen van de winter 1944-1945 tot in den treure gekend. Zij laten zich inderdaad vereenvoudigen tot een goedkoop scenario met een happy end. De omsingeling door de aanstormende Duitse legers, het kleurrijk antwoord van de plaatselijke Amerikaanse bevelhebber op het Duitse ultimatum (het kernachtig 'Nuts'; de letterlijke vertaling is niet de juiste, wel de vulgaire connotatie ervan), het doorbreken van de belegering door de flamboyante generaal Patton en de hevige gevechten tot halfweg januari 1945; het sprak wel tot de verbeelding. Geen wonder dat de Amerikaanse vraag om de bloedige slag op passende wijze te herdenken hier meteen een gunstige voedingsbodem vond.
Het project werd met verbazende snelheid uitgevoerd. Tussen het uitschrijven van de architectuurwedstrijd in 1946 en de inhuldiging van het gedenkteken verliepen er slechts vier jaar. Het hadden er zelfs drie kunnen zijn, maar de bouw van een crypte zorgde voor extra inspanningen. Deze was in het bekroond ontwerp van de Luikse architect George Dedoyard niet voorzien. Tijdens de werkzaamheden werd het project bijgewerkt, op uitdrukkelijke vraag van de Amerikaanse ambassade die daarmee inging op een verzoek van de nabestaanden van de gesneuvelde militairen. De godsdienstige ondertoon in deze context is in de Angelsaksische wereld sterker aanwezig dan bij ons. Vermits het monument op de rots gebouwd werd, zou het een te gevaarlijke onderneming geweest zijn om het te ondergraven met een crypte waarop het niet voorzien was. Dedoyard heeft ervoor gekozen om in de helling naar de stad toe, vlak voor het monument, een deel van de heuvel weg te graven. De term graven is hier misleidend. Er waren driehonderd vijftig springladingen nodig om ruim drieduizend kubieke meter rots te verwijderen. De vrijgekomen ruimte werd dan overwelfd. De indruk van de krocht onder het monument bleef behouden en bovendien is de losstaande crypte van buitenaf niet zichtbaar. Van daar ook haar relatieve onbekendheid.
De Amerikaanse wens zorgde niet meteen voor geestdrift bij de initiatiefnemers, maar Dedoyard, die ook al voor de wereldtentoonstelling van 1930 te Luik gewerkt had, wist hoe hij met lastige opdrachtgevers moest omspringen. Hij vond moeiteloos in zijn Luikse vriendenkring de nodige sponsors, waardoor de bouw van de crypte het budget van het project niet kwam verzwaren. Zo kreeg hij dus ook de vrije hand om een bevriend kunstenaar met de inkleding van de kapel te belasten. Hij koos voor Fernand Léger, een uitgesproken modernist die echter altijd het figuratieve is trouw gebleven.