OKV1998.4
Beseft de doorsnee museum bezoeker, wanneer hij genietend door een tentoonstelling kuiert, hoeveel intensieve arbeidsuren eraan vooraf gegaan zijn alvorens een dergelijke verzameling kunstwerken bij elkaar gebracht werd? Weet hij hoe voor elk werk dat op een tentoonstelling te zien is er zo'n vier andere niet getoond kunnen worden? Hoeveel inkt er gevloeid is, hoeveel uren er getelefoneerd werd, hoeveel geld er nodig was? Om een tipje van de sluier op te lichten, die over het maken van tentoonstellingen hangt, nemen we een kijkje achter de schermen van de tentoonstelling over de aartshertogen Albrecht en Isabella (1598-1621).
Misschien is ons werk te vergelijken met dat van de hovelingen die zo'n 400 jaar geleden de fraaiste kunstvoorwerpen samenbrachten om het Brusselse Coudenbergpaleis naar de smaak van de aartshertogen in te richten. De dienst tijdelijke tentoonstellingen die in het Jubelparkmuseum een dergelijk project moet uitwerken, contacten legt met bruikleengevers, architecten, transporteurs, verzekeraars, uitgevers, enz. telt echter heel wat minder hoofden dan de toenmalige hofhouding.
Dubbelportret van de Aartshertogen Albrecht en Isabelle, Otto Van Veen (begin 17de eeuw)
Voor het project in onze musea terechtkwam was reeds het belangrijkste deel van de wetenschappelijke voorbereiding gebeurd. Prof. Luc Duerloo en Werner Thomas, beiden verbonden aan het departement geschiedenis van de K.U. Leuven, distilleerden hun kennis tot een sluitend verhaal, vertrekkend van de aankomst van beide vorsten, hun jeugd, hun huwelijk, de blijde intrede in de Nederlanden, de veldslagen, het hofleven, de kunsten, hun geloof enz. De samenstelling van de catalogus gebeurde eveneens onder hun leiding,
Hoe interessant een project ook lijkt, om hoeveel mooie kunstvoorwerpen het ook gaat, zolang er geen geld is blijft het onmogelijk om wat dan ook te organiseren. Dus moet er een budget opgesteld worden waaruit blijkt hoeveel alles zal kosten, hoeveel er door de verkoop van tickets e.a. zou kunnen binnenvloeien en hoeveel er door sponsors zou moeten binnengebracht worden. De P.R.-dienst slaagde erin een aantal sponsors te overtuigen van het belang van het project. Toen de financiële kant van de zaak enigszins opgehelderd was, kon met de echte aanvragen voor het bruikleen van kunstwerken begonnen worden. Tientallen brieven naar potentiële bruikleengevers met aanvragen voor schilderijen, preciosa, boeken enz. gingen de deur uit. Het aantal stukken groeide en langzamerhand vulden de foto's van de te verwachten kunstwerken ons bureau. Inmiddels werd een architect ingeschakeld om alles in vorm te gieten en werd er een uitgever voor de catalogus gevonden.
Niet alleen musea gaven stukken in bruikleen. Zo kwamen we via een particulier in het bezit van goudkleurige vaasjes die Isabella zou hebben laten maken nadat ze haar vaatwerk in edelmetaal liet smelten om het beleg van Oostende te financieren. Albrecht en Isabella lieten overigens veel van hun bezittingen na aan kloosters en kerken. De ongeschoeide karmelietessen in Brussel bewaren o.a. de schilderijen van hun patroonheiligen, Albrecht van Leuven en Elisabeth van Hongarije en ook het sobere nonnen habijt van Isabella dat ze droeg na de dood van Albrecht en zonder hetwelk ze zich nooit in het openbaar vertoonde. Op dit gewaad zijn een aantal kleine briefjes bevestigd met rode lakzegeltjes waarop in het Latijn te lezen staat dat dit het oorspronkelijke kleed van Isabella is. De pastoor van Scherpenheuvel vond de tentoonstelling aanvankelijk maar niets, hij had wel andere zorgen aan z'n hoofd dan het zoeken naar de schotel waarop de sleutels van Oostende aan Albrecht aangeboden werden of naar een Mariakleedje of naar de kazuifels die z'n voorgangers eertijds van Isabella kregen. Toen hij echter bij de opening geconfronteerd werd met het resultaat en zag waarom het inderdaad noodzakelijk was dat hij z'n medewerking verleende, verzekerde hij ons dat hij het prachtig vond en dat de stukken die hij gegeven had mooier dan ooit tot hun recht kwamen. Een ander mooi verhaal is dit van de Ommegang schilderijen door Denijs Van Alsloot. Drie van deze werken zijn tentoongesteld in het Victoria en Albert Museum in Londen, de overige twee in het Prado in Madrid.
Voor de tentoonstelling was het van bij het begin een must om deze unieke reeks weer samen te brengen. In eerste instantie ging echter geen van beide instellingen akkoord. Toen de directeur van het Prado begin dit jaar voor besprekingen in Brussel was, werd benadrukt hoe onvoorstelbaar interessant het wel zou zijn deze reeks aan het publiek te kunnen tonen. De man ging min of meer akkoord op voorwaarde dat het Victoria and Albert Museum mee zou werken. Groot was onze teleurstelling enkele maanden later toen de beloofde Ommegang in het contract van het Prado bleek te ontbreken!
Weken later, na ettelijke telefoontjes, bleek dat de technische commissie niet akkoord ging met de bruikleen. Tenslotte werden de kabinetschef van de koning en de Ambassadeur ingeschakeld om toch maar over de twee schilderijen te kunnen beschikken, te meer daar inmiddels in tal van artikels, in de folder enz. reeds de lof gezongen werd van deze unieke hereniging van de vijf werken. Andere spannende momenten beleefden we bij het openmaken van de kist met de schilderijen afkomstig uit het Prado. Twee van de gewenste kunstwerken van Brueghel, Boerenbruiloft en Boerendans, beide in het gezelschap van de aartshertogen, waarvoor we reeds lang een contract hadden, waren zonder verdere commentaar vervangen door gelijkaardige Brueghels waarop de aartshertogen jammer genoeg niet aanwezig zijn. Niet alleen hebben we nu andere werken hangen dan in de catalogus vermeld staat, maar bovendien geeft de Gallery Guide een beschrijving van dingen die je niet kan terugvinden.
Nu de tentoonstelling loopt blijft ons enkel de zorg om voldoende bezoekers over de vloer te krijgen. Isabella ging elke zaterdag op bedevaart naar Laken, misschien is er wel ergens een heilige die in gunstige tentoonstellingsresultaten voorziet?