OKV1997.1
Surrealisme in Belgische collecties
Giorgio de Chirico (1880-1978), Twee mannequins (ca. 1920), Olieverf op doek, 80,5 x 54 cm,
Met het surrealisme begint de moderne kunst, dat wil zeggen een heel andere kunst. Zijn verschijning creëert een breuk die niet meer te herstellen is. Kan men daarna nog dat woord 'kunst' - dat in de loop van enkele eeuwen in de Europese wereld zo'n specifieke betekenis heeft gekregen - op dezelfde manier hanteren? Met het surrealisme wordt de religie van de kunst (die de religieuze kunst heeft opgevolgd) tegelijk ten top gedreven en definitief verdreven.
Het surrealisme is geen kunst die nog werkt rond de betekenis, maar een kunst die denkt in termen van energie: het capteren en kanaliseren van energie in beweging.
Men heeft vaak de indruk dat het surrealisme de kunst bevrijd heeft van haar laatste verankeringen en opdrachten. Maar vanuit een andere invalshoek bekeken, valt het tegendeel juist op, met name hoe dienstbaar al deze beelden zijn. Ze zijn dienstbaar aan een beweging, berekend als in de meest precies omschreven opdracht, ingebed in een keurslijf van ideeën. Vanuit een ander standpunt bekeken, blijkt het surrealisme veel meer onderworpen aan verplichtingen dan men denkt.
Een aantal wetten leiden dit surrealisme in een welomschreven baan. Die wetten zijn gevat in een programma dat door André Breton te Parijs in manifesten werd uitgeschreven. Zijn stichtend gebaar is door velen elders, en vaak ook tegen Breton herhaald. In het surrealisme kent de manie van het artistieke manifest een hoogtepunt. Dat manifest scheidt, verordent en dwingt.