De aanneming zelf was voorbehouden aan de beeldsnijders en de schilders, die op gelijke voet werden behandeld als het ging om het uitvoeren van bestellingen. Wat de verkoop op de markt betrof, mochten alleen de schilders volledig afgewerkte, d.w.z. gepolychromeerde retabels te koop aanbieden, en de beeldsnijders enkel ongepolychromeerd werk. Wanneer dit laatste langer dan een maand onverkocht bleef, mochten de beeldsnijders het werk laten polychromeren en het opnieuw te koop stellen.
Die bevoegdheid om retabels te verkopen was nu precies erg belangrijk geworden: in de tweede helft van de 15e eeuw was de verkoop op de markt immers de grootste afzetmogelijkheid geworden, wegens de steeds stijgende vraag, zodat de kunstenaars al lang niet meer op een bestelling wachtten om retabels te maken. En de meeste kopers, vooral de buitenlanders, wilden hun retabels het liefst kant en klaar meenemen. De schilders bezaten hier dus duidelijk een meer bevoorrechte positie dan de beeldsnijders, die grotendeels afhankelijk werden van het initiatief van de schilders of van bestellingen bij schilders geplaatst. Het waren dan ook de Brusselse schilders die te Antwerpen een contract sloten met het Sint-Lukasgild om er hun retabels en schilderijen te mogen verkopen. In het predikherenpand en het O.-L.-Vrouwpand aldaar was er immers een gespecialiseerde markt voor kunstwerken, die druk werd bezocht door kooplieden uit binnen- en buitenland, waar de kunstenaars hun waren konden tentoonstellen. Zo komt het, dat een niet onaanzienlijk deel Brusselse retabels in het buitenland, te Antwerpen werden aangekocht.
De Antwerpse kunstenaars kenden, als leden van hetzelfde Sint-Lukasgild, minder onderlinge moeilijkheden. De markt stond er open voor schilders zowel als voor beeldsnijders. De onderaanneming was natuurlijk ook te Antwerpen verplicht, om de concurrentie tussen gildeleden onderling te vermijden, maar verder kreeg ieder hier gelijke kansen. Typisch voor die sterke positie is de afloop van een proces, ingespannen door de Antwerpse schrijnwerkers, die eisten dat de schilders en beeldsnijders de retabelkasten bij hen in onderaanneming moesten geven, zoals dat in Brussel het geval was. Die eis werd onmiddellijk verworpen: het stadsbestuur oordeelde dat de beeldsnijders de bevoegdheid bezaten ook de bak van hun retabels te vervaardigen, en bevestigden met die uitspraak de bestaande toestand. De hele produktie verliep te Antwerpen dan ook zeer soepel: hier was het mogelijk dat beeldsnijder en schilder in hetzelfde atelier werkten, de een als meester, de ander als knecht bijvoorbeeld.
Naarmate de produktie steeg, treffen wij in die ateliers trouwens steeds meer gespecialiseerde kunstenaars aan: bakmakers, vergulders, stoffeerders, en de zogenaamde metselarijsnijders, dat zijn beeldsnijders die zich uitsluitend toelegden op de vervaardiging van de architecturale versiering van de retabels.
Het organisatorisch onderscheid tussen de ambachten in de twee grote centra werkte tenslotte duidelijke verschillen in de hand wat het uitzicht van de Brusselse en Antwerpse retabels betreft. De specialisatie in de Antwerpse ateliers leidde tot het vasthouden aan vertrouwde schema's en vormen.
De retabelkasten bijvoorbeeld werden er steeds volgens dezelfde, tamelijk eenvoudige schema's opgebouwd, en de thematiek beperkte zich bij voorkeur tot het meest gevraagde: passie- en Mariaretabels. In Brussel bestond er een grotere variatie, zowel in de vorm als in de thematiek, daar er veel op bestelling van klanten met specifieke eisen werd gewerkt, of op bestelling van de schilders, die dikwijls zelf ontwerpen leverden. Wilde men dus iets speciaals, dan kon men beter in Brussel terecht, waar nauwer de mode werd gevolgd.