Dit beoogt Elias met zijn bevreemdend realisme. In dit opzicht is ook de verbinding van het gras met de stoel te verklaren. De werkelijkheid, dat is voor Elias: zijn appartement, zijn badkamer, Oostende, de hippe jongens, Rubens, De Beatles en Stones, een sigaretje, een hondje, een prentkaart, de mailboot, een kitscherig salon, Vlaamse landschapjes, decoraties, een benzinepomp enz.
Maar ook de kunst zelf is zijn werkelijkheidsterrein. Niet enkel een huis, een boompje, een zetel, een lampje maken deel uit van de realiteit, ook bestaande schilderijen en stijlen horen erbij. Elias neemt de hiërarchie tussen deze realiteitsbelevingen weg. Zegt hij niet zelf 'Soms geniet ik evenveel van een sigaretje of van een glaasje yoghurt als van de Mona Lisa'. Met een zichtbaar ongecompliceerd genoegen haalt hij allerlei thema's en motieven uit de bestaande schilderkunst. Alleen al de titels van werken als 'Rubens en Isabella Brant in een gezelig hoekje', 'Hommage aan Léger', 'Belgische huiskamer à la René Magritte' wijzen in die richting.
De prent 'Hommage aan Jan Dibbets' vult deze serie aan. Elias' zeefdruk is ook bijzonder rijk aan plastische verbeelding. Die plastische verbeelding functioneert vooral relativerend. Via de vorm zet hij telkens de functie van een ding op losse schroeven. Zo wordt de stoel door het schuin uitlopen van de poten vooraan van zijn functie als stoel beroofd, terwijl ook de rechtlijnige Mondriaanstructuur wordt aangetast. Het verdelen van de kleur op de stoel is in dit verband ook revelerend. Die kleurgeving is eerder ritmisch dan logisch. Zo is de rugleuning links en bovenaan rood, daar waar de rechterzijde plots zwart is. Zwart is ook de rand van de zitting vooraan evenals de rechter voorpoot, terwijl de linker voorpoot rood is. De achterpoten zijn beurtelings zwart en blauw. Een dergelijke kleurenkeuze zou in de meubelindustrie totaal absurd lijken. Hierdoor toont Elias ons dat die stoel hem meer als vorm, als kunstding dan als bruikbaar ding boeit. De werkelijkheid van die stoel is zijn stijl. Dit onderlijnt Elias door een spel met de illusie van het perspectief in deze prent.
Elias zet gedeeltelijk zijn stoel volgens de perspectivische wetten, maar corrigeert ze terzelfdertijd plastisch. Zo kunnen de zuiver koloristische en lichtgevende waarde van het geel langs de zijkanten en de uitlopende voorpoten als relativerende correcties op de schijnbare dieptewerking gezien worden. Elias maakt ons bewust van het feit dat die dieptewerking er niet is. Zijn stoel staat niet t.o.v. een achtergrond, maar tegenover het omringende wit van het blad. Zijn ruimte is niet meer een kamer, maar een wit blad papier.
Op die manier verwerft zijn prent een eigen autonome betekenis. Ze toont ons hoe Elias met open oog voor de wereld rondom hem, en dat is ook de wereld van de moderne kunst, een eigen beeldtaal opbouwt vol humor en plastische verrassingen.
Een internationale jury kende hem in 1969 de eerste 'Forum-prijs van de grafiek' voor dit werkstuk toe.