In 'De intocht van Christus te Brussel' wilde Ensor kritiek leveren op kerk, leger en staat, op het hele burgerdom; het is een satire, een groteske, een parodie. Volgende interpretatie is niet ondenkbaar: dat Ensor als ontgoochelde en miskende kunstenaar enkel en alleen maar bitter spotte met én het socialisme én Jezus Christus, dat hij dus noch in het eerste noch aan het tweede geloofde.
Op een spandoek en banieren staan teksten. Een van die teksten luidde oorspronkelijk 'Vive Anseele et Jésus'. Welnu, deze zin werd later weggeschilderd, later, toen Ensor beroemd begon te worden, en een grote retrospectieve tentoonstelling kreeg in het Paleis voor Schone Kunsten te Brussel (1929), toen hij in de adelstand werd verheven (1930). In 1931 werd te Oostende zijn monument opgericht, hij kreeg tentoonstellingen in Parijs, Londen en de Verenigde Staten. In 1933 kreeg hij de onderscheiding van het erelegioen.
Gesteld dat 'De intocht van Christus te Brussel' een plastisch getuigenis zou zijn van een authentieke en kritische levenshouding, dan heeft de kunstenaar deze achteraf geruild voor arrivisme en succes.
De 'Ensoriaanse psyche': voor mijn part een dubieuze psyche. De discussie is open.