Guido Gezelles (1830-1899) leven begint met het ontstaan van België en het eindigt samen met de negentiende eeuw. Net als de welluidende alliteratie en het kwieke ritme van zijn naam lijken die overzichtelijke data niet toevallig. Een groot taalkunstenaar verdient ook mooie jaartallen, lijkt het lot te denken.

Wie in ons land op de middelbare school lessen literatuur heeft genoten, weet van Gezelles bestaan. Net als Bruegel en Rubens behoort hij tot het vanzelfsprekende culturele patrimonium, drong hij door in het dagelijks leven. Een oudoom bezat een stapeltje goedkope edities van de poëzie van de Bruggeling, een stapeltje dat nu in mijn boekenkast ligt. Mijn vader kende Het Meezennestje uit zijn hoofd. De bloemlezing Hoe stille is ’t kwam in het ‘jubeljaar’ 1980 onder de kerstboom terecht (we stevenen intussen af op een nieuw jubeljaar, Gezelles tweehonderdste verjaardag). In de lessen Nederlands lazen we dan weer Een bonke keerzen kind en Dien avond en die rooze. 

Gezelle was een onvermoeibare lexicograaf, wilde voor zijn moedertaal niet alleen een dichterlijk maar ook een wetenschappelijk monument oprichten.

Nog later las ik met verwondering de brief die Gezelle vanuit Londen schreef toen Jack the Ripper daar toesloeg; een brief die mijn opvatting van de dichter als een misschien wat wereldvreemde geestelijke danig bijstelde. De zo op het eerste gezicht onvertaalbare Gezelle is door Paul Claes in het Latijn en het Frans vertaald, door Christine D’haen in het Engels. Ik weet niet met wie Romeinen hem zouden vergelijken – Vergilius? Horatius? –, maar Franstalige lezers kunnen hem dankzij die vertalingen op dezelfde hoogte plaatsen als Paul Verlaine, Engelstaligen hem erkennen als de gelijke van Gerard Manley Hopkins.

Dichterlijke topstukken - Gezelle in Europa

Guido Gezelle in Kortrijk in 1898, Guido Gezellearchief

Snippers, agenda's, strookjes

Guido Gezelle leefde voor taal, was taal. De drie delen van zijn nalatenschap die sinds 1 februari 2026 beschermd zijn als Vlaams topstuk, bewijzen het ten overvloede. Gezelles poëziearchief, zijn ‘Woordentas’ en de briefwisseling met Eugeen Van Oye (1840-1926) worden bewaard in de hoofdbibliotheek van Brugge en bieden inzicht in zijn werkwijze, zijn leven. 

In O Dichtergeest lezen we: “Wat heeft uw dierste gunst mij weinig werks gekost” en wie Gezelles taal moeiteloos hoort vloeien, zal graag geloven dat hij een geboren virtuoos was, een natuurlijk klaterende bron. Maar opgelet: “Men doet ook niet al wat men wilt/ met de woorden.” 

Het poëziearchief bestaat uit 1531 afzonderlijke stukken. Daarin zijn alle stadia vertegenwoordigd in het schrijven van een gedicht: kladjes, in potlood neergekrabbeld, versies met doorhalingen die op droedels gelijken, halve regels, synoniemen, afgewerkte gedichten, keurig met inkt in het net overgeschreven, correcties op drukproeven. 

Gezelle schreef in zakagenda’s, op rijkversierd briefpapier, op huiswerk van zijn leerlingen, op in stroken geknipt reclamedrukwerk en op nieuwjaarsbrieven van zijn petekind. Geen snipper ging verloren. Voor de Kortrijkse vereniging van fabrieksmeisjes uit een linnenweverij, de Katrientjes, schreef hij gelegenheidsgedichten attent neer op briefpapier, versierd met kleurrijke bloemen en verguldsel. Hij ontwierp op verzoek van vrienden doodsprentjes voor hun geliefde overledenen en schreef daarop ook de elegieën. Daarnaast bedacht de dichter op verzoek verzen ter gelegenheid van huwelijken, communies, doopsels. Ontroerend is zijn allerlaatste gedicht, licht met potlood opgetekend in een kleine agenda – een gedicht in het Engels, O Holy Pathmos, toch ook nog voorzien van een wijziging.

Dichterlijke topstukken - Gezelle in Europa

Guido Gezelle, Het gedicht De keizerlijke kroon

De Woordentas

De Woordentas (naar korentas, een stapel korenschoven) is de voedende humus waaruit al die bloemen opschoten. Gezelle schreef perfect Frans en Engels en leerde levenslang vreemde talen. Zijn ware liefde was echter zijn moedertaal, het Nederlands, het Vlaams, de volkstaal in het niet-Franstalige deel van België. Hij bestudeerde die taal tot in haar kleinste uithoeken. De Woordentas bestaat uit liefst 150 000 fiches met lemmata: Vlaamse, Dietse, Brabantse woorden en uitdrukkingen die hij en zijn medewerkers, de ‘zanters’ of arenlezers, in kaart brachten. Als project heeft het de envergure van Dr. Johnsons eerste Engelse woordenboek (1775), alleen is het nooit in druk verschenen. Wel werd de Woordentas, in vijftig dozen, van 1961 tot 1999 uitgeleend aan deskundigen in Leiden om het Woordenboek der Nederlandsche Taal te verrijken. 

De Woordentas bestaat niet alleen uit fiches met woorden die Gezelle en zijn verzamelaars overal in hun dagelijkse leven opvingen, ze bevat ook uittreksels uit zestiende- en zeventiende-eeuwse boeken en ongeveer 6000 fiches met leenwoorden, bastaardwoorden of ‘schuimwoorden’, zoals Gezelle ze noemde. Een belangrijk deel hiervan werd op Gezelles verzoek gecapteerd en genoteerd door zijn secretaresse Cordelia Van de Wiele. Het is eigenlijk een wonderlijke gedachte: de grootste Nederlandstalige dichter uit de negentiende eeuw was ook een onvermoeibare lexicograaf, wilde voor zijn moedertaal niet alleen een dichterlijk maar ook een wetenschappelijk monument oprichten.

Dichterlijke topstukken - Gezelle in Europa

Guido Gezelle, Woordentasfiche met uitleg en schets bij het woord 'Caproen'

Een dichterlijke briefwisseling

Op de prachtige website gezelle.be, een initiatief van de hoofdbibliotheek van Brugge, vind je intussen een ruime keuze aan Gezelles brieven, ruim drieduizend. Het doel is om alle zevenduizendzevenhonderd bewaarde brieven wetenschappelijk verantwoord online beschikbaar te stellen. In het Gezellejaar 2024 was er extra aandacht voor Gezelles vrouwelijke correspondenten. Soms ging het om dames voor wie hij biechtvader en geestelijke raadsman was. In die Franstalige brieven geeft hij vaak tactvol en uitstekend mentaal advies, een aspect dat ik niet van hem kende. 

De Vlaamse overheid koos een iconisch onderdeel uit de omvangrijke briefwisseling als topstuk: de correspondentie met Eugeen Van Oye, de leerling voor wie Gezelle onder andere het beroemde Dien avond en die rooze en Een bonke keerzen kind schreef. Van Oye zat in Gezelles poësisklas in het Kleinseminarie in Roeselare (1857-1858). De gevoelige, introverte jongeman bracht Gezelle op 1 november 1858 een roos uit zijn tuin, geïnspireerd door het gedicht The Last Rose of Summer van de Ierse schrijver Thomas Moore (1779-1852), door Gezelle in zijn lessen besproken. Om 10 uur ‘s avonds dicteerde Gezelle als herinnering aan Van Oye het klassieke en dikwijls gebloemleesde gedicht. Het lijkt een tafereel uit een negentiende-eeuwse Dead Poets Society; alleen hoopte Gezelle niet op de eerste plaats dat zijn leerling een dichter zou worden, maar dat hij priester zou zijn. De jonge man koos uiteindelijk een andere weg en daardoor bekoelde de band met zijn leermeester, hoewel ze tot aan Gezelles dood in contact bleven. 

Beweren dat Gezelle onze grootste romantische dichter is, heeft weinig zin: hij was onze enige romantische dichter en torende als een gigant boven het literaire landschap uit.

De verzameling omvat drieënvijftig brieven van Gezelle en honderdzestien brieven van Van Oye, die zich onder Gezelles leerlingen als “de Sint-Jan” bleef beschouwen. Het is op zich al uitzonderlijk dat een briefwisseling langs twee zijden bewaard blijft. Gezelle zelf zag dit als een “dichterlijke briefwisseling” die hij ooit wilde uitgeven. Er zitten vele verrassende zaken in deze carteggio. Er is de onstuimige brief van Gezelle van 22 juni 1858, een brief van een verbluffende literaire kwaliteit en intensiteit, tevens Gezelles artistieke credo. Enkele maanden later volgt een brief gericht aan ‘Van Oye Sahib’, geschreven in het Hindustani en het Engels. (Gezelle lijkt het Engels even vlot te hebben gebruikt als hedendaagse tieners, zij het met een ruimere woordenschat.) Wanneer Van Oye hem in 1887 zijn 1302. Hymne aan Breidel en De Coninck toezendt ter beoordeling, antwoordt Gezelle goudeerlijk: een deel is “mij onverdraaglijk”, een ander deel is louter proza en de vondst “Hoezee! 1302” is een dieptepunt. Gezelle heeft gelijk, maar relativeert meteen ook zijn positie: hij is maar een zwaluw en één zwaluw maakt de lente niet. 

Dichterlijke topstukken - Gezelle in Europa

Brief van Guido Gezelle aan Eugeen van Oye, Roeselare, 15 september 1858

Beweren dat Gezelle onze grootste romantische dichter is, heeft weinig zin: hij was onze enige romantische dichter en torende als een gigant boven het literaire landschap uit. Zijn sensibiliteit, zijn taalvuurwerk, zijn vormelijke vrijheid en experimenten maken hem tot een unieke verschijning. Wie hem leest, herontdekt als het ware haar of zijn moedertaal. Alleen Paul van Ostaijen evenaarde hem later in frisheid en originaliteit, schreef Maurice Gilliams, die zichzelf wellicht als de derde dichter in deze drievuldigheid beschouwde. Het poëziearchief, de Woordentas en de briefwisseling met Van Oye bieden als Vlaamse topstukken een verfijnd en genuanceerd beeld van Gezelles betekenis. In eigen land, maar ook in Europa.

openingsbeeld:

Het gedicht God gaf het ons met tekstontwerp van Gezelle voor het bidprentje van Augustus (Gustje) Doorne, Openbare Bibliotheek Brugge