De uiterlijke elementen van deze Temptatie van Sint-Antonius zijn ontleend aan bronnen die veel ouder zijn dan Teniers' tijd.
De biografie van Sint-Antonius Abt (251 of 252 - 356) werd geschreven door de kerkvader Athanasius ( +- 295-373), maar de perikelen van de heilige eremiet met de duivel werden in onze streken bijzonder populair door de ruime verspreiding van een paar verzamelingen van heiligenlevens, inzonderheid de Vitae Patrum of het Vaderboec en de Legende aurea van de dominicaan Jacobus Voragine (overleden in 1299) in dyetsche die gulden legende of dat passionael geheten.
Van deze hagiografische litteratuur zijn talrijke handschriften bewaard maar de verspreiding was vooral te danken aan de gedrukte uitgaven die in de vijftiende eeuw verschenen. In deze teksten lezen we o.m. 'Op een tijt als sinte anthonius ruste in een hole van de speluncke of van enen clippe, soe quam tot hem een grote scare van duvelen in gelikenis van wilde beesten menigherhande'.