27 Juli 1473, ergens te Brugge. Precies op die dag voltooide een meester-schilder, die zeker niet kon vermoeden dat men hem ooit Vlaams primitief zou noemen, een drieluik dat Jan de Witte hem waarschijnlijk ter gelegenheid van zijn tweede huwelijk had besteld.
In gouden letters staat op de afgeschuinde onderregel van de lijst van het middenpaneel en een deal van het rechterluik (zie ook zwart-wit foto) te lezen : hoc opus p(er)fectu(m) a(nn)o.m.ilc. lxxlii.xxii/die. Julyi (dit werk werd voltooid In het jaar 1473 op de 27e dag van Juli). Links en rechts staat er nog : etatis.xxx.an(n)o(ru)m (linkerluik) ; etatis.xvi.an(n)o(ru)m (rechterluik). Hiermee weten we meteen dat de voorgestelde man op dat ogenblik dertig jaar oud was, de vrouw slechts zestien.
Bovenaan, op het bakstenen portiekje achier man en vrouw hangen hun respectieve wapenschilden. Hun identificatle was dan ook geen groot probleem. De man is Jan de Witte, raadsheer van Karel de Stoute, schepen van Brugge, in 1482 burgemeester van deze stad.
De vrouw is Maria Hoose (drie 'hozen' als toespeling op haar familienaam, zijn duidelijk te zien op de rechterhelft van het schild). Zij was de tweede echtgenote van Jan de Witte, wiens eerste vrouw, Margareta Bornuydt, in 1469 stierf. Gezien de zeer jeugdige leeftijd van Maria Hoose, mogen we wel veronderstellen dat deze triptiek een huwelijksgedenkstuk is. De uitvoerige inscriptie, een zo zeldzaam iets in de vijftiende eeuw, werd zeker op vraag van de opdrachtgever aangebracht. Hierdoor verkrijgt het schilderij nog duidelijker het karakter van een herinneringsmonument.