Toen ridder Florent van Ertborn, oud-burgemeester van Antwerpen en oud-gouverneur van Utrecht, zijn verzameling schilderijen aan Antwerpen vermaakte, vereerde hij zijn geboortestad met het vorstelijkste geschenk, dat zij ooit in ontvangst mocht nemen. Onder de 115 nummers, die in 1841 naar het museum werden overgebracht, bevond zich 'De Madonna bij de fontein' van Jan van Eyck. Dit schilderij werd kort vóór 1835 verworven van de pastoor van Dikkelvenne. Het werd eerst te Gent, later te Antwerpen te koop aangeboden.
Veel liefhebbers zullen er wel niet geweest zijn, want toen van Ertborn zijn prachtige verzameling aanlegde, was de belangstelling voor de kunst uit de late middeleeuwen niet erg groot. In 1524 bevond het schilderij zich te Mechelen in het kabinet van landvoogdes Margareta van Oostenrijk. Het is mogelijk dat zij het had geërfd van haar overgrootvader Filips de Goede, graaf van Vlaanderen en hertog van Bourgondië, die Jan van Eyck in 1425 tot hofschilder had benoemd. Lang bleef de herinnering aan het talent van deze schilder bewaard ook in het buitenland, want in 1551 beweerde de Italiaanse schilder en schrijver Vasari dat Jan van Brugge als eerste de techniek van de olieverfschildering toepaste, wat aan zijn kleuren een tot dan toe ongekende glans en kracht had verleend. Inmiddels heeft de scheikunde de legende van de olieverfschildering vernietigd, zij bleef echter in gebreke om het doorzichtig en glansrijk koloriet te verklaren.
Onder invloed van de praal en bewogenheid van de barokkunst die van de 17 de eeuw af het publiek in haar ban kreeg, werden de schilders van de 15de eeuw laatdunkend beoordeeld en wel tot de romantiek met haar belangstelling voor de middeleeuwen de zgn. Vlaamse Primitieven in eer herstelde.
Ons interesseert nu vooral de vraag: hoe wordt de kunst van Jan van Eyck vandaag bekeken? Het gebeurt dat haastige bezoekers in het museum te Antwerpen geneigd zijn 'De Madonna bij de fontein' voorbij te lopen. Om als blikvanger dienst te doen is het paneeltje immers te bescheiden van afmetingen. Nauwelijks groter dan een hand, gelijkt het veel op een miniatuur en kan het best met een vergrootglas bekeken worden.
Wij staan even stil bij de oorspronkelijke smalle lijst, die op zichzelf hoogst merkwaardig is. Gedeeltelijk met het paneel uit één stuk eik gestoken en achteraf beschilderd in een imitatie van rozig grijze marmer, werd ze door de schilder voorzien van een tweeregelige insciptie in gotisch schrift. De eerste regel: ALS IXH XAN, is het devies van de kunstenaar in middelnederlandse spelling. Het bescheiden 'Als ik kan' is kenschetsend voor de middeleeuwse houding tegenover het kunstwerk. Ongeacht zijn talent voelde de schilder zich verplicht zijn beste krachten aan het werk te wijden, zoals het een eerlijk ambachtsman betaamt.