Herinnerd te worden aan de luiers van Jezus, uit de kousen van Jozef gemaakt, was voor het middeleeuws geloof ontroerend. Niet om de verdienste die Jozef toe te schrijven zou zijn. Zijn hoofd is niet geaureoleerd, hij blijft de voedstervader, de oude man, die zich straks tot het lage tafeltje wendt om kruik, nap, lepel, onhandig te hanteren en er aan de veldfles zijn dorst te lessen, want - zo vertelt de middeleeuwer - Jozef doet meer verkeerd dan goed. Ontroerend was de herinnering aan het uittrekken van de kousen om een andere reden: niet eens windselen ter beschikking hebben bij een geboorte, hoe ellendig moet het geweest zijn voor het Kindje. Hoe arm moeten ze wel geweest zijn, Maria en Jozef! Herhalen onze kerstliederen het niet: 'doe wasset cout'?
Nochtans, van die armoede, van die koude, wat geeft onze schilder ervan weer, behalve het gebeuren met de kousen ? Waarom een pracht van een rustbed, modieuze kleren, bomen in volle zomer, een lachende hemel, een rijkdom van kleuren en van goud, stralend echt goud ? De bezoeker van het Museum Mayer van den Bergh, wanneer hij voor het beroemd paneeltje staat, voelt zich in de intieme zaligheid ervan betrokken, en glimlacht. Niet veel anders zal het de beschouwer in de jaren 1400 vergaan zijn. Wie dat was?
Die beschouwer was niet het volk. Beschilderde panelen die aan iedereen, hetzij het Evangelie hetzij een heiligenleven aanschouwelijk maakten, waren toen in onze gewesten nog nergens voorhanden: het veelluikje Antwerpen-Baltimore is een van de prototypen. Zijn formaat - elk paneeltje is niet groter dan een vel postpapier - beantwoordt aan geen andere bedoeling dan privé-gebruik, privé-beschouwing, en wel in een privé-kapel. De opdrachtgever behoorde zonder twijfel tot adel of geestelijkheid, indien het niet de hertog van Bourgondië zelf is geweest, de machtigste vorst in het Westen. Inderdaad geldt als herkomst van het veelluikje het kartuizerklooster Champmol, waar de hertog zijn persoonlijke kapel had en waar hij wenste begraven te worden.
In ieder geval was de beschouwer van 1400 de opdrachtgever-eigenaar zelf, de met weelde en goud vertrouwde, voor wie het bestaan van armoede vanzelfsprekend was. Misschien was hij een Akenaar, die de allerkostbaarste onder de relieken die zijn stad beroemd maakten, voortaan wilde afgebeeld zien zo vaak hij verlangde, en niet slechts éénmaal in zeven jaren, wanneer de Jozefskousen -de authentieke - eventjes aan de massa pelgrims werden getoond. Was hij geen Akenaar en heeft hij geduld, misschien gewild, dat de arme Jozef, zijn arme kous tot een arm windsel snijdend, op de voorgrond werd afgebeeld, zo was dit toneeltje hem hierom genietbaar, dat de geboorte van de Godmens, door alle nood heen, omgeving en aarde en hemel zichtbaar hult in een sfeer van jonge blijde feestelijkheid, die zich aan niemand zozeer meedeelt als aan de bevoorrechte, die het kunstwerk liet schilderen en mocht bezitten.