Tot de voornaamste schilders die onmiddellijk na de tweede wereldoorlog in ons land op de voorgrond getreden zijn, behoort zonder twijfel Rik Slabbinck. Ofschoon hij, als leerling van Permeke, reeds in de jaren vóór en tijdens de oorlog begon te schilderen, was het toch pas in de loop van het lustrum 1945-1950 dat hij zijn eigen persoonlijkheid definitief heeft ontbolsterd.
Met zijn werk staat men voor het eerder ongewone feit dat hij weer dichter bij de Vlaamse expressionisten aanleunt dan zijn onmiddellijke voorgangers, de generatie van Albert van Dijck en War van Overstraeten, die met enige anderen de groep der intimisten hebben gevormd. Hun was het om een meer beheerste, stiller, en beschouwelijker kunst te doen dan die van Permeke, Gust de Smet, Brusselmans, Frits van den Berghe e.a. Veeleer werkten zij in de lijn van iemand als Hippoliet Daeye, zonder die schilder echter in zijn deformaties te volgen. Een der meest opvallende kenmerken van de schilders die men de expressionisten heeft genoemd, zijn inderdaad hun vervormingen van figuren en dingen. Ze gaan daarin weleens zeer ver en vooral dat element in hun kunst hebben de bedeesder aangelegde intimisten niet voor hun rekening willen nemen. Slabbinck overigens ook niet. Maar van de andere kant bleek zijn schilderstemperament toch weer van die aard dat hij op de een of andere manier van het beeld der natuur moest afwijken, was het niet op het gebied van de vorm, dan toch op dat van de kleur.