Op 17 december 2004 is het precies honderd jaar geleden dat Henriëtte Mayer van den Bergh een privé-museum opende in Antwerpen.  Meer dan 3000 kunstvoorwerpen vormden ooit de verzameling van de Antwerpenaar Fritz Mayer van den Bergh (+1901) en werden in 1904 ondergebracht in een museum.  Zijn moeder Henriëtte Mayer van de Bergh liet dit speciaal bouwen.

Een gesprek met Brigitte Dekeyzer

Zeventig jaar na de opening breidde het oorspronkelijke museumgebouw uit met moderne zalen.  Nu opent met deze  tentoon­stelling een gloednieuwe tweede uitbreiding met een publieksruimte en een zaal voor tijdelijke tentoonstellingen.
Schilderijen, tekeningen, laat-gotische  beeldhouwwerken, wandtapijten, glasramen en nog veel meer worden gepresenteerd in een huiselijke omgeving. Voor een breviarium, dat rijkverlucht werd door Gents­-Brugse miniaturisten, betaalde de kieskeu­rige verzamelaar de hoogste prijs van al zijn kunstwerken. Het kostte dus nog meer dan Pieter Breughels 'Dulle Griet', die ook tot de pronkstukken van de collectie behoort.

Het museum viert het eeuwfeest met een expositie van de belangrijkste bladen uit het gebedenboek, die - in afwachting van een soepelere band - apart kunnen bewonderd worden. Bovendien zijn alle miniaturen uit het Breviarium gereproduceerd in het luxueus jubelboek 'Herfsttij van de Vlaamse miniatuurkunst', waarin Brigitte Dekeyzer, die over dit luisterrijk brevier aan de afde­ling Kunstwetenschap van de K.U.Leuven onlangs een uitvoerige doctoraatsstudie maakte, haar nieuwste bevindingen op een heldere manier heeft verwerkt. We zochten haar voor een verhelderend gesprek op in het Leuvense Erasmusgebouw.

De stroman, die Fritz Mayer van den Bergh naar de veiling van Christie's in Londen had uitgestuurd telde voor dit brevier op het einde van de 19de eeuw 1420 pond neer. Hoe hoog zou dit bedrag anno 2004 in euro's zijn?
Dekeyzer: "Dat valt moeilijk te zeggen. Door de goede staat en de uitzonderlijke versieringen was het brevier zeer gegeerd bij de kenners. Aan dat ene boek hebben vele hoogwaardige kunstenaars meegewerkt. Zodra je het open slaat word je geconfron­teerd met een hele serie meesterlijke schil­derijtjes, die met de Vlaamse Primitieven in verband kunnen worden gebracht."

De verwantschap met het oeuvre van Hugo van der Goes en Dirk Bouts bewijst U op de tentoonstelling met fotoreproducties van gelijkaardige werken.
Dekeyzer:  "Vaak waren de miniaturisten en de paneelschilders lid van eenzelfde gilde. Ze kenden elkaars werk. De zegenende Christus op het Laatste Avondmaal in het Breviarium wordt in dezelfde houding afgebeeld als op het beroemde schilderij van Dirk Bouts. Waarschijnlijk heeft de mi­niaturist het ooit gezien. De beïnvloeding gebeurt in de twee richtingen. Paneelschil­ders konden zich ook op de miniaturisten inspireren."

Is de indeling van een brevier aan strikte regels gebonden ?
Dekeyzer: "In principe bestaat dit soort ge­beden boeken uit vijf luiken. Het 'temporale', dat alle officies voor de zon-, feest- en week­dagen van het kerkelijk jaar omvat, is het belangrijkste deel. De teksten zijn vanaf de eerste zondag van de Advent, als het kerkelijk jaar begint, chronologisch geordend. In het 'Proprium sanctorum' is voor elke heilige een  apart gebed voorzien. Het 'Commune sanctorum' bevat daarentegen gebeden, die voor alle heiligen bruikbaar waren. Een kalender en een Psalterium of psalmenboek maken een brevier kompleet. De maanden in het kalendergedeelte van het Breviarium Mayer van den Bergh zijn bovenaan versierd met een teken van de dierenriem en kinder­spelen. Onderaan zien we de 'werken' uit­ gebeeld die typisch zijn voor een bepaalde maand, zoals het hakken van hout, het hooien of het oogsten."

Hoe belangrijk was een brevier in de gods­dienstige praktijk?
Dekeyzer: "De 'breviaria' ontstonden in de twaalfde eeuw en wortelen in de monastieke traditie.  Bedelmonniken - en dan vooral de franciscanen - hadden nood aan een hand­zaam gebedenboek. De teksten konden door de geestelijken in stilte worden gelezen. De psalmen werden waarschijnlijk gereciteerd. Een lekenbrevier zoals dat van Mayer van den Bergh telt per gebedsdag maar negen in plaats van de twaalf  'lectio's' van een 'regulier monnikenbrevier'.  In de adellijke en vorstelijke milieus werd de lezing vaak gedelegeerd aan een kapelaan."

Waarop rust uw vermoeden dat dit Breviarium bestemd was voor Maria van Castilië?
Dekeyzer: "Uit externe documenten kan dit alleszins niet worden afgeleid. Wapenschil­den of herkenbare emblemen ontbreken evenzeer. Maar er wijzen wel allerlei ele­menten in die richting. Uit de tekst en de heiligenkalender blijkt dat het toebehoorde aan iemand van de Portugese elite, die een religieus leven leidde. Maria van Castilië was de dochter van de Spaanse koning Fer­dinand van Aragon en lsabella van Castilië. Zij was lid van de Derde Orde van Sint Fran­ciscus. Maria, die haar patrones is, duikt in opmerkelijk veel verschijningsvormen op. Niet alleen haar geboorte en haar 'presen­tatie in de tempel' worden uitgebeeld en met gebeden herdacht. Ook het mirakel van Onze Lieve Vrouw ter Sneeuw wordt als mini­atuurschildering opgenomen."

Hoe kwam Maria van  Castilië - als zij tenminste de oorspronkelijke eigenares was - in het bezit van dit brevier?
Dekeyzer:  "Het handschrift dateert uit 1500. In dat jaar trouwde Maria van Castilië met de koning van Portugal, Manuel l. Het kan een huwelijkscadeau geweest zijn. Bijvoorbeeld van Margareta van Oostenrijk.  Haar patro­nes komt tweemaal in de kalender voor en zij had belangrijke familiebanden. Het zou kunnen dat ze vanuit de Nederlanden dit brevier als geschenk had meegebracht. Op de miniatuur van Johannes de Doper meen ik haar zelfs in het gezelschap van Maria van Castilië te herkennen!"

In hoeverre zijn tekst en beeld nauw met elkaar verweven?
Dekeyzer:  "Vooral het Psalterium, dat de honderdvijftig oud-testamentische lofliede­ren van de Israëlieten bundelt, is uniek. De beelden vertellen tot in de kleinste details de verhalen.  De lotgevallen van David, Tobi­as en de vis, de aanbidding van het gouden kalf, de verkoop van Jozef en de tocht door de Rode Zee worden op een originele en genuanceerde manier uitgebeeld. Ongetwij­feld kregen de kunstenaars advies van een intellectueel."

De Gents-Brugse miniatuurkunstenaars creëren zelfs illusionistische effecten.
Dekeyzer: "De ene figuur ziet er al wat realis­tischer uit dan de andere.  Maar doorgaans zijn het mensen van vlees en bloed, die in een naturalistische omgeving worden neer­gezet. Steeds met betekenisvolle gebaren en sprekende gezichten.  De kleren zijn over hun lijf gedrapeerd. Er is vaak een licht- en schaduwspel. Ook de randversieringen zijn oogstrelend. Niet enkel bloemen- en plan­tenmotieven sieren de marges. De doodskoppen, de meubeltjes en de juwelen, die het geheel decoreren, lijken net echt. Het Breviarium is een typisch voorbeeld van de Gents-Brugse miniatuurkunst. Al moeten we opletten met deze  omschrijving, die pas op het einde van de 19de eeuw in voege kwam en ook naar miniaturisten uit andere steden verwees, die in dezelfde trant werkten."

Hoe kunnen de talloze miniaturisten, die aan het Breviarium Mayer van den Bergh hebben meegewerkt, van elkaar onderscheiden worden?
Dekeyzer: "Dat is niet altijd eenvoudig om­dat er in de Gents-Brugse bloeiperiode, die tussen 1470 en 1560 wordt gesitueerd, vaak naar eenvormigheid werd gestreefd. Maar met allerlei gesofisticeerde technieken zoals infrarood  reflectografie, pigmentanalyse en codexonderzoek kom je al een eind op weg. Dat er bij het breviarium vele miniaturisten betrokken waren, wordt door deze research nog maar eens  bevestigd."

Hoewel signaturen ontbreken, worden een niet onbelangrijk aantal miniaturen toegeschreven aan bepaalde figuren. Wie zijn de opvallendste?
Dekeyzer: "De monumentale figuren met brede lichamen en ingekeerde houdingen, die we aantreffen op de Boodschap aan Maria en bij Maria Magdalena worden aan de Maximiliaanmeester toegedicht. Die dankt zijn naam aan een gebedenboek, dat hij voor de latere Habsburgse keizer illustreerde. Vaak wordt hij vereenzelvigd met Alexander Bening, die rond 1500 in de Vlaamse contreien werkte.
Ik ben er ook bijna zeker van dat de minia­tuur, waarop de zwangere Maria de even zwangere Elisabeth ontmoet, is vervaardigd door Gerard David. De stilistische en inhou­delijke verwantschap met zijn paneelschilderingen wijst alleszins in die richting. Vijf dynamische miniaturen, waaronder die van Sint Benedictus, zouden door Gerard Horen­bout, die de hofschilder van Margareta van Oostenrijk was, geschilderd kunnen zijn."

Van de oorspronkelijke band, die de bladen moest samenhouden, is ieder spoor verdwenen?
Dekeyzer: "Banden bleven indertijd niet noodzakelijk rond dezelfde bladen zitten, maar werden hergebruikt.  In de Middeleeu­wen werden boeken doorgaans horizontaal bewaard.  Pas later kwam de verticale ordening in voege. Heel nefast waren de bolle ruggen. Toen Fritz Mayer van den Bergh in het bezit kwam van het breviarium had het nog een roodfluwelen band.  Maar, uit een aangehecht papiertje bleek, dat die uit de achttiende eeuw dateerde.  In het begin van de jaren dertig kreeg het Weckesser atelier uit Brussel, de opdracht om de zwaar beschadigde band te vervangen. Maar de omhulling bleek achteraf te strak.  Niet alle miniatuurversieringen waren zichtbaar en bij het openvouwen kwamen er soms plooien in het kwetsbare perkament.  Daarom werd tien jaar geleden besloten om het brevier opnieuw te ontmantelen. Vooraleer het opnieuw in een aangepaste band wordt opgeborgen, kunnen de bezoekers ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van het museum de meeste miniaturen in al hun pracht en schoonheid in de nieuwe tentoon­stellingszaal bewonderen.  Een uitzonderlij­ke gelegenheid, want zelden of nooit wordt een zo immense hoeveelheid uit één boek getoond.  Bij ingebonden boeken moet het publiek zich immers tevreden stellen met de opengeslagen bladzijden."

Het jubileumboek 'Herfsttij van de Vlaamse miniatuurkunst' samengesteld en geschreven door Brigitte Dekeyzer, bevat alle miniaturen. Het is uit­gegeven bij Ludion en verkrijgbaar in het museum.

Download hier de pdf

OKV2004.4 Museum mayer Vandenbergh.pdf