De kleine mens in de grote oorlog

De Slag van Passendaele in 1917 : een nieuw museum opent de deuren in Zonnebeke. 

De 'grooten oorlog' blijft de verbeelding van de mensen prikkelen en de interesse van het publiek voor oorlogserfgoed lijkt de laatste jaren alleen maar toe te nemen. Zo zijn er niet alleen de recente renovatie van de Dodengang in Diksmuide en de start van een kersvers museum in Zonnebeke rond de huiveringwekkende Slag van Passchendaele,  maar ook de opening van de geres­taureerde Duitse oorlogssite Bayernwald in Wijtschate, de restauratie van het Franse oorlogsmonument Den Engel op de Kemmelberg en de renovatie van het Talbot House. Al onmiddellijk na de Eerste Wereldoorlog rezen allerlei musea uit de grond die het groeiend aantal 'oorlogstoeristen' een beeld probeerden te geven van de gruwelijke gebeurtenissen. Vlakbij het slagveld van Hill 60 bevindt zich nog één van dergelijke musea.
Eigenlijk is het niet meer dan een café met een verzameling kijkkastjes met talloze oude zwart/witfoto's, maar het is een unieke plek die zelf ook geschiedenis ademt. In de regio zijn talloze musea, of althans privé-­initiatieven die zich museum noemen, die een graantje willen meepikken van de lucra­tieve stroom van vooral Engelstalige toeristen die er langskomen.
Met het Flanders Field Museum, een interac­tief museum dat de nadruk legt op de kleine mens in de Grote Oorlog, startte de profes­sionele ontsluiting van het onwaarschijn­lijke verhaal van de Eerste Wereldoorlog. Nu ontstaat een reeks musea en initiatieven die meer aandacht heeft voor de militaire gebeurtenissen aan het leperfront, zoals het nieuwe museum in Zonnebeke.

 

De hel van Passchendaele

Het Memorial Museum Passchendaele 1917 opende eind april 2004 in het kasteel van Zonnebeke. Het behandelt de oorlog in de leperboog, met de nadruk op Passchendaele 1917 als bloedigste slag van de Eerste Wereldoorlog. De typische geografie van de streek zorgde ervoor dat het niet toevallig was dat die slag in de buurt van Zonnebeke werd geleverd. Van Westrozebeke over Passendale, Zonnebeke, Beselare, Geluveld, Zandvoorde, Zillebeke, Hollebeke en Wijtschate loopt een oude heuvelkam die verder aansluiting geeft op de West-Vlaamse heuvels. Het was in de geschiedenis altijd de laatste natuurlijke hindernis op weg naar de Noord-Franse kanaalhavens en dus eeuwenlang het toneel van tientallen bloe­dige veldslagen. Op deze rij heuvels brengen de Fransen en de Britten de Duitse invasie tot staan in 1914.
Maar het front loopt vast en algauw ontwik­kelt zich een gruwelijke loopgravenoorlog die meer weg heeft van middel- eeuwse bele­geringen dan van negentiende-eeuwse veld­slagen. In 1916 gaan de Duitsers overal in de verdediging en in Vlaanderen beginnen ze met de uitbouw van een ingenieus defensie­systeem met verschillende weerstandslijnen in de diepte en een verdediging rond beton­bunkers en mitrailleursposten. Wanneer de Britten in de zomer van 1917 in de aanval gaan, is een catastrofe onvermijdelijk.
'Passchendaele' is niet alleen een begrip in de geschiedenis van de Eerste Wereld­ oorlog, maar ook een synoniem voor zinloos geweld in zijn meest gruwelijke vorm.  In amper honderd dagen worden niet minder dan 500.000 militairen buiten gevecht gesteld voor een terreinwinst van slechts enkele kilometers. Het  bombardement dat aan het Britse offensief voorafgaat, is het meest intense uit de hele oorlog en veran­dert de streek in een ontoegankelijke modderpoel.

De vergeten oorlog onder de grond

Het  onherbergzame landschap zorgt ervoor dat de soldaten ondergrondse kwartieren moeten aanleggen. De Engelse Tunneling Companies groeven met 25.000 man aan niet minder dan tweehonderd zelfstandige systemen. Zo komt het dat in maart 1918 in de dorpen aan het front er meer militairen onder de grond werken dan dat er vandaag inwoners in die dorpen zijn. Na de oorlog worden de toegangen tot al deze unieke complexen dichtgegooid.  Af en toe vinden lokale archeologen al dan niet bewust een dergelijke "dugout".  Soms helpt het toeval een handje. Zo is er het verhaal van een Passendaalse boerin die tijdens het poetsen van ramen plotseling in de grond verdween bij een verzakking door de dugouts. Boeren herinneren zich ook nog allerlei verhalen en kennen op hun velden de geheimzinnige plekken waar de natuur moeilijk doet en zo leggen de onderzoekers langzamerhand verschillende tunnelcomplexen bloot.
Het nieuwe Memorial Museum Passchendaele 1917 plaatst de dramatische gebeurte­nissen van de Derde Slag bij leper in de context van de Eerste Wereldoorlog en het fundamenteel probleem van de doorbraak. Ook de 'dugouts', een weinig bekend thema maar één van de meest fascinerende bena­deringen van de Eerste Wereldoorlog komen aan bod door middel van een volledige en waarheidsgetrouwe replica van een ondergrondse constructie uit 1917.
Het hele programma en het museumconcept komt van Franky Bostin, dé drijvende kracht achter het nieuwe museum. In negen zalen geeft het museum achtereenvolgens een overzicht van de bewegingsoorlog, het vastlopen van het front in de winter 1914-15, de offensieve doorbraaktechnieken tussen 1915-1917, de Duitse verdedigingstechnieken in dezelfde periode, de confrontatie van beide in Passchendaele 1917, de tacti­sche doorbraak van de Duitsers in het voorjaar 1918, het geallieerde eindoffensief en de herinneringen aan de oorlog. Uniek beeldmateriaal en een uitgebreide reeks historische collectiestukken en verschil­lende minutieus gereconstrueerde taferelen grijpen de toeschouwer naar de keel.
In het tweede deel van het museum wandelt de bezoeker doorheen een bangelijke loopgraaf en daalt hij via een akelig steile houten trap naar de ingewanden van het museum: een zes meter diepe authentiek gereconstrueerde dugout. Op een beklemmende manier zie je hier hoe het leven onder de grond georganiseerd was met hoofdkwartieren, slaapplaatsen, ateliers, pompkamer, communicatie- en verbandposten .

Een gekwetst landschap in de buurt van het museum

Het museum is ideaal gelegen om in de onmiddellijke omgeving nog enkele indrukwekkende sites te bezoeken. Zo is er in de eerste plaats het Tyne Cot Cemetery, met twaalfduizend graven de grootste militaire begraafplaats van de Commonwealth in Europa. Op  de achtermuren van de begraafplaats staan de namen van 35.000 militairen die  hier vermist zijn na het begin van de Derde Slag bij leper.
Ook spectaculair en helemaal nieuw is de gerestaureerde Duitse oorlogssite Bayernwald. Met de oorlogsvoering via de tunnels vreesden de Duitsers voortdurend onder­graven te worden. Ze groeven daarom zelf luistertunnels in een V-vorm om te horen of de vijand ergens aan het graven was. De site bevat driehonderdtwintig meter loopgraven, zeer waarheidsgetrouw gerestaureerd (wat niet van alle oorlogssites kan gezegd worden), vier bunkers in betonstenen en zelfs een 30 m diepe mijnschacht. In Zandvoorde bevindt zich een indrukwekkende commandobunker uit 1916, bestaande uit zes kamers. Het complex is alle dagen vrij toegankelijk.
Enkele jaren geleden ontdekte men in Geluveld vlak bij Clapham Junction een Duitse verbandpost. Het ondergrondse complex staat bekend als Cryer Farm, naar de Britse Luitenant die in 1917 sneuvelde bij de verovering ervan. Dit uniek stukje erfgoed ligt op privé-terrein en is enkel toegankelijk op aanvraag. Voor oprukkende legers was de scheiding tussen privé- of openbaar bezit onbestaande.

Oorlog en Vrede in de Westhoek

Het Memorial Museum Passchendaele 1917 kadert in het Provinciaal project 'Oorlog en Vrede in de Westhoek'. De oorlogsgeschie­denis en het enorme aanbod van oorlogserf­goed overtuigde het provinciebestuur van West-Vlaanderen dat het cruciaal is om vele belangrijke sporen, zichtbare en onzichtbare, van de wereldoorlog in de Westhoek te bewaren en te duiden voor de toekomst. Samen met geld van o.a. Toerisme Vlaanderen en de Europese Gemeenschap resulteerde dit in de restauratie en ontslui­ting van een heleboel sites zoals Kanaaldijk­site John Mc Crae, de Mijnkrater Sint-Elooi, de Yorkshire Trench & Dugout, de vernieuwing van het Talbot House, het museum in Zonnebeke... Een  samenwerkingsverband tussen de Provincie West-Vlaanderen en de Afdeling Monumenten en Landschappen maakt een inventaris van relicten uit de Eerste Wereldoorlog in de Westhoek: boven­ en ondergrondse schuilplaatsen, observatieposten, bunkers, gaarkeukens, spoor­lijnen, slagvelden, loopgraven, mijntrech­ters, oorlogsbegraafplaatsen en  gedenkte­kens.  Met deze inventaris in de hand kan de overheid dan haar beleid makkelijker uitstippelen.
Een andere recent uitgebreid museum is het Talbot House in Poperinge. Het is de enige bewaarde Britse soldatenclub van de Eerste Wereldoorlog. Tijdens die oorlog maakte Poperinge deel uit van het kleine stukje onbezet België en rond 1916-17 verbleven er niet minder dan 250.000 Britse soldaten in en om Poperinge. Midden in die stad ontstond in een prachtige achttiende-eeuwse hophandelaarswoning een 'Every Man's Club', een alternatief ontspanningsoord waar alle soldaten, zonder onderscheid van rang, welkom waren.
Het authentieke interieur bleef grotendeels bewaard tot op vandaag. Bij het huis hoorde ook het aanpalende hoppemagazijn dat men gebruikte als 'Concert Hall' maar waar eigenlijk de meest uiteenlopende activiteiten gebeurden voor de soldaten zoals lezingen, filmprojecties , schaaktornooien, cabaret en concerten. Het museum kon in 1996 het magazijn kopen dat in 1998 als monument werd beschermd. Onlangs werd de volledige restauratie beëindigd.  Het  hoppemagazijn is net als in 1917 ingericht om er podiumacti­viteiten op te voeren. De bezoeker krijgt er een projectie van een Concert Party te zien gebracht door het gezelschap 'The Happy Hoppers': sentimentele en vrolijke liedjes, verhalen, grappen en dansjes lopen alle­maal dooreen en vormen een wervelende show die de sfeer van 1917 heel dicht benadert.

Download hier de pdf

OKV2004.2 OOrlog en vrede in de Westhoek.pdf