De Vlaamse portretten van de XVe eeuw, in steen of hout gebeiteld, of op paneel geschilderd, worden tot de hoogste prestaties gerekend van de Europese kunstgeschiedenis. Volplastisch en monumentaal, echt, kleurrijk, eerder zintuiglijk dan geestelijk genietbaar: voorzeker, het zijn de eigenschappen van de Vlaamse kunst die zich hier voor het eerst volmondig openbaren.
Zonder een eeuwenlange beoefening en vervolmaking van ambachtelijke tradities is het ondenkbaar dat die kunst, uit een klein land, een wereldtaal zou hebben gesproken. Wanneer de technische vaardigheid zich in de dienst kon stellen van de Boergondische weelde, in een machtige handelsstad, spande werkelijk alles samen tot de beroemdheid van de Vlaamse meesters, die abusievelijk de Vlaamse Primitieven worden genoemd. Des te meer zal het ons heden ten dage verwonderen dat een befaamd schilder, zoals Jan Van Eyck, hofschilder van Filips de Goede, ook bescheiden ambachtelijk werk verrichtte, zoals stenen beelden polychromeren. Dat gebeurde o.m. in 1434 toen hij op de steigers stond, voor de Brugse stadhuisgevel en een reeks nieuw opgerichte vorstenbeelden in de kleur zette.
Die bedrijvigheid schijnt ons wellicht minder gepast voor een Van Eyck, die in onze ogen doorgaat als de vernieuwer van de middeleeuwse schilderkunst in West-Europa. Maar is het niet omdat de Brugse Meester de werkelijkheid van zo dichtbij benaderde en zijn vakmanschap zo volkomen beheerste, dat hij het gotisch idealisme kon overwinnen? Op het ogenblik dat Jan Van Eyck op de steigers van het stadhuis arbeidde, stond in zijn atelier een groot eiken paneel klaargezet, kloek ingelijst, 1 meter 40 hoog, 1 meter 76 breed. Het zou het altaarstuk worden dat kanunnik van der Paele hem had besteld. Want de kanunnik wenste in een tafereel geportretteerd te worden, zoals Judocus Veyt in het Lam-Godsretabel, dat twee jaar voordien, in 1432, in de Sint-Baafskerk te Gent was ingewijd geworden.