Ik weet niet of u bij de eerste aanblik van de kleurenreproduktie die thans voor u ligt opgemerkt hebt dat hier een marteling, een gruwelijk gebeuren wordt uitgebeeld. De houdingen en gebaren van de personages zijn zo beheerst, en het landschap is zo vredig, dat wij er ons eerst bij nader toekijken bewust van worden dat op het voorplan een martelaar uitgestrekt ligt op een pijnbank. Zijn buik is opengesneden en zijn ingewanden worden met behulp van een windas opgewonden.
De heilige ondergaat die foltering met grote gelatenheid. Zijn deemoed en verduldigheid zijn zo groot dat men hem niet eens had hoeven vast te binden, want eerst nu stellen wij vast dat hij met dunne touwen op de pijnbank is gebonden. De beulen doen rustig hun werk, even bedaard alsof ze een handbediend bruggetje of een sluisdeur van een kanaal aan het openen waren. En de rechters in het midden staan er ingetogen bij te kijken, als waren ze in een stille meditatie verzonken.
Wie is de heilige, die daar zonder enig misbaar zijn marteling ondergaat? Zijn geschoren kruin wijst er op dat hij een geestelijke moet zijn geweest, en de mijter op het voorplan, links naast de pijnbank, dat hij een bisschop was. Van de H. Erasmus vertellen ons laatmiddeleeuwse legenden dat hij bisschop van Antiochië was, gemarteld werd door middel van een windas, waarmee de darmen uit zijn lichaam werden gehaald.
Ik herhaal het, aldus verhalen laat-middeleeuwse legenden, want in de vroegste geschriften over de heilige is van die martelwijze helemaal geen sprake. Wel wordt vermeld dat hij herhaaldelijk werd gefolterd omwille van zijn geloof, maar telkens ook werd hij op een bovennatuurlijke wijze gered. In de zuidelijke landen werd hij vooral door de schippers vereerd, en als hun patroon werd hij dan ook dikwijls afgebeeld met een windas en ankertouwen, instrumenten van de scheepvaart. Maar, toen in de late middeleeuwen die attributen niet meer werden begrepen, ontstond de legende dat de H. Erasmus gemarteld werd op de wijze als op het schilderij is uitgebeeld.
Het paneel in de Sint-Pieterskerk te Leuven neemt door zijn beheersing en ingetogenheid wel een nagenoeg unieke plaats in onder de laatmiddeleeuwse marteltaferelen. Inderdaad, zowel vóór Bouts als door de meeste van zijn tijdgenoten werd doorgaans het gruwelijke van de gebeurtenis onderstreept, terwijl ook alle episoden van het martelverhaal met grote voorliefde voor het anekdotisch detail werden weergegeven.