Rijke lui, keizers, koningen, prinsen en edelen, bisschoppen abten, kortom al degenen die reeds hier op aarde door de Voorzienigheid waren gezegend, lazen destijds hun gebeden uit missalen en vesperboeken die door de grootste kunstenaars van hun tijd weelderig met minaturen waren verlucht.
In het begin van de XVe eeuw worden ook voor de gewone man die lezen noch schrijven kan, devotieprentjes gedrukt, afzonderlijke figuren of stichtende geschiedenissen tot een soort van 'stripverhaal' gebundeld in de zogenaamde blokboeken. Het meest verspreide van die blokboeken is de 'Ars moriendi', een moraliteit in beeld waarin geleerd wordt hoe de arme ziel - gewoonlijk de ziel van de arme - op de drempel van de eeuwigheid door de duivel wordt belaagd maar, dank zij de tussenkomst van de Heilige Moeder Gods, door een engel wordt behoed en van het vuur der hel wordt gered.
Het karakter, de stijl van deze prenten draagt de stempel van hun volkse oorsprong - zeker - maar ook van de stof waarin ze zijn uitgekorven. Ze zijn inderdaad 'houterig'. Alleen de omtreklijn van de figuren is uit het blok gehaald en het valt direct op dat de guts of het beiteltje zich niet zo soepel en gewillig door het harde houtblok beweegt als het penseel over het paneel. Doorgaans worden de uitgespaarde, witte vlakken op de afdrukken bijgekleurd. Edgard Tijtgat, één van onze expressionnisten, heeft dat procédé nog gebruikt in enkele van zijn allesbehalve devote prenten. Devotieprent en blokboek zijn de oudste modellen van houtsnede, het vroegste voorbeeld van mechanische reproduktie.