OKV2021.4
Musée de Flandre in Kassel pakt uit met een tentoonstelling over de Franckens, een van de bekendste en langstlopende dynastieën die Antwerpen ooit gekend heeft, en waarvan nog vele duizenden schilderijen bekend zijn, van authentiek en gesigneerd tot versies van het zevende knoopsgat. Frans II, het boegbeeld, is een graag geziene kunstenaar in talloze privé- en openbare collecties van België tot in Peru in en grote en kleine veilingzalen in binnen- en buitenland. In de zeventiende eeuw was dit niet anders. In zijn Gulden Cabinet (1661-62) vat Cornelis de Bie tref-fend samen wat de toeschouwer van toen zo aantrok in de schilderijen van Frans Francken II: “‘t ghewoel is sonder ent”.
Hiëronymus I Francken, Zelfportret, ca. 1583, olieverf op doek, 42 x 34 cm
Musée Granet, Aix-en-Provence, inv. 860.1.77
Frans II Francken, die in de tentoonstelling in het Musée de Flandre zoals verwacht het meeste aan bod komt, werd geschraagd door een hele dynastie, die ‘ontstond’ rond 1540 met de Herentalse stamvader Nicolaas en eindigde met de aan lager wal geraakte Constantijn in 1717. Daartussen bevinden zich onder anderen de schilders Frans, Ambrosius en Hiëronymus I, II en III. De Franckens kozen voor continuïteit in de naamgeving en dat zorgde voor de nodige verwarring. Menig kunsthistoricus en kunsthandelaar heeft hierop de tanden stuk gebeten. Sommigen lieten hun fantasie de vrije loop, zodat er op een bepaald moment liefst 34 Franckens in omloop waren. De eerste die de biografische chaos ophelderde was Frans-Jozef Vandenbranden die in 1883 in zijn magistrale Antwerpsche schilderschool de stamboom blootlegde, die aan de hand van vele archiefdocumenten de dynastie tot leven bracht en die een poging deed om onderscheid in het oeuvre van de omvangrijke dynastie te maken. Deze tentoonstelling in Kassel toont mooi aan dat de ene Francken de andere niet is.
Vanuit Herentals zwermde de familie uit naar Antwerpen in de jaren 1560, waar de stamvader ervoor zorgde dat drie van zijn vier zonen hun talenten bij de spraakmakende historieschilder Frans Floris konden aanscherpen. In zijn bruisende atelier maakten ze kennis met de laatste trends uit Italië, leerden ze als echte ondernemers grote opdrachten tot een goed einde te brengen en ontmoetten ze andere jonge kunstenaars waarmee het contact nooit verbroken zou worden.
Waar Frans I in Antwerpen werkzaam bleef, en er al gauw naam maakte met altaarstukken die in het begin trouw de stijl van Floris volgden, trokken Hiëronymus I en Ambrosius I naar Parijs. Werkzaam aan het hof, klom Hiëronymus I op tot een gerespecteerd schilder die nooit de banden met Antwerpen en zijn broers verbrak. Zijn (zelf)portret toont een man met een nieuwsgierige en trotse blik. Ambrosius I keerde na enkele jaren terug naar Antwerpen, waar hij vooral furore maakte met prentontwerpen, onder meer voor de ‘prentenbijbel’ Thesaurus, het prestigeproject van het moment, waardoor hij zich al snel kon meten met de beste kunstenaars van Antwerpen en daarbuiten.