Adriaan van Ostade is mèt Jan Steen wel één van Hollands meest populaire zedenschilders uit de zeventiende eeuw. Hij zag het levenslicht te Haarlem in 1610. Zijn ouders waren Brabanders. Tot aan zijn dood in 1685 was van Ostade nagenoeg onafgebroken werkzaam in de Spaarnestad.
Gevolg van zijn ongewoon grote produktiviteit zijn wel honderden tekeningen, etsen en schilderijen van hem bewaard. De burgerij moet zich bijzonder aangetrokken hebben gevoeld tot deze voorstellingen van het boerenleven waarvan de uitvoering op paneeltjes van klein formaat uitermate geschikt was om de woningen te versieren. Zelfs neemt men aan dat de koopkrachtige middenstand deze schilderijen beschouwde als een uitstekend middel tot geldbelegging.
De oude geschiedschrijvers van de Nederlandse schilderkunst, die hun levensbeschrijvingen der kunstenaars graag stoffeerden met pittige bijzonderheden, wisten van Adriaan van Ostade te vertellen dat hij omstreeks zijn zeventiende jaar in de leer was bij de vermaarde portretschilder Frans Hals. In diens atelier ontmoette hij de Vlaming Adriaan Brouwer, een geniale, zij het wat loszinnige jongeling die een onmiskenbare invloed zou uitoefenen op zijn Haarlemmer naamgenoot. Wie immers Brouwer zegt, denkt onmiddellijk aan jolige tafereeltjes waarop onze zeventiende-eeuwse voorouders vretend, vrijend of vechtend, het nageslacht tot genoegen zijn uitgetekend.
Al mag men de oubolligheid als bestanddeel van de Hollandse volksaard niet onderschatten, toch doen Van Ostades vroege werken in hun roezige heftigheid wel enigszins on-Hollands aan. Eerst wanneer hij in de veertiger jaren zich vrijmaakt van Brouwers invloed, vindt Van Ostade in meer bezadigde voorstellingen zijn eigen aard: de ongekuiste boert wordt dan tot een olijk stemmingsbeeld van het Hollands binnenhuis.
Deze ontwikkeling van onstuimige trivialiteit naar gemoedelijke huisbakkenheid weerspiegelt de evolutie van de Hollandse maatschappij die geleidelijk tot welstand groeit en tot verfijnder levensvormen komt.