Marthe Donas, Eindelijk

Raar maar waar, over Marthe Donas (1885-1967) bestond nog geen mono­grafische studie van enige omvang. Door het boek van Kristien Boon is deze anomalie rechtgezet.
Wie was die dame van wie wij zo wei­nig afweten? Enkel insiders kennen haar als één van de pioniers van ku­bisme en abstractie in ons land. Die rol wordt omstandig uit de doeken gedaan in De Abstracte Schilderkunst in Vlaanderen, het standaardwerk uit 1963.  Maar Michel Seuphor en zijn team zien het onderwerp door de bril van de abstractie en zo blijft een groot gedeelte van haar persoonlijk­heid en werk buiten beschouwing.
Met deze studie wordt voor het eerst een globaal beeld van Marthe Donas opgehangen. Er zijn zoveel merkwaar­dige aspecten aan deze vrouw dat deze ene studie onvoldoende is om haar volledig te vatten. Bovendien is de bibliografie over haar niet erg uitgebreid. Zijzelf heeft gelukkig enkele autobiografische geschriften nagelaten waarvan Kristien Boon dankbaar gebruik heeft gemaakt.  Zij beseft trouwens ten volle dat de kous niet af is.  In de inleiding geeft ze toe dat er nog veel onopgeloste vragen en te veel veronderstellingen zijn. Zij drukt daar­om de terechte wens uit dat aan de studie van Marthe Donas wordt verder gewerkt. Dat kunnen wij enkel toejuichen. Maar wat heeft Boon dan wel bereikt?
Het boek dat zich globaal als een tweeluik aandient, geeft ons voor het eerst een vrij goed overzicht van Donas' levensloop.  En deze is allesbehalve banaal te noemen.  De strijd die zij als burgermansdochter tegen haar familie moet voeren om haar kunste­naarstalent tot ontplooiing te laten komen, is de rode draad van haar jonge jaren. Zo moet zij zelfs met hangende pootjes de fami­liekring opnieuw vervoegen na haar kubis­tisch avontuur te Parijs.  Haar atelier, 26 rue du Départ te Montparnasse, laat zij over aan Piet Mondriaan. Zij heeft dan een tijdje met de crème de la crème van de avant-garde meegedraaid, maar niemand weet het, zeker in Antwerpen niet. Paul van Ostaijen die zich in Vlaanderen als de kenner bij uitstek van het kubisme opwerpt, is niet te beroerd om te verklaren dat hij die Tour d'Onasky   niet kent.  Als Michel Seuphor haar werk in het tijdschrift De Stijl ziet staan, denkt hij met de zoveelste flauwe grap van Theo van Doesburg te maken te hebben.  Wie is die kunstenaar die signeert met Tour Donas, Tour d'Onasky of gewoonweg Donas, maar nooit met Marthe Donas?  Het is het drama waarmee zij worstelt: zij is een vrouw in de machowereld van de avant-garde.  Het had nog eens een emancipatorisch gevecht gevraagd om de erkenning als vrouw af te dwingen. Om die dubbele strijd te voeren, voelde zij zich niet sterk genoeg. Nog een kwaal waarmee vrouwelijke kunstenaars opgezadeld zitten: in 1927 moet zij omwille van huishoudelijke beslommeringen het schilderen opgeven.  Die onderbreking duurt twintig jaar.  Deze tweede periode is totnog­toe zo mogelijk nog minder gedocumen­teerd geweest dan de eerste. Met plezier ontdekken wij dus een kunstenares die haar eigen weg zoekt in een volledig vernieuwd artistiek landschap. Zij schuwt stijlbreuken noch eigenzinnige experimenten, zoals het gebruik van stukken mousse, als levendige kleuraccenten in abstracte composities.
Aan ontdekkingen dus geen gebrek. De stilistische duiding van dit veelzijdig werk is het onderwerp van het tweede luik van deze studie. Spijtig genoeg lijkt de auteur hier wat overdonderd door haar onderwerp . Toegegeven, Donas werkte in één der meest dynamische periodes van de Westerse kunstontwikkeling en Kristien Boon wil ons die bewegingen allemaal duidelijk situeren,  maar hierdoor verliest zij de eigen evo­lutie van Donas te veel uit het oog. Do­nas eet van verschillende walletjes, haar werk evolueert met een razende vaart. Telkens zij weer nieuwe ontmoetingen doet, is dat afleesbaar in haar oeuvre, niet als slaafse navolging, maar als een verrijking van  haar artistiek idioom.
Meer nog dan door de tekst worden wij op dit punt door de vormgeving van het boek in de steek gelaten. Aan re­producties van werken is er zeker geen gebrek, maar  alles staat behoorlijk door elkaar.  Dit is slechts ten dele te wijten aan de tweetaligheid van het boek die ervoor zorgt dat het verhaal hoofdstuk per hoofdstuk tweemaal achter elkaar verteld en op gelijkwaardige wijze dient geïllustreerd te worden. In deze omstandigheden is het haast onbegonnen werk om het werk in zijn chronologische samenhang te overlopen.  Dit zou noch­tans een boeiende, en naar mijn gevoel onontbeerlijke, oefening kunnen zijn. Donas is een rusteloze zoeker die zeer divers werk gebracht heeft, maar haar stijldiversiteit nooit als dusdanig geëtaleerd heeft. Wellicht dacht zij er gewoon niet aan. Die houding wordt treffend geïl­lustreerd door een ronduit schitterend zelf­portret uit 1920, waarin zij zichzelf, met een achttiende-eeuws aandoende verfijning, als een jonge melancholische vrouw voor haar schildersezel uitbeeldt. Op datzelfde tijdstip staat haar abstract werk in tijdschriften als De Stijl en Der Sturm. De evolutie van haar stillevens verdient een volledige studie, ook zo haar tekeningen, haar materiegebruik, de allereerste werken van haar tweede creatie­ve periode, maar dat is allemaal voor later. Het boek sluit af met een korte, erg levendige getuigenis van de dochter van de kun­stenares en met een verdiende groet aan Maurits Bilcke (1913-1993), onvermoeibare propagandist van het werk van Marthe Do­nas. 

Bouwen in Beeld.

De collectie van het Architectuurarchief van de Provincie Antwerpen

Zo'n vijftien jaar geleden startte de dienst Cultureel Erfgoed van de provincie Antwer­pen met een Architectuurarchief. De vraag kwam toen van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen en het siert de provincie Antwerpen dat ze hier als enige op inging met een enorm uitgebreid archief als gevolg. De ernst en de professi­onele omkadering van het opzet boezemde dermate vertrouwen in dat vele architecten of hun familie, vakverenigingen en immobili­ënfirma's hun archieffondsen aan de provin­cie overmaakten.

Er zitten  tal van ronkende namen bij zoals de firma Engetrim, verantwoordelijk voor de verka­veling van de wijk Zurenborg, Emile Thielens, Eduard Van Steenbergen, Léon Stynen en Jos Smolderen. Het zwaarlijvige boek vergezelde de gelijknamige tentoonstelling die vorige maand liep in Antwerpen, maar staat vol­ledig op zichzelf. De fondsen die het archief wist te verwerven komen aan bod. Daar­naast geven enkele inleidende artikels een boeiend overzicht van de bouwgeschiedenis in stad en provincie.  De verschillende au­teurs behandelen de geschiedenis van de architectuur: van revolutie tot wereldbrand, art nouveau in de stad, art deco, modernis­me en traditionalisme en bouwen van 1945 tot 1975.  Het fraai uitgegeven boek van niet minder dan 300 blz. bevat talloze unieke foto's, tekeningen en bouwplannen. We zien bijvoorbeeld het staalskelet van de Boeren­toren in 1930,  beelden uit de tentoonstelling 'Goed Wonen' in 1952 en ontwerptekeningen voor de Pius X-kerk uit Wilrijk.

Praktische informatie

  • Marthe Donas door Kristien Boon, (112 blz.), Stichting Kunstboek, ISBN-90-5856126-7, € 45
  • Bouwen in Beeld - De collectie van het Architectuurarchief van de provincie Antwerpen, uitgegeven  bij Brepols, ISBN  90-5622058-6, € 49

Download hier de pdf

OKV2004.4 UIt de boeken.pdf