Visuele geestigheden van dit soort duiken na de zestiende eeuw herhaaldelijk weer op. Dat men ze aantreft zowel in de volksprent als in de kunst van een Le Pautre die met zijn composita 'Uurwerkmaker', 'Tuinman', of 'Hengelaar' meer op het lichte vermaak van Versailles' hovelingen georiënteerd was, is wellicht een verdere waarschuwing tegen de neiging om achter deze toepassingen van een ambigu visuele waarneming bewuste pogingen te zoeken van surrealistische introspectie.
De afbeeldingen lijken het product te zijn van het compositiesysteem dat ook Magritte heeft toegepast om de (soms al te) rechtlijnige logica van het (westers) 'gezond verstand' uit haar comfortabele zelfzekerheid te doen opschrikken.
De Contra-Reformatie voerde haar tegenoffensief met een prachtlievende, soms erg pompeuze barok. Minder bekend is de vloed van stichtelijke litteratuur: die is voor ons immers nagenoeg onleesbaar geworden, deels omdat de vorm ervan ons stierlijk verveelt, meer nog omdat de raadgevingen en vermaningen ons eerder tot lachen dan tot vroomheid aanzetten. Wat met het huis-hoofd bedoeld wordt is niet verkeerd te verstaan: de lezer kan immers de vermaning ondergaan, hetzij in het Latijn, het Frans of het Nederlands: