De sobere laatgotische Sint-Michielskerk in Gent

De sobere laatgotische Sint-Michielskerk in Gent

Tijdens de pandemie heb ik al vaak teruggedacht aan de wonderlijke Sint-Rochus van Peter Paul Rubens, Vlaams meesterwerk in situ in de Sint-Martinuskerk van Aalst. Rochus van Montpellier is een beschermheilige tegen besmettelijke ziekten. Hij verpleegde in de veertiende eeuw slachtoffers van de builenpest in Italië ten tijde van de Zwarte Dood. Rubens beeldde het exacte moment af waarop deze freelance zorgverlener van de hemel de bevestiging kreeg: Eris in peste patronus - jij zult een beschermer zijn tijdens de pest, het onheil. Niet lang nadat Rubens dit schilderij opleverde, overleed zijn geliefde vrouw Isabella Brant. Ze werd in 1626 het slachtoffer van een van die typische epidemieën die ’s zomers in onze steden woedden, misschien wel een vorm van de pest.

Om zijn verdriet te vergeten, stortte Rubens zich op diplomatiek en politiek werk voor aartshertogin Isabella en reisde hij naar Madrid en Londen om een vredesverdrag te onderhandelen tussen Spanje en Engeland. Dat vredesverdrag is er ook gekomen. Het betekende wel dat Rubens enkele jaren lang niet kon schilderen voor opdrachtgevers in de Nederlanden. Gelukkig had hij zelf de rijzende ster opgeleid die hem kon vervangen. Antoon van Dyck keerde in 1627 uit Italië terug naar Antwerpen en werkte zich de volgende vijf jaren uit de naad om zijn naam en faam te vestigen. Religieuze taferelen en portretten werden zijn handelsmerk. Aan dat lustrum van hevige creativiteit dankt de stad Gent een artistieke schat: Van Dycks altaarstuk met Christus aan het kruis in de Sint-Michielskerk.

De kerken van Gent hadden zwaar geleden onder de Beeldenstorm van 1566 en onder het calvinistische bewind van de jaren 1577-1584. In de volgende decennia zette de Gentse burgerij zich in om haar geplunderde tempels opnieuw te verfraaien. De aanwezigheid van relieken speelde daarin een belangrijke rol. De Sint-Michielskerk kreeg aan het einde van de zestiende eeuw van drie verschillende weldoeners splinters hout van Christus’ kruis ten geschenke. Op 6 december 1600 keurde paus Clemens VIII in Rome de oprichting goed van een Broederschap van het Heilig Kruis in de Sint-Michielskerk. De Broederschap werd officieel ingesteld op 3 mei 1603, in aanwezigheid van de aartshertogen Albrecht en Isabella. Zij schonken de Broederschap in 1616 nog een vierde reliek van het kruis. Vele Gentse notabelen werden lid en de koffers van het genootschap geraakten goed gevuld. Men beschikte dus over de middelen om de kapel van het Heilig Kruis in het noordertransept met kennis van zaken te verfraaien.

Peter Paul Rubens, ontwerp voor Christus aan het kruis, bestemd voor de Sint-Michielskerk, ca. 1627, olieverfschets op paneel, 36,5 x 49 cm

Gevulde geldkoffers

In 1627 bestelde de ondernemende pastoor Bauters een schilderij met Christus aan het kruis bij niemand minder dan Peter Paul Rubens. Rubens maakte een ontwerp, nu bewaard in het Museum Snijders&Rockoxhuis in Antwerpen, maar hij werd al snel in beslag genomen door zijn politieke avontuur in het buitenland. In 1638 noteerde de secretaris van de broederschap de uitbetaling van 800 florijnen aan “Signor Antonio Van Dycke” voor de schilderye staende op den autaer van het H. Cruys.

Antoon van Dyck, Christus aan het kruis, 1630, olieverf op doek, 400 x 290 cm SINT-MICHIELSKERK, GENT

Antoon van Dyck, Christus aan het kruis, 1630, olieverf op doek, 400 x 290 cm SINT-MICHIELSKERK, GENT

Nerveuze kleurenpracht

Christus aan het kruis geniet de reputatie dat het Van Dycks duurste altaarstuk was uit zijn Antwerpse periode. De jonge schilder heeft het ontwerp van Rubens zeker gezien, maar hij maakte de opstelling van de personages meer symmetrisch. Christus is ook in zijn doodsstrijd nog een krachtige, atletische man. Hij hangt hoog aan het foltertuig. Het bloed stroomt over zijn voorhoofd en zijn polsen. Achter hem lijkt een storm op te steken, de zon wordt verduisterd en rondtollende cherubijnen reageren smartelijk op zijn lijden. Links staan Maria, Johannes en Maria Magdalena onder het kruis. Maria toont haar open handpalmen in een gebaar dat zowel ontzetting als overgave lijkt uit te drukken. Ze draagt een diepblauwe mantel, de kleur is een van de blikvangers in dit tafereel. Johannes legt in een simpel menselijk gebaar van solidariteit zijn arm om Maria’s schouders. Maria Magdalena is gehuld in een goudkleurig gewaad en heeft parels door haar blonde haren gevlochten. Zij raakt teder Christus bloedende voeten aan, die ze een paar dagen voordien nog gezalfd had met kostbare olie. Door de lichteffecten in de kleding creëert Van Dyck hier een nerveuze, haast flakkerende kleurenpracht, die bijdraagt tot het drama. Op de voorgrond, en op ooghoogte van de toeschouwer, ligt een schedel, schijnbaar achteloos weggeschopt door een voorbijganger. Het akelig grijnzende ding verwijst naar de betekenis van de naam Golgotha, Schedelplaats. Volgens de overlevering was de eerste mens Adam hier begraven. De dood van Christus wiste de zondeval van Adam uit en bevrijdde de mensheid. Rechts staan de handlangers van het kwaad: we zien twee soldaten te paard, waarvan de ene een anachronistisch vaandel draagt en de andere een anachronistisch harnas. Vaandel en harnas zijn uiteraard virtuoos geschilderd. De geharnaste krijger wijst de man met de stok aan, wiens dorst hij moet lessen met een spons vol azijn – een extra kwelling voor de gekruisigde. Van Dyck had in Italië al een reputatie verworven als een uitstekende schilder van paarden. Hij laat hier opnieuw een staaltje van dat talent zien. De schimmel met de glanzende ogen en de golvende blonde manen lijkt qua elegantie haast het dierlijke equivalent van Maria Magdalena.

In al zijn virtuositeit blijft dit toch een eenvoudige, doeltreffende compositie. Het bleke lichaam van Christus steekt scherp af tegen de donkere wolken op de achtergrond. Alle aandacht gaat naar zijn lijden aan het kruis. De schedel van Adam geeft aan waarvoor dit lijden diende. De soldaten zijn de typische handlangers van elk wreed en slordig regime, ongeïnteresseerd in het lijden dat ze veroorzaken en sadistisch wanneer de kans zich voordoet.

Het hoofdaltaar van de Sint-Michielskerk

Het hoofdaltaar van de Sint-Michielskerk

Voor zijn marmeren Maria met kind liet Rombaut Pauwels (1625-1692) zich inspireren door de Madonna van Michelangelo in Brugge

Voor zijn marmeren Maria met kind liet Rombaut Pauwels (1625-1692) zich inspireren door de Madonna van Michelangelo in Brugge

SINT-MICHIELSKERK, GENT

Gotisch geheel

Een bezoekje aan deze mooie Van Dyck biedt ineens de gelegenheid om de Sint-Michielskerk wat beter te laten kennen. De kerk kende vanaf 1440 een bouwgeschiedenis van ruim tweehonderd jaar. Het resultaat mag er zijn: een mooi gotisch geheel met een beheerste, aangename afwisseling van baksteen en zandsteen. De vele obiits of rouwborden geven een inkijkje in de stambomen van de oude Gentse elite. Kunstschatten zijn er in overvloed, je vindt hier schilderijen van Otto van Veen (Rubens’ leermeester) en van Jan Boeckhorst (net als Van Dyck een leerling van Rubens). De marmeren Madonna van Rombaut Pauwels is duidelijk geïnspireerd door Michelangelo’s Madonna in Brugge. Zoals in de meeste Vlaamse kerken stammen de belangrijkste versieringen uit de zeventiende eeuw. Een uitzondering hierop is de neogotische preekstoel van vader en zoon Franck: een opmerkelijk ensemble van hout en marmer, met een ingetogen beeldengroep, Christus geneest de blinde van Jericho.

Vrijuit bijzondere plaatsen in Gent bezoeken lijkt na zeven weken quarantaine opeens een heerlijke traktatie. Zover hebben de pandemie en ballingschap op het platteland me intussen gebracht. Mijn aandacht voor plaatselijke kunstschatten is helemaal aangescherpt. Het kan nog een mooie zomer worden, vol ontdekkingsreisjes in eigen land, met het Pelgrimsboek van Vlaamse Meesters in Situ onder de arm.

Vlaamse Meesters in Situ

Sint-Michielskerk – Open: van 1 april t.e.m. 30 september: elke weekdag van 14 tot 17 uur, van 1 oktober t.e.m. 31 oktober: elke zaterdag van 14 tot 17 uur – Sint-Michielplein, 9000 Gent

Literatuurlijst

  • J. Richard Judson, Corpus Rubenianum Ludwig Burchardt, Part VI. The Passion of Christ, Turnhout, 2000, cat. nr. 34, p. 133.
  • Ph. Kervyn de Volkaersbeke, Les églises de Gand. Tome II. Les églises paroissiales et oratoires, Gent, 1858, p. 89-93.

Download hier de pdf

Een dure Antoon van Dyck in Gent