In 1530 bijvoorbeeld, bedroeg de productie 24.000 stuks. Maar in 1570, kort voor het beleg, was dit aantal gedaald tot slechts 3.800 stuks. De oorzaken waren: moeilijke aanvoer van wol, en een verminderde afzet ten gevolge van de concurrentie van goedkoper laken elders. De gevolgen voor Leiden waren: werkloosheid, verarming en wegtrekken van de beroepsbevolking.
De vroedschap van Leiden zag in, dat het voor de stad van het allerhoogste belang was deze nieuwe manier van fabricage van lichtere en goedkopere stoffen, die de nieuwe draperie werd genoemd, naar de stad over te brengen. In juni 1577 werden na enige onderhandelingen de eerste Vlamingen uit het Engelse Colchester, als Leidse poorters ingeschreven. Deze immigratie werd door het stadsbestuur, met name door de secretaris Jan van Hout (1542-1609) krachtig gestimuleerd. Daarmee was een nieuwe periode van bloei voor de Leidse nijverheid geopend. Baai (dik wollen flanel) en saai (lichte gekeperde wollen stof) waren de voornaamste producten. De saainering vond zijn hoofdkwartier in het voormalige St. Jacobsgasthuis, dat in 1583 daartoe werd gebouwd. In deze Saaihal werden in 1600 al meer dan 40.000 stuks behandeld.
Geen wonder dat de vroedschap van de stad in 1594 het besluit nam deze fenomenale opbloei van de economie dankzij de komst van de 'nieuwe draperie' of 'nieuwe nering' te gedenken door aan hun stadsgenoot (en tevens lid der vroedschap !) Izaak van Swanenburgh (1538-1614) opdracht te geven ten behoeve van de Saaihal een aantal toepasselijke voorstellingen te schilderen. Deze panelen werden aangebracht in de 'secreet-camer' (geheime kamer) voor de 'gouverneurs' van de draperie, die hier vooral op dinsdag en vrijdag druk werk hadden de saai te keuren en van loden te voorzien.