Wie aan Memling denkt, denkt aan het Sint-Janshospitaal. Dit werk, algemeen aan de meester toegeschreven, wordt er slechts toevallig bewaard. Vóór 1815 bevond het zich in het thans verdwenen Sint-Juliaans-gasthuis van deze stad.
De schilder heeft deze vrouwenfiguur weergegeven met ietwat grote en brede neus, met ogen die elk menselijk contact mijden en met een mond die angstvallig gesloten blijft. En toch is deze van nature minder bekoorlijke vrouw gesmukt naar de mode van haar tijd. Aan haar handen telt men zeven ringen en de linker ringvinger alleen heeft er vier. Haar wenkbrauwen zijn geëpileerd en het haar op het voorhoofd is zo hoog uitgetrokken dat het nog maar met moeite merkbaar blijft onder het hoofddeksel. Een zijden doek bedekt op geraffineerde wijze een gedeelte van het gelaat. Erasmus van Rotterdam, die in zijn jeugd deze damesmode had gekend, hekelt deze in één van zijn Samenspraken. Doelend op de vrouwen van die tijd zegt hij : 'haar vingers hebben ze beladen met smaragden en diamanten' en 'oudtijds was het alleen een voorrecht van edelvrouwen zich de haren van het voorhoofd en de slapen uit te trekken en lang duurde het niet of de eerste de beste volgde dit na'. Het zwarte kleed dat zij draagt met slechts een vleugje rood en groen symboliseert geen wereldvreemdheid of rouw maar was éénmaal de verfijnde mode van het in pracht schitterende Bourgondische hof.
De schilder heeft haar voorgesteld als staande voor een open raam. Met haar vingers overschrijdt zij even de grenzen van het paneel, de vingertoppen van de rechterhand liggen op de onderregel van de lijst, als een stenen vensteromraming opgevat. Let even op de gemarbreerde beschildering van de stijlen en regels en hoe de onderdorpel van de vensterbank heel bedrieglijk - in trompe l'œil - op het paneel is verlengd.
Men wordt geïntrigeerd door deze figuur van nature eerder karig bedeeld en toch naar de mode gekleed. Men vraagt zich af waarom een personage aangewezen om binnenskamers te leven, naar buiten ziet, niet om de dingen van elke dag met aandacht te bekijken maar om er dromend over heen te staren. Staat men hier voor een gezicht dat de schilder in de eerste plaats met zijn geestesoog heeft gezien of voor een eigenlijk portret ?