Het doek met Maria tussen de twee staande heiligen is trouwens in zijn geheel, dus ook wat de personages aangaat, sterk op Italië georiënteerd. De plaatsing van de verheven figuren op een driehoekig schema herinnert vooral aan de voordracht van sommige Noorditaliaanse schilders, de figuur van Maria toont verwantschap met het door Rafaël gecreëerde Madonna-type, terwijl vrijwel hetzelfde (Oosterse ?) tapijt als dat waarop zij is gezeten, voorkomt op een uit 1542 daterend schilderij van Lorenzo Lotto. Het tafereel op het andere schilderij (gebaseerd op een middeleeuwse legende, die populairder werd naarmate de Lucasgilden in belangrijkheid toenamen), is wat uitwerking betreft juist traditioneel Vlaams van karakter.
Niet ten onrechte heeft men het wel eens een vergroot miniatuur genoemd. Plechtstatigheid ontbreekt hier te enen male, er zijn geen hiëratische figuren, er is geen monumentaliteit in de opbouw. In plaats daarvan zien we een pseudo-heilige handeling die tot (Vlaamse) huiselijkheid werd gereduceerd.
Maria poseert met haar kind, Lucas zit voor zijn ezel en in een vertrek op de achtergrond is een knecht bezig met verfwrijven. Hoewel zij dezelfde persoon is als de vrouw op het andere doek, doet Maria nauwelijks meer aan het rafaeleske type denken. Haar houding vertoont een zekere stijfheid, in tegenstelling tot de elegantie van de hoog tronende Madonna, die meer volgens de formule van de 'figura serpentinata', in lichte S-vorm, is weergegeven.
Dat één schilder in dezelfde tijd, en zeer waarschijnlijk voor hetzelfde doel, twee voorstellingen kon maken waarin de decoratieve elementen weliswaar grotendeels bij elkaar passen, maar waarvan de personages als het ware twee verschillende talen spreken, is een hoogst opmerkelijk verschijnsel. Met de mate van stijlbewustheid van 16de-eeuwse schilders zijn wij onvoldoende op de hoogte, maar het lijkt mij dat Lanceloot Blondeel wist wat hij deed in 1545. Het kan niet anders of hij heeft zich rekenschap gegeven van het feit dat hij zich van twee stijlen bediende in wat toch waarschijnlijk als één werk moet worden beschouwd: de vóór- en achterzijde van een standaard.
Het zou mij niet verwonderen (maar meer dan een hypothese is dit niet) als Blondeel met het rug-aan-rug combineren van twee stijlen juist een zekere eenheid heeft willen suggereren, en wel volgens een gedachte van zijn tijd, een gedachte die literair was uitgewerkt in 'La Concorde des deux Langages' (± 1511) van de toen befaamde dichter Jean Lemaire de Beiges. In deze titel wordt niet zozeer gedoeld op twee talen als wel op twee culturen, met name de Italiaanse en de Franse (tevens Vlaams-Bourgondische) cultuur.
De eenheid van deze twee culturen uit te drukken was in de 16de eeuw, toen al wat Italiaans was met respect werd bejegend, voor een Vlaams Lucasgilde zeer ter zake. De aanspraak op verwantschap met Italië verhoogde tenslotte de eigen importantie.