Het is niet zo eenvoudig het compositieveld van een schilderij te vullen zonder dat daarin al te dominerende partijen of storende dode zones ontstaan. Bovendien moeten dergelijke uiteenlopende voorwerpen, in zulke enge ruimte samengebracht, ook op elkaar worden afgestemd, elk immers wordt gekenmerkt door zijn eigen materie, zijn eigen koloriet en lichtkracht en niet steeds verdragen zij elkaars gezelschap. De stillevenschilder mag zich eensdeels zeker niet veroorloven de werkelijkheidsillusie van wat hij afbeeldt te verwaarlozen, maar anderdeels kan hij ook geen beroep doen op een te opvallende perspectiefwerking die alweer te zeer de aandacht van zijn eigenlijk onderwerp zou afleiden. In het hier besproken werk werd de moeilijkheid omzeild door de tafel en de daarop ten toon gespreide voorwerpen van tamelijk dichtbij en enigszins van uit de hoogte gezien weer te geven.
Nadat men aldus door analyse enig inzicht heeft verworven in de manier waarop de kunstenaar zijn bedoelingen heeft weten te materialiseren, is het moment gekomen waarop men zich onbevangen moet openstellen voor het nu meer vertrouwde schilderij. Uit het sereen gezelschap dat wij voor ogen hebben, treden dan geleidelijk de individuen met hun eigen karakteristieke persoonlijkheid naar voren: de organisch sterk geaccentueerde kalfsbout die meer het medelijden oproept om het korte, afgeknakte leven van het jong geslachte dier, dan de vreugde om de lekkere hap, de gulle pan die haar eieren schijnt aan te bieden, het murwe brood, onopvallend en als rustig in zichzelf gekeerd, de gulden muil van de snoek, pathetisch opgeheven en met de expressie van een blinde, het bescheiden, ineengedrongen kreeftje, de sombere haringen, de fiere, rijkversierde beker, het preutse hoog opgestelde en van licht tintelende glas. Alle, tastbaar weergegeven aan de hand van een subtiele stofuitdrukking, zijn psychologisch geladen, en aldus werden zij door de kunstenaar bezield. Zijn eigen visie heeft hij omzeggens op hen overgedragen, en aan de toeschouwer, die hij heeft weten te beroeren, dwingt hij een wijze van 'zien' op die deze niet meer zal vergeten.
Het 'Stilleven met kalfsbout', hoewel niet gesigneerd, kan op stijlkritische gronden, met quasi-zekerheid worden toegeschreven aan Georg Flegel, een ingetogen man, een dromerige natuur, die schier uitsluitend stillevenschilder is geweest en die in 1566 te Olmütz in Moravië werd geboren. Sinds 1594 verbleef hij te Frankfort a.d. Main, waar hij enkele jaren later, in 1597, als burger in het stadsregister werd ingeschreven met de vermelding dat hij laatst bij Lucas van Valckenborch werkzaam was geweest en van hem een 'guten Zeugnis' had ontvangen. Nu is het bekend dat de in Leuven geboren Lucas van Valckenborch, om redenen van politieke en godsdienstige aard, in 1566 uit de Nederlanden vluchtte en, na onrustig over en weer te hebben gereisd, in 1575 hofschilder werd van aartshertog Matthias van Oostenrijk. In 1593 kwam hij naar Frankfort en het is dus zeer waarschijnlijk dat hij Georg Flegel uit Wenen of Bohemen naar de stad aan de Main heeft meegenomen. Flegel werd er de medewerker van een andere uit de Nederlanden gevluchte kunstenaar, namelijk Lucas' broeder Maarten van Valckenborch, zodat de door de traditie overgeleverde bewering als zou hij schilderijen van deze laatste met bloemen, vruchten en vaatwerk hebben gestoffeerd, mag worden aanvaard.