Een eerste vraag die men zich kan stellen bij het bekijken van dit portret is wellicht wie hier werd voorgesteld. Wie is deze man met wijde mantel en geplisseerde kraag, die de toeschouwer onderzoekend en tegelijkertijd ietwat dromerig aankijkt ?
Algemeen wordt aanvaard dat Van Dyck hier Frans du Quesnoy uitbeeldde, een van de beroemdste beeldhouwers uit onze gewesten. Deze identificatie steunt op een prent van 1751, die naar het Brussels schilderij werd gemaakt en waaronder de naam du Quesnoy vermeld staat. Nochtans zijn er redenen om aan de juistheid van dat 18de-eeuwse onderschrift te twijfelen.
Het is mogelijk dat men veronderstelde dat de geportretteerde een beeldhouwer moest zijn, omdat men zich liet misleiden door de gebeeldhouwde kop die hij in de hand houdt. Een dergelijk voorwerp dient echter niet noodzakelijk als een attribuut voor het beroep van de man in kwestie te worden opgevat. Hetzelfde kunstwerk kon evenzeer in de hand gelegd worden van een geleerde of rijke handelaar, die zijn interesse voor de kunst of de antieke cultuur wilde laten blijken. De saterkop heeft bovendien niet alleen waarde als attribuut, maar werd wellicht tevens ingelast met een zuiver schilderkunstig doel : het is een levendig element dat de eenvoudige strengheid van de compositie enigszins breekt.
De vermelding op de prent en de aanwezigheid van die gebeeldhouwde kop laten dus niet toe de voorgestelde met zekerheid te vereenzelvigen met Frans du Quesnoy, en het is dus veiliger het werk te rekenen tot een van de zovele 17de-eeuwse portretten waarvan met de tijd de naam van de voorgestelde is verloren gegaan.