Wanneer men de schilderkunst der Lage Landen in de 16de eeuw overschouwt, valt het op dat voornamelijk in het landschap en in het portret de inheemse, realistische traditie bestendigd wordt, waar in de toendertijd hoger aangeslagen godsdienstige, mythologische en historische genres navolging van de Italiaanse kunst overheerst.
Niet dat, bijvoorbeeld, in het portret de Renaissance-geest zou ontbreken, of dat er geen Italianismen zouden binnendringen: toch kreeg er de eigen werkelijkheidszin, die zo kenmerkend was voor de voorgaande periode der Vlaamse Primitieven, een betere kans om tot uiting te komen, zodat er minder een breuk met het verleden voorkomt, dan wel een geleidelijke ontwikkeling naar een nieuwe opvatting, waarbij aanvankelijk oud en nieuw in wisselende doseringen samengaan. Van deze algemene vaststelling biedt het hier besproken Portret van een jonge man, uit het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten te Antwerpen, wel een bijzonder treffend voorbeeld.
Met zelfbewuste fierheid, ferm van allure en ogenschijnlijk onwrikbaar van karakter - eigenschappen die in de Renaissance-mens hun belichaming vonden-, kijkt deze jonge man van omstreeks dertig jaar al wie hem tegemoet treedt vrank en vrij in de ogen. Over volle vier eeuwen verwachten wij van hem, dat hij ons zo dadelijk springlevend uit zijn statig geposeerde portrethouding zal toetreden, onvermijdelijk onze bewondering afdwingend voor zijn waardige zelfzekerheid, waaraan elke vorm van aanstellerij vreemd blijkt te zijn.