Het is wellicht genoegzaam bekend dat Brugge tegen het einde van de 15e eeuw zijn aanzien als bijzonder cultuurdrager in de Nederlanden niet lang meer vol kon houden. Nochtans, in deze kosmopolitisch geaarde stad van het Noorden scheen het klimaat gunstig genoeg om snel voor de nieuwe kunst van de Renaissance de wegen te openen en aan het artistieke wonder van de Bourgondische tijd, de schilderschool van Jan van Eyck, een evenwaardig vervolg te bezorgen.
Helaas, Brugges 'gouden eeuw' heeft niet de aankondiging van een nieuwe tijd mogen zijn. Een aantal samenwerkende factoren hebben de decadentie bespoedigd. De artistieke achteruitgang is er evenwel minder vlug en niet precies op de drempel van de 16e eeuw gekomen. De Vlaamse koopmanskolonie had immers zoveel reserves aangelegd dat sommige kunsttakken er nog baat bij zouden vinden. Ook de schilderkunst, terend op haar verleden, zou nog enige decennia met eer en vakmanschap beoefend worden. Talrijke namen bleven de inschrijvingsboeken van het ambacht vullen. Was het omwille van de roemrijke traditie of omwille van de resterende en aan kunstwerken bestede fortuinen? Brugge bleef in ieder geval nog een tijd attractief, al was het dan niet meer voor eersterangsmeesters.
Dat moet ook voor Jan Provost geweest zijn. Deze schilder uit Bergen in Henegouwen, was in 1493 te Antwerpen als vrijmeester in het schildersambacht verschenen. Het jaar nadien reeds kwam hij zich voorgoed te Brugge vestigen, nauwelijks op tijd om er nog in de zomer van hetzelfde jaar getuige te zijn van de dood van Memling, de laatste van de zgn. echte Vlaamse Primitieven.