Het beeld dat wij hebben van de alchemie is niet alleen erg eenzijdig, het is ook sterk vertekend. Onder de adepten van de alchemie bevonden er zich inderdaad kwakzalvers die er alleen op uit waren goud te maken. Wezen en betekenis van de alchemie zijn evenwel gelegen in de geestelijke discipline. Door de loutering van de metalen zochten ze de loutering van de ziel. De gezochte transmutatie van het onedel metaal was dus het symbool van de loutering van het eigen wezen.
De alchemie bediende zich van een symboliek die gedeeltelijk opklom tot de oudheid. Ze onderscheidde in de materie twee principes: zwavel en kwik. Een tweekoppig menselijk wezen - dikwijls een koning en een koningin - verbeeldt de vereniging van beide principes, zijnde respectievelijk zwavel en kwik, een vereniging (dikwijls voorgesteld door een coïtus) waaruit het kind van de filosofie, dit wil zeggen het goud, geboren wordt.
Het mannetje in de fiool is dat kind van de filosofie en staat derhalve voor goud. Het ei ten slotte is het filosofisch ei waaruit alles ontspringt.
Het is meteen symbool van de kroes waarin de transmutatie zich in het laboratorium voltrekt. Het geheven zwaard dient men te verstaan als een symbool van het vuur. De betekenis van de prent is dus dat het ei (dit is de kroes) slechts door het vuur (het zwaard) het goud kan voortbrengen.