Weet u wat een ‘Pillengift’ is? Of ‘Schijbier’. Waar, wanneer en hoe werden die dingen gebruikt? Klinken deze woorden bekend in de oren? Nee? Nochtans zijn het gewoonten en gebruiken die slechts dateren uit de 19e en 20e eeuw.

Onze grootouders  en overgrootouders kunnen on getwijfeld boeiende verhalen vertellen over de dingen uit hun jeugd, de dingen die de huidige kinderen en jongeren niet meer zullen herkennen.  En toch zijn deze oude gewoonten niet verloren. Volkskundige musea, zoals Het Huis van Alijn te Gent, trachten de teloorgegane glorie van dingen uit het alledaagse leven anno 18oo of 1900 terug te  plaatsen en een betekenis te geven.  Alhoewel... aan alle dingen?
Sylvie d'Haene (conservator van Het Huis van Alijn): "Naar aanleiding van de reorganisatie van onze vaste collectie namen we terug een kijkje in onze grote reserve aan gebruiksvoorwerpen in de kasten en zolders van het Huis. Door schenkingen heeft het museum sinds zijn ontstaan in 1932 een grote voorraad aan alledaagse gebruiksvoorwerpen uit de 19e en 20e eeuw opgebouwd. Al deze voorwerpen kennen een eigen geschiedenis, een eigen verhaal.”

Dus alles vond meteen een plaatsje in het museum?
"Niet echt. De meeste voorwerpen hebben we kunnen catalogiseren, maar er zijn andere waar we geen verhaal aan  kunnen vastknopen."
En dan heb je als optie?
“Ofwel kan je de wetenschappelijke literatuur raadplegen en op die manier alle gegevens bij elkaar puzzelen.”
Maar deze optie hebt u niet gebruikt?
“Om alles op te zoeken  in de literatuur heb je een aantal vaste gegevens nodig. Van sommige voorwerpen kenden we de naam, maar niet de functie. Van andere de context maar niet de naam en het gebruik. Bovendien vind je in deze sector weinig literatuur over gebruiksvoorwerpen uit een bepaalde eeuw.”
Dus werd er gekozen voor een heel nieuwe zienswijze?
“Tijdens de reorganisatie groeide  het volgende idee: waarom  alles opzoeken als je de functie van de dingen uit eerste hand kan vernemen, namelijk van zij die deze objecten werkelijk gebruikt hebben? We voelden dit aan  als een soort 'laatste kans', een laatste gelegenheid om te luisteren  naar de verhalen van mensen die in de tijd geleefd hebben waarin die voorwerpen nog hun nut bewezen. Zo is het idee van de identificatiekamer gegroeid.”
Wat houdt dat in?
“Deze kamer vormt een onderdeel van onze collectie. Je vindt er twaalf voorwerpen waarvan wijzelf de betekenis niet kunnen achterhalen. Door middel van fiches kunnen de bezoekers suggesties ma ken over de oorsprong, gebruik en naam van het voorwerp. Onze kamer hebben we in september 2001 in gebruik genomen. Vervolgens hebben we in samenwerking met de krant 'De Gentenaar' een actie op touw gezet om de eerste twaalf voorwerpen en de spelregels te introduceren  aan  het publiek. Sinds november verscheen er telkens  een voorwerp met foto in de krant waarop het publiek kon reageren.”
Hoe was de respons?
“De reacties op onze kamer waren beter dan we verwachtten. We dachten  dat het publiek weinig interesse zou tonen voor oude en 'nutteloze' voorwerpen, maar gauw volgden de boeiende verhalen van grootouders en ouders over 'hun' tijd Via deze verhalen  hebben we maar liefst de functie van negen voorwerpen kunnen achterhalen. De betekenissen zagen we achteraf ook wetenschappelijk bevestigd.”
Wat is dan de volgende stap?
“We hebben  de drie ongeïdentificeerde objecten laten liggen en aangevuld met 9 andere onbekende voorwerpen. Het publiek mag weerom  suggesties maken door middel van de fiches. We gaan geen  beroep  meer doen op intensieve  publicaties,  maar vertrouwen op de interesse en de nieuwsgierigheid van de bezoekers.”
Welk effect had de kamer op het museum en het publiek?
“Door middel van deze  kamer kunnen we het publiek laten kennis maken met dingen die niet te vinden zijn in de collectie omdat ze niet in  de tentoonstelling passen. Door middel van de bijdrage van het publiek, wordt de betrokkenheid op het museum en zijn collectie vergroot. Bovendien ervaart de bezoeker dat we zijn verhaal en mening op prijs stellen  en dat we bereid zijn om te luisteren.  Op die manier worden  de begeleidende teksten meer dan wetenschappelijke literatuur.  De voorwerpen  worden  realistischer dankzij de doorleefde anekdotes en verhalen.
Ten slotte is het ons opgevallen dat onze kamer een rustpunt vormt in onze collectie. De kamer,  die meer geïsoleerd is van de rest van het museum, geeft de bezoeker de kans om stil te staan bij de dingen die hij heeft gezien en te fantaseren over de dingen die hij ziet. Ik noem dat het 'ongedwongen spelmoment'. De meeste bezoekers beginnen met elkaar onderling te discussiëren over mogelijke betekenissen en functies van een voorwerp. Het enthousiasme was bij sommigen zo groot dat ze de museumcollectie aanvulden met schenkingen en nieuwe waardevolle bijdrages leverden aan de huidige collectie.”
Uit het idee van deze kamer vloeide nog een ander boeiend educatief project?
“Inderdaad. Senioren zijn onze bron van de verhalen. Zij hebben  in die specifieke  tijd geleefd en kennen ongetwijfeld iets of iemand die met een bepaald voorwerp in contact is gekomen. Spijtig genoeg kunnen niet alle senioren naar het Huis komen. Daarom  hebben  we de identificatiekoffer ontwikkeld.  Deze koffer bevat de twaalf voorwerpen en wordt  iedere maan dag op locatie gebracht. Toen we onze plannen voorstelden aan de bejaardentehuizen en dienstencentra waren de reacties overweldigend. We zijn tot en met april 'volgeboekt'. Het succes zit volgens mij in het animerende  aspect van de koffer. De mensen  kunnen hun verhalen  met elkaar delen en ongebreideld fantaseren.”
Kan je een tipje van de sluier oplichten over enkele plannen voor de toekomst?
“We willen het concept van de identificatie uitbreiden. Onze stagiaire is momenteel bezig om de identificatiekoffer te introduceren bij scholen (derde tot zesde studiejaar). Uiteindelijk is het de bedoeling dat ook de leerkrachten de kinderen  motiveren om na te denken over de oorsprong van de voorwerpen en te fantaseren.
Ik vind het idee van een aparte kamer als rustpunt heel aantrekkelijk, het doorbreekt de toon van de vaste collectie en maakt de bezoekers aandachtiger. Op termijn wil ik meer van zulke kamers  realiseren.  Een van de concrete plannen is onze 'Taalkamer'. In deze kamer zal het publiek allerlei dialecten en geluiden te horen krijgen. Daarnaast dromen we van steekkaarten met informatie en begeleidende foto's, in plaats van het traditionele  plaatje-aan-de-muur. Persoonlijk vind ik dat de magie van veel voorwerpen verdwijnt door er een heleboel uitleg naast te hangen.  Met het systeem van de steekkaarten kunnen de bezoekers zelf beslissen welke informatie ze willen en welke niet.”

Wie interesse heeft, kan altijd terecht bij Het Huis van Alijn.

Download hier de pdf

OKV2002.1 Huis van Alijn_0.pdf