50

Inleiding

Aan het einde van de achttiende eeuw ontdekt Gentenaar Lieven Bauwens dat in Engeland de Mule Jenny gebruikt wordt om katoen te spinnen. Hij laat zo’n machine naar het vasteland smokkelen en richt fabrieken op, eerst in Passy (Parijs) en kort daarna in Gent.

“J’ai crée un second Manchester,”

zegt hij er in 1803 zelf over. Tot dan is katoen zo goed als onbekend in Europa. Mensen kleden zich in wol en linnen. Vanaf 1750 worden de ‘Indiennes’ – Indische katoenen stofjes – razend populair. Katoen zou de wereldeconomie de komende eeuwen grondig bepalen. Het is de motor van de industriële revolutie, die begint in Engeland. Britse ondernemers nemen de wereldwijde handel en productie van katoen in handen.

038

Goedkoop katoen, verbouwd met slavenarbeid in Amerika, wordt er in nieuwe fabrieken gesponnen. Technische innovaties, nieuwe machines en stoomkracht moeten de productie opdrijven. De industriële revolutie sijpelt al snel door naar andere delen van Europa. In het kielzog van de textielindustrie worden de machinebouw en zware industrie belangrijk. De industrie dijt uit. Aan het einde van de negentiende eeuw telt ons land tientallen gigantische staalfabrieken, chemische bedrijven en fabrieken voor elektrische apparaten en motoren. België ontpopt zich tot de vijfde economische grootmacht ter wereld. Gaandeweg komen de katoenproductie en kledingconfectie in Europa onder druk, en in de twintigste eeuw keert de katoenindustrie terug naar Azië, waar ze ooit begonnen was. De dienstensector wint nu aan belang. Steeds meer mensen gaan aan de slag als verpleger, informaticus, onderwijzer, winkelier of advocaat.

30-31

De Belgische textielsector maakt voortaan hoogtechnologisch textiel. Het Industriemuseum markeert met zijn unieke locatie dit veelzeggende verhaal. De katoenspinnerij UCO Desmet-Guequier is een parel van industrieel erfgoed. In de gloednieuwe hoofdtentoonstelling tonen topstukken zoals de Mule Jenny en de Twijnmolen, fascinerende objecten en pakkende getuigenissen van arbeiders en werkgevers hoezeer onze samenleving tussen 1750 en vandaag is geëvolueerd en hoe grondig de industriële revoluties het dagelijkse leven hebben veranderd.

Inhoud

  • Een indrukwekkend fabriekspand
  • Een verrassende collectie
  • Over mensen en machines
  • De vernieuwing gaat verder
  • Het erfgoed van techniek, wetenschap en industrie in Vlaanderen
  • Praktisch
001

Het Industriemuseum. De naam van het gebouw staat sinds september 2018 op de gevel geschilderd, zoals vroeger gebruikelijk was.

EEN INDRUKWEKKEND FABRIEKSPAND

Het Industriemuseum – voorheen MIAT – bevindt zich in het centrum van Gent, op een boogscheut van de Vrijdagmarkt. Het museum huist in een indrukwekkend fabrieksgebouw, waar je ook vandaag de machineolie nog kan ruiken; olie van de machines uit de voormalige katoenspinnerij die er ooit op volle toeren draaide.

De roots van het Industriemuseum liggen dus in de textielnijverheid. In de Waterwijk, de buurt tussen de Leie en de Vrijdagmarkt, bruist de textielnijverheid al in de achttiende eeuw. De talrijke ateliers en bedrijfjes produceren er met veel vakmanschap allerlei soorten stoffen. Vanaf het begin van de negentiende eeuw doen machines hun intrede in de Gentse textielindustrie.

De geschiedenis van het voormalige textielbedrijf en de daarbij horende fabriekssite is er een van uitbreidingen, slopingen, moderniseringen, financiële tekorten, overnames en opnieuw uitbreidingen - zeer typerend voor de rijke en bewogen geschiedenis van de Gentse textielsector.

Binnenzicht van de voormalige katoenspinnerij die tot 1976 in het huidige museumgebouw huisde. COLLECTIE INDUSTRIEMUSEUM

Binnenzicht van de voormalige katoenspinnerij die tot 1976 in het huidige museumgebouw huisde. COLLECTIE INDUSTRIEMUSEUM

ONTSTAAN

In 1810 slaan een kunstschilder, een herbergier en een vakman de handen in elkaar om een katoenspinnerij te bouwen. Pieter Van Huffel is op dat moment directeur van de Gentse Academie voor Schone Kunsten en ook conservator van het daar bijhorende museum. Via familie en relaties van zijn echtgenote verzeilt hij in de wereld van handelaars en fabrikanten. Henry Van Noppen is uitbater van de herberg ‘Het nieuw-gevonden Eyland’ in de Waaistraat. De derde partij heet Louis Daenens en is op dat moment vermoedelijk al actief in de textielnijverheid. 

Front van de Galloway stoomketel in het voormalige ketelhuis aan de Minnemeersgracht, afgebroken in de jaren 1980. COLLECTIE INDUSTRIEMUSEUM

Front van de Galloway stoomketel in het voormalige ketelhuis aan de Minnemeersgracht, afgebroken in de jaren 1980. COLLECTIE INDUSTRIEMUSEUM

De drie heren hebben begrepen dat er zaken te doen zijn met katoen. In die jaren treden wel meer fabrikanten en handelaars in de voetsporen van Lieven Bauwens, die de spinmachine in Gent introduceerde, en stichten een katoenspinnerij, -weverij of -drukkerij. In 1808 zijn er in Gent 8 mechanische spinnerijen, 12 weverijen, 21 drukkerijen en 3 ateliers voor de constructie van Mule Jennies (spintoestellen) want ook de metaalindustrie heeft baat bij de katoennijverheid in de stad. De nieuwe katoenspinnerij ‘Van Huffel & Compagnie’ wordt opgetrokken aan de Oudevest. Een ideale ligging begrensd door de Leie, dicht bij de Vrijdagmarkt, al eeuwen het centrum van de internationale lijnwaadhandel.

Van Huffel is de voornaamste geldschieter, Van Noppen en Daenens nemen het dagelijkse beheer waar als directeur en meestergast. Het ruwe katoen dat het bedrijf tot garen verwerkt, komt uit alle windstreken. Dat blijkt uit de facturen van de katoenbalen. Uit het bedrijfsarchief, bewaard in het Gentse stadsarchief, kunnen we ook afleiden dat het bedrijf de eerste jaren vele crisissen doorstaat, net zoals de hele Gentse katoenindustrie op dat moment.

STOOMMACHINE

In 1823 heeft het bedrijf voldoende financiële slagkracht om een stoommachine aan te kopen bij de firma Wasseige in Luik. Tot dan toe werkt de fabriek op paardenkracht, met een rosmolen. Het gaat eigenaar Van Huffel blijkbaar voor de wind, want al in 1828 doet de firma bij het Gentse stadsbestuur een aanvraag voor een nieuwe (of een tweede?) stoommachine. Datzelfde jaar laat hij een directeurswoning bouwen in de toen ‘moderne’ late empirestijl. Architect is J.B. Vandecapelle, zowat dé modearchitect van dat ogenblik. Nog in 1828 stappen Louis Ceuterick en Charles Guequier, de twee schoonzonen van Pieter Van Huffel, mee in het bedrijf.

UCO Desmet-Guequier, beter bekend als UCO d’Oude Veste. COLLECTIE INDUSTRIEMUSEUM

UCO Desmet-Guequier, beter bekend als UCO d’Oude Veste. COLLECTIE INDUSTRIEMUSEUM

DESMET-GUEQUIER

Het bedrijf kent halverwege de negentiende eeuw een fameuze uitbreiding. Pierre Guequier krijgt in 1855 de goedkeuring om zijn woning uit te breiden en een nieuw werkhuis te bouwen. Dit betekent een bijna verdubbeling van de oppervlakte van de spinnerij. In 1857 staat Pierre Guequier een vierde van zijn eigendom af aan zijn schoonzoon en vennoot, textielfabrikant Adolphe Desmet.

UCO Desmet-Guequier. COLLECTIE INDUSTRIEMUSEUM

UCO Desmet-Guequier. COLLECTIE INDUSTRIEMUSEUM

Werkneemsters UCO Desmet-Guequier, jaren 1960-70 COLLECTIE INDUSTRIEMUSEUM

Werkneemsters UCO Desmet-Guequier, jaren 1960-70 COLLECTIE INDUSTRIEMUSEUM

CRISIS

De katoencrisis van 1862, veroorzaakt door de Amerikaanse Burgeroorlog, legt de Gentse katoenindustrie lam. In februari zijn in de fabriek DesmetGuequier 83 spinners aan het werk en 16 arbeiders werkloos. Een maand later ligt het bedrijf praktisch stil: er zijn dan amper 8 spinners aan de slag. In de loop van 1863 herstelt het bedrijf zich langzamerhand. 

Paul Hebbelynck-Struye erft het bedrijf van zijn ongetrouwde tante en hervormt het in 1896. Er komt een nieuwe schoorsteen van 30 meter hoog en een ketelhuis naast de vroegere Minnemeersgracht, op de plaats van de vroegere paardenstallen. Ook de oude stoomketels worden vervangen door twee Gallowayketels, geklonken in de werkplaatsen Pierre Brouhon in Luik.

Na het vroege overlijden van Paul Hebbelynck komt het bedrijf in handen van zijn weduwe. Zij runt de zaken niet bijster goed en het bedrijf staat ten tijde van de eeuwwisseling aan de rand van het faillissement. De oprichting van de naamloze vennootschap ‘Filature Desmet-Guequier nv’ brengt redding. De spinnerij wordt ingrijpend gemoderniseerd. Zoon Adolphe Hebbelynck neemt de zaken over.

Luchtfoto UCO Desmet-Guequier, 1946 COLLECTIE INDUSTRIEMUSEUM

Luchtfoto UCO Desmet-Guequier, 1946 COLLECTIE INDUSTRIEMUSEUM

Zijgevel van het Industriemuseum met museumtuin.

Zijgevel van het Industriemuseum met museumtuin.

MANCHESTERIAANS

In 1905 krijgt de firma Desmet-Guequier een bouwvergunning voor een nieuwe katoenspinnerij: het fabrieksgebouw zoals we het vandaag kennen. De architectuur is naar het voorbeeld van de Engelse textielfabrieken, van het ‘Manchesteriaans type’. Vooruitgang in bouwmaterialen zorgt voor optimale lichtinval, stabiliteit en brandveiligheid. In 1909 bouwt men een vierde verdieping bij, met een typisch sheddak of zaagtanddak. Enkele jaren later komt er nog een transmissiegalerij bij. Daarin komt een reusachtig vliegwiel voor de riem- of kabelaandrijving van de machines op de verschillende verdiepingen. Na die aanzienlijke uitbreiding beslaat de katoenspinnerij een terreinoppervlakte van 3.077 m².

UCO

In 1919 wordt het bedrijf ondergebracht in de ‘nv Filatures et Tissages Union Cotonnière’, ontstaan na de fusie van enkele textielfabrieken. In de daaropvolgende decennia zijn er nog enkele verbouwingen, met in 1960 een laatste belangrijke investering in de bouw van een luchtconditioneringscentrale, boven de doorrit tussen de spinnerij en de burelen. 

Zicht op de historische binnenstad

Zicht op de historische binnenstad

HET EINDE

De gouden jaren van de textielindustrie blijven niet duren. De oliecrisis van 1973 slaat hard toe. UCO nv sluit in 1975 de fabriek Desmet-Guequier, in de volksmond ‘UCO d’ Oude Veste’. De arbeiders worden overgeplaatst naar andere vestigingen.

Het gebouw staat enkele jaren leeg, tot de stad Gent het in 1982 aankoopt. In 1985- 1986 komt het gebouw in het vizier als depotruimte voor het museum en eind de jaren 1980 besluit het stadsbestuur om het volledige Industriemuseum – toen nog MIAT – onder te brengen in het voormalige fabriekspand Desmet-Guequier. De achttiende-eeuwse gebouwen worden afgebroken en op die plek verschijnt een nieuwe vleugel voor het onthaal, het museumcafé en de trappentoren. Het nieuwe museumgebouw wordt in 1994 feestelijk geopend.

LIGGING

Het Industriemuseum bevindt zich langs de Leie aan de rand van de historische binnenstad, waar de negentiende-eeuwse industriegordel begint. Je staat er op vijf minuten wandelen van de Vrijdagmarkt of Sint-Jacobs en geraakt ook in een mum van tijd in het middeleeuwse Patershol. Aan de overkant van het water ontwikkelt zich een nieuw stadsgebied. De oude dokken worden de komende jaren omgetoverd tot een volledig opgefrist woongebied, waar ook ruimte is voor werk en ontspanning. Kranen en een oude betoncentrale herinneren er aan het industriële verleden van de voormalige haven. Zo ligt het Industriemuseum straks volledig centraal tussen oud en nieuw.

INDUSTRIEEL ERFGOED IN DE GENTSE BINNENSTAD

Ontdek het industriële erfgoed rondom het Industriemuseum

Ontdek het industriële erfgoed rondom het Industriemuseum

Dit oude en nieuwe gebied kan je ook uitgebreid bewonderen vanop de vijfde verdieping van het museum: een prachtig panorama. Met een slide monitor glijd je langzaam doorheen de skyline van Gent en ontdek je er welk industrieel verleden de vele gebouwen en landmarks met zich meedragen. Wist je bijvoorbeeld dat er ooit een katoenfabriek, een constructiebedrijf en zelfs beluikhuisjes in het Gravensteen schuilden?

Gent was duidelijk een zeer levendige textielstad. Dat ondervind je ook zelf in de omliggende straten van het Industriemuseum. Stap je mee in de wandeling ‘Langs fabrieken en beluiken’, dan maak je kennis met de sterke industrialisatie in de negentiende-eeuwse gordel. De gids vertelt er volop over restanten van textielfabrieken, de eerste elektriciteitscentrale van Gent, de bleekweide, de beluiken en de arbeiderswoningen.

Geen betere plek dan Gent om het verhaal van de industriële revoluties te vertellen. De stad die vanaf het begin van de negentiende eeuw een belangrijke spil vormde in een wereldwijd katoenimperium. 

Wandeling langs fabrieken en beluiken

Wandeling langs fabrieken en beluiken

EEN VERRASSENDE COLLECTIE

Kassa van het merk Hugin, 1930. COLLECTIE INDUSTRIEMUSEUM

Kassa van het merk Hugin, 1930. COLLECTIE INDUSTRIEMUSEUM

De collectie van het Industriemuseum vertelt met ruim 20.000 collectiestukken het verhaal van de industriële samenleving tussen 1750 en nu. Tot de collectie behoren machines, maar evengoed werkkleding, promotiemateriaal, interviews met bedrijfsleiders en arbeiders en afgewerkte producten uit diverse sectoren. Blikvangers zijn de Mule Jenny en de Twijnmolen, allebei topstukken erkend door de Vlaamse Gemeenschap. Ook de vijf laat-achttiende-eeuwse/vroeg negentiende-eeuwse houten handpersen zijn uitzonderlijk en waardevol erfgoed van internationaal belang.

De textiel- en drukkerijcollecties vormen de kernverzameling van het museum. Ze kennen elk een grote samenhang en volledigheid vanuit technisch en historisch oogpunt. Beide deelcollecties bevatten enkele unieke objecten en genieten internationale uitstraling. Andere deelcollecties, zoals energie, metaalindustrie, telecommunicatie en marketing en publiciteit, dienen als referentiecollecties of ondersteunen de kerncollectie inhoudelijk. Een deel van de objecten wordt getoond in de vaste en tijdelijke tentoonstellingen. Het merendeel wordt zorgvuldig bewaard in de gloednieuwe centrale erfgoeddepots van de Stad Gent. Op de vernieuwde website van het Industriemuseum en via Erfgoedinzicht kan al een groot stuk van de collectie geraadpleegd worden: objecten, foto’s, verhalen, filmpjes en documenten.

De collectie brengt de kleine verhalen van mensen van verschillende generaties en achtergronden in verbinding met het grotere verhaal van onze industriële samenleving.
De handdoeken in de museumshop worden op de oude weefgetouwen in het museum geweven.

De handdoeken in de museumshop worden op de oude weefgetouwen in het museum geweven.

Het Industriemuseum koestert de maatschappelijke en participatieve waarde die van haar collectie uitgaat. Sinds haar ontstaan heeft de brede erfgoedgemeenschap (van particulieren over privéverzamelaars tot bedrijven) de collectie mee gevormd en haar waarde mee bepaald. Het Industriemuseum is niet louter een techniekmuseum, maar zet ook in op het sociaaleconomische aspect. De collectie brengt de kleine verhalen van mensen van verschillende generaties en achtergronden in verbinding met het grotere verhaal van onze industriële samenleving. De collectie vormt zo een waardevolle rode draad om samen naar het verleden, het heden en de toekomst te kijken en erover in gesprek te gaan.

Elk jaar reizen objecten van het museum naar andere musea en organisaties om tentoonstellingen te documenteren. Met deze bruiklenen breidt het museum zijn netwerk uit en deelt het zijn expertise. Het museum zet ook bewust in op inkomende bruiklenen. Dit is een handige manier om bepaalde erfgoedcollecties onder de aandacht te brengen, zeker wanneer het stukken betreft die doorgaans niet publiek toegankelijk zijn.

Affiche van ACEC (Ateliers de Constructions Électriques de Charleroi), een grote fabrikant van elektrotoestellen die ook een vestiging had in Gent. COLLECTIE INDUSTRIEMUSEUM

Affiche van ACEC (Ateliers de Constructions Électriques de Charleroi), een grote fabrikant van elektrotoestellen die ook een vestiging had in Gent. COLLECTIE INDUSTRIEMUSEUM

MACHINES IN WERKING

Dat heel wat machines en voorwerpen uit de textiel- en drukkerijcollectie nog gebruikt worden, vormt een groot pluspunt voor het Industriemuseum. Door voorwerpen in gebruik of machines in actie te zien, is het veel gemakkelijker om de werking ervan en de technieken erachter te begrijpen en alle aspecten van de collectiestukken in kaart te brengen. De belevingswaarde en de educatieve waarde ligt hoog. Ook het immaterieel cultureel erfgoed – het doorgeven van expertise en kennis door vakmensen – is hier onlosmakelijk mee verbonden. Het geeft de objecten nog meer betekenis.

Of collectiestukken wel of niet in werking worden gehouden in het museum wordt minutieus bepaald. Is het stuk uniek? Zijn er nog veel gelijkaardige objecten of machines? Zijn er voldoende grondstoffen? Hoe groot is de kans op slijtage of breuk? Zijn er wisselstukken beschikbaar? Zijn de machines veilig, ook naar hedendaagse normen? Het onderhouden en screenen van de geselecteerde stukken is een gezamenlijke oefening voor de technische ploeg, het team collectie en de vrijwilligers en demonstratoren binnen het museum. Deze laatste hebben vaak jarenlange ervaring in het vak of de sector. Voor de restauratie of reproductie van wisselstukken onderzoekt het museum ook de mogelijkheid om gebruik te maken van de nieuwste 3D-technologieën, zonder afbreuk te doen aan de historische en esthetische waarde van de oorspronkelijke stukken. 

De hedendaagse relevantie van de collectie en de technieken is groot. Makers en kunstenaars laten zich door de oude technieken en machines inspireren voor nieuwe creaties. Zo liet een Japanse textielontwerpster zich inspireren door negentiende-eeuwse weeftechnieken, of gebruikten grafische vormgevers de prachtige houten en loden letters van de drukkerijcollectie om het vak onder de knie te krijgen en eigentijdse ontwerpen te maken. Ook intern gaat de museumploeg met de collectie aan de slag om huisgemaakte textielproducten en papieren drukwerk te creëren, die aangeboden worden in de museumshop. 

PARTICIPATIEF VERZAMELEN: MONDELINGE GESCHIEDENIS

Het Industriemuseum was in de beginjaren ook pionier van de mondelinge geschiedenis in Vlaanderen, met in 1978 het grootschalige project Hun werk, hun leven. Getuigenissen van de Gentse textielwereld 1900-1950. Bie De Graeve interviewde tachtig textielarbeiders. De tentoonstelling die er uit voortvloeide was een overweldigend succes. Een hele gemeenschap kreeg een gezicht. Het zijn verhalen van mensen die vaak tussen de plooien van de geschiedschrijving vallen. 

Het project mondelinge geschiedenis resulteert in een reeks prachtige, waardevolle verhalen die je in het museum kan beluisteren. Het zijn pakkende getuigenissen van arbeiders en werkgevers uit de textielindustrie.

Het project mondelinge geschiedenis resulteert in een reeks prachtige, waardevolle verhalen die je in het museum kan beluisteren. Het zijn pakkende getuigenissen van arbeiders en werkgevers uit de textielindustrie.

Ook later werden getuigenissen van arbeiders en ondernemers zorgvuldig vastgelegd voor de toekomst. Het project Hun werk, hun leven: Getuigen uit de Gentse textiel 1950-2010 was een logisch vervolg in de veertig jaar oude traditie van het museum om in te zetten op het verzamelen van mondelinge bronnen. Het bronnenmateriaal is uitgebreid: het gaat om 44 audiobestanden, die in totaal meer dan zes uren interview bevatten en om nog eens 12 mini-documentaires. Het opzetten van dit grootschalig project mondelinge geschiedenis en een ontmoetingsdag voor oud-werknemers en werkgevers van de textielindustrie bleken een waardevolle manier om de collectie te versterken. De interviews van het project mondelinge geschiedenis worden mee opgenomen in het bestaande collectiebeheerssysteem, met transcripties en identificatiefiches. Bovendien kunnen ze gelinkt worden aan de objecten en documenten, die in het kader van het project door schenking verworven zijn (biografisch en participatief verzamelen).

Het Industriemuseum zet in op de digitalisering én de digitale ontsluiting van haar collectie. Op www.industriemuseum.be kan je nu al een deel van de collectie raadplegen.

Het Industriemuseum zet in op de digitalisering én de digitale ontsluiting van haar collectie. Op www.industriemuseum.be kan je nu al een deel van de collectie raadplegen.

DIGITALE COLLECTIEVORMING EN DIGITALE STRATEGIE

Naast de traditionele collectievorming zet het museum steeds meer in op digitale collectievorming. Het gaat dan zowel om de fysieke collecties die gedigitaliseerd worden als om de ‘digital born’ collectie van audio-opnames (interviews, machinegeluiden…), audiovisuele bronnen (bijvoorbeeld bedrijfsfilms) en foto’s. Voor de opbouw van die digitale collecties geldt een specifieke procedure. De originele dragers (fotoalbums, filmspoelen…) gaan na digitalisering en registratie van de relevante info en contextgegevens naar de eigenaars terug.

Het digitaal beschikbaar stellen van museumcollecties is geen toekomstmuziek meer. Steeds meer musea bieden ‘digitale collecties’ aan. De voorbije jaren deed het Industriemuseum veel voorbereidend werk om een dergelijke digitale omslag mogelijk te maken. Beeldopnames in hoge resolutie, digitaliseren van (bewegend) beeldmateriaal, nazicht basisregistratie, digitale collectievorming… Het museum staat, net zoals alle erfgoedorganisaties, voor de uitdaging om een digitale en online dienstverlening uit te bouwen die robuust en duurzaam is. Een dienstverlening die ook flexibel kan inspelen op een (digitale) context die voortdurend in verandering is. 

Het Industriemuseum hanteert openheid als belangrijke kernwaarde. Het doel is om de systemen, de kennis en digitale bronnen zoveel mogelijk ‘open’ en vrij beschikbaar te stellen voor hergebruik door andere systemen, op andere plaatsen, door andere organisaties en door het publiek. Op die manier worden de collectie en het onderzoek maximaal gevaloriseerd en toegankelijk gemaakt.

Museumbibliotheek. Openingsuren vind je bij de praktische info.

Museumbibliotheek. Openingsuren vind je bij de praktische info.

KENNISCENTRUM

Het kenniscentrum van het museum, met de bibliotheek als centrale uitvalsbasis, zorgt voor het duurzaam borgen en ontsluiten van expertise en wetenschappelijk onderzoek. Naast tal van boeken, tijdschriften en andere informatiedragers over industrieel erfgoed, kan de bezoeker in de bibliotheek ook de collectie en metadata raadplegen. De inhoudelijke expertise werd doorheen de jaren steeds op meerdere terreinen en over meerdere thema’s verruimd, met oog voor nieuwe inzichten uit nationale en internationale literatuur, voor kennis en expertise aanwezig bij collega’s en in de erfgoedgemeenschap. De voorbije jaren werd ook meer en meer ingezet op online dienstverlening, met digitale publicaties en de online collectieontsluiting via Erfgoedinzicht.

In het kenniscentrum kunnen bezoekers dus object- en beeldcollecties digitaal doorzoeken, documentaire collecties (affiches, reclamefolders, verkoopscatalogi…) bekijken, het digitaal foto- en filmarchief ontdekken, audio-opnames beluisteren, publicaties over industrieel erfgoed raadplegen... Het is ook het platform waar een breed publiek een bijdrage levert tot het uitbouwen, onderzoeken en documenteren van de collectie.

Het Industriemuseum onderhoudt bovendien nauwe banden met de universiteiten en hogescholen. Jaarlijks suggereert het onderzoeksthema’s aan promotoren en studenten. Omgekeerd nodigt het museum onderzoekers uit om mee te werken in stuurgroepen voor eigen onderzoeksprojecten en tentoonstellingen.

Topstuk van het Industriemuseum: de Twijnmolen uit 1789

Topstuk van het Industriemuseum: de Twijnmolen uit 1789

ENKELE COLLECTIESTUKKEN IN DE KIJKER

Topstuk van het Industriemuseum: Mule Jenny uit ca. 1810

Topstuk van het Industriemuseum: Mule Jenny uit ca. 1810

TOPSTUK: TWIJNMOLEN

De twijnmolen uit 1789 is de oudst bewaarde vlasgarentors- of twijnmachine met haspel in Noord-West-Europa. Twijnen is het verdubbelen van het garen door het in elkaar verstrengelen van twee enkele draden. Hierdoor krijgt men een stevige, sterke draad die ook als kettingdraad op een weefgetouw kan gebruikt worden. Terwijl tijdens het Ancien Régime spinnen en weven in belangrijke mate op het platteland gebeurden, was twijnen een typisch stedelijk ambacht. Het was het werk van de twijnders, die daarvoor ovalen twijnmolens gebruikten. Op elk van de 47 bobijnen zijn twee draden evenwijdig aan elkaar opgewonden. Door het draaien van het vliegertje boven op de bobijn, worden de twee draden in elkaar gedraaid. De sterkere draad wordt daarna opgewonden op een haspel die zich boven de bobijnen bevindt. Haspel en bobijnen worden manueel aangedreven. Voor het draaien van het aandrijfwiel werden vaak kinderen ingezet. Het principe van het twijnen werd uitgevonden in China, waar het werd toegepast in de zijdenijverheid. Toen deze nijverheid vanuit China naar West-Europa werd gebracht, vond de twijnmolen ook hier ingang.

TOPSTUK: MULE JENNY

De Mule Jenny – de befaamde spinmachine die door Lieven Bauwens in Gent werd geïntroduceerd – kan je in het museum van dichtbij bewonderen. Een van de eerste verwezenlijkingen van het museum was de restauratie van de Mule Jenny. De spinmachine was toen al decennia lang eigendom van de Stad Gent en stond in het Gravensteen. De halfautomatische spinmachine van ca. 1810 is kenmerkend voor de start van de industrialisatie en de moderne textielindustrie in Vlaanderen en Europa. Er zijn slechts twee andere (werkende) exemplaren gekend. De hoofdstructuur bestaat uit twee delen: het frame of de hoofdstoel, en de wagen. Er is op de wagen plaats voor 29 spillen, gemaakt uit smeedijzer.

© CORLAZZZOLI

ELEKTRISCH SCHAKELBORD

Bedrijven kunnen elektriciteit aftappen van het net of zelf opwekken in een kleine elektriciteitscentrale. Aanvankelijk gebruiken ze hiervoor een stoommachine die wordt aangesloten op een generator. Later kunnen verbrandingsmotoren in combinatie met een generator de nodige elektriciteit opwekken. De aansturing van de installatie gebeurt via een schakelbord met zekeringen en meters. Dit drieledige schakelbord met schakelaars, zekeringen en meters is in de jaren 1920-30 geproduceerd door de Gentse firma Neyt & De Smedt. De marmeren uitvoering en de luxueuze afwerking bezorgden de firma uitstraling: hier werd geïnvesteerd in de nieuwste technologie!

Drukblok van katoendrukkerij Voortman.

Drukblok van katoendrukkerij Voortman. COLLECTIE INDUSTRIEMUSEUM

DRUKBLOK VAN KATOENDRUKKERIJ VOORTMAN

De ‘katoentjes’ uit Azië zijn vanaf de achttiende eeuw erg in trek. De grote vraag wekt belangstelling op om zelf katoen te bedrukken. Handelaars en ondernemers verzamelen kapitaal en halen Indische katoenen stof naar onze streken. Achter katoendruk gaat een ingenieuze techniek schuil, met kleurstoffen, drukpap en drukblokken. En veel handwerk. Daarom gebeurt het in centrale werkplaatsen. De schatrijke Joos Clemmen is de eerste katoenbaron van Gent. De Gentse katoendrukkerijen met hun ‘indiennes’ zwengelen de industriële omwenteling aan. Dit houten drukblok met florale motieven komt uit de katoendrukkerij Voortman, opgericht in 1790. De firma maakte meterwaren voor kledij, zakdoeken en sjaals. Naar het einde van de negentiende eeuw toe ligt de klemtoon meer en meer op de textieldruk voor Azië en Afrika. 

Pillendoos van Poeders ‘Het Wit Kruis’. COLLECTIE INDUSTRIEMUSEUM

Pillendoos van Poeders ‘Het Wit Kruis’. COLLECTIE INDUSTRIEMUSEUM

PILLENDOOS VAN POEDERS ‘HET WIT KRUIS’

‘Time is money’. Productiviteit is het toverwoord van de fabrieksbazen. Strikte arbeidstijden, strenge regels en snelle machines drijven het ritme maximaal op. Veel fabrieksarbeiders nemen tijdens het werk de ‘poeders van het Wit Kruis’ of een variant ‘de poederkes van Dr. Mann’ als opkikker. Het was geliefd om lang en monotoon werk te kunnen verrichten. Het verslavende effect en de schadelijke nevenwerking op de nieren worden pas gaandeweg ontdekt. Op een bepaald moment wordt de verkoop van de gegeerde ‘gezondheidspillen’ verboden, maar ze worden nog lang verkocht in kruidenierszaken - onder de toonbank, volgens de overlevering.

OVER MENSEN EN MACHINES

Over mensen en machines. Een bijzonder verhaal.

Over mensen en machines. Een bijzonder verhaal.

De bovenste verdieping van het Gentse Industriemuseum zit sinds september 2018 in een nieuw kleedje. Bijna twee jaar lang werkten museummedewerkers, ontwerpers en bouwers aan de nieuwe hoofdtentoonstelling over mensen en machines. Een bijzonder verhaal over de industriële revoluties en hoe die de wereld op z’n kop hebben gezet.

De vijfde en hoogste verdieping van het Industriemuseum onderging een metamorfose. De heldere, witte ruimte zorgt vandaag voor een instant museumgevoel, maar wie goed kijkt, bemerkt ook duidelijke sporen uit het verleden. Het museum huist namelijk in de voormalige katoenspinnerij Desmet-Guequier, op de plaats waar ook Pieter van Huffel in 1810 al een textielfabriek oprichtte. Het huidige fabrieksgebouw werd een kleine eeuw later op diezelfde site neergepoot. Bij een recente opknapbeurt werd de oude fabriekshal in ere hersteld.

COLLECTIE INDUSTRIEMUSEUM

COLLECTIE INDUSTRIEMUSEUM

Het typerende zaagtanddak met ramen aan de noordkant is weer duidelijk herkenbaar en ook de gietijzeren zuilen kregen een vers likje verf. De kolommen met groene onderen witte bovenkant, onderbroken door een geel-zwart bandje, kwamen wel vaker voor in de fabrieken. Dankzij het kleurencontrast zagen de textielarbeiders die met karretjes tussen de machines rondreden goed waar de pilaren stonden. Ook de oorspronkelijke fabrieksvloer werd in het museum grotendeels behouden. Oud-‘textiliens’ herkennen bij een bezoek ook meteen de geur van ingesijpelde machineolie die nog steeds in de museumlucht hangt. Intussen is de textielfabriek al meer dan veertig jaar gesloten en is het Industriemuseum al bijna dertig jaar een lieu de mémoire voor het industrieel erfgoed. Na een tweejarige sluiting opende de verrassende hoofdtentoonstelling eind september 2018 opnieuw de deuren.

De gietijzeren zuilen in de nieuwe hoofdtentoonstelling kregen hun oorspronkelijke kleur terug

De gietijzeren zuilen in de nieuwe hoofdtentoonstelling kregen hun oorspronkelijke kleur terug

In de verschillende boxen vind je verhalen uit vier periodes, voor en na de industriële revoluties.

In de verschillende boxen vind je verhalen uit vier periodes, voor en na de industriële revoluties.

EEN MEERSTEMMIG VERHAAL DOOR 12 GETUIGEN

In de tentoonstelling ontdek je de geschiedenis van de industriële revoluties die de wereld in de loop van de afgelopen 250 jaar danig dooreen hebben geschud. Het volledige verhaal wordt gepresenteerd in vijf kamers die midden in de fabriekshal werden geplaatst. In die vijf boxen stap je terug in de tijd en nemen twaalf kroongetuigen je mee naar het leven van toen. Ignaas Snauwaert, bijvoorbeeld, vertelt hoe hij na de dood van zijn ouders als wees in verschillende gezinnen terecht kwam. Hij moest werken. Dat was aan het einde van de zeventiende eeuw immers bittere noodzaak voor kinderen op het Vlaamse platteland. Overdag werkte hij als werkman bij een rijke boer, ’s avonds en in de wintermaanden weefde hij thuis stoffen. Overleven, daar draaide het in de meeste gezinnen om. Het leven van Ignaas staat in schril contrast met dat van Laurentio Hoys, telg van een belangrijke handelsfamilie, die in 1677 in Gent neerstreek. Hij legde zich toe op de internationale handel, onder meer van textielwaren, naar Spanje.

En zo vertellen naast Ignaas en Laurentio ook Marie-Catharine, Lieven (Bauwens), Pol, David, Juliana, Adolphe, César, Mohammed, Conny en Baki hun verhaal. 

Ze zijn arbeider, ingenieur, fabrieksdirecteur of ondernemer en op basis van hun ervaringen leer je als bezoeker meer over de industriële samenleving tussen circa 1750 en nu. De twaalf getuigen spreken je rechtstreeks aan vanop het scherm. Hun verhalen worden ondersteund door een ruime selectie aan originele voorwerpen, machines, documenten en foto’s.

De getuigen spreken je rechtstreeks aan vanop het scherm.

De getuigen spreken je rechtstreeks aan vanop het scherm.

 

foto 32 rechterdeel

LEVENDE GETUIGEN

De laatste van de vijf boxen in de hoofdtentoonstelling ontsluit verhalen uit de periode na 1950. Opmerkelijk is dat je er oog in oog staat met personages die nog in leven zijn. Baki Turkseven ziet in 1967 het levenslicht in Emirdag, Turkije. Het land kreunt op dat moment onder de armoede en werkloosheid. Zoals veel Noord-Afrikaanse en Turkse mannen migreert Bakis vader naar België, waar de zware industrie en de vele textielfabrieken snakken naar goedkope arbeidskrachten. Het gezin Turkseven wordt in 1973 herenigd in Gent. Ze vinden onderdak in een beluikhuisje in het Berouw. Amper vier op vier meter is hun woonkamer. Baki is voorbestemd om naar de textielschool te gaan. 

“Eigenlijk wilde ik nog verder studeren, maar mijn vader was door omstandigheden geschorst op zijn werk. Toen moest ik als oudste zoon gaan werken. Mijn kinderen mogen blij zijn. Ik heb geen kindertijd gehad.” Baki werkte tot de sluiting in 2008 bij UCO Braun, lang het vlaggenschip van de Belgische textielindustrie. Vandaag is hij in het Industriemuseum een levende getuige van het 21 rijke textielverleden als demonstrator van de weefmachines in de textielafdeling. Ook de 55-jarige Conny vertelt haar pakkende verhaal in de hoofdtentoonstelling. Wel vijftien familieleden werkten in de Gentse textielnijverheid, allemaal in ploegen. In de jaren 1990 gaat het steeds meer bergaf met de textielindustrie. “Ge moet volgende week niet komen, want er is geen werk. Dan gingen we een week stempelen. En toen hebben ze ineens honderd mensen ontslagen. Toen ben ik toch eens gaan rondkijken. Ik ben al een poosje kuisvrouw, nu. Ik was juist op tijd weg: de fabriek is niet lang daarna toegegaan.”

ICONISCHE MACHINES

In één van de vijf museumboxen vind je ook de gigantische selfactor. De 24 meter lange selfactor is een automatische spinmachine en technisch gezien de opvolger van de Mule Jenny. Het is een machine die elke Vlaming vermoedelijk wel kent. Ze speelde een prominente rol in de film Daens uit 1992. Op een bepaald moment wordt de kleine Milleke door de selfactor verpletterd. Door de moordende concurrentie van fabrikanten uit het buitenland moet de textielproductie op volle toeren draaien. Katoen is duur: hoe meer gewicht, hoe beter. 

arbeidsveiligheid

Arbeidsveiligheid is sinds het einde van de negentiende eeuw een strijdpunt voor de arbeidersbeweging. De werkomstandigheden in de fabrieken zijn vaak erg zwaar en gevaarlijk. Rond de eeuwwisseling worden de grieven van de arbeiders gehoord en worden de eerste wetten op arbeidsveiligheid eindelijk gestemd. De aandacht voor arbeidsveiligheid zal in de loop van de twintigste eeuw blijven toenemen. Toch is het soms nog behelpen. In de jaren 1990 werkt Conny Vanneste in de vlasspinnerij La Lys-Liève aan de Limac, een nieuwe Russische spinmachine die wordt getest. De kleine gele ringetjes waardoor de draad loopt, draaien aan hoog tempo en soms springt zo’n ringetje plots van de machine. Aangezien Conny redelijk groot is, missen de springende ringetjes haar oog slechts op een haar na. Ze besluit zelf in actie te schieten en koopt een plastic bril om haar ogen te beschermen

Elk plukje katoen telt. Daarenboven is pluis op de grond glad en het stof geeft brandgevaar, dus moet er zo snel mogelijk worden opgeruimd. Kinderen worden bijgevolg onder deze selfactors ingezet om het kostbare katoenpluis op te rapen. 

De machine loopt echter volledig automatisch in en uit. Met alle gevolgen van dien wanneer een kind het ritme van de machine niet kan volgen... Verpletterde vingers, breuken aan armen en benen of – zoals in de film – geknelde hoofdjes tussen wagen en frame zorgen voor heel wat leed. Dit lugubere beeld dat in het collectieve geheugen staat geprent, maakt de selfactor tot een iconisch collectie-item. Een symbool voor de zware arbeid in de textielsector. En wat misschien niet algemeen geweten is, is dat deze machine niet enkel rond de eeuwwisseling werd gebruikt, maar zelfs tot de jaren 1990 actief werd ingezet in textielbedrijven in Oost-Europa.

De selfactor die in het Industriemuseum staat, volledig schoongemaakt en geolied, werd eind jaren 1970 aangekocht in Engeland, bij het recent heropende Helmshore Mill textielmuseum. De machine werd vermoedelijk ooit gebruikt om wol te spinnen, maar is in de nieuwe opstelling niet in werking te zien. Dit zou voor het museumgebouw te belastend zijn met de zware aandrijving, en ook het optimale klimaat om katoen te spinnen is vochtiger dan goed is voor de museumcollectie.

Ontdek hoe een stoommachine een metaalatelier aandrijft

Ontdek hoe een stoommachine een metaalatelier aandrijft

Wel werd de selfactor volledig opgetuigd met 540 katoenbobijnen; alsof ze net even stilstaat en zo weer in actie zal komen. De artistieke video-installatie die productiehuis ‘Danse La Pluie’ errond creëerde, evoceert de fabriekssfeer van toen. Het helse lawaai van de machines werd door Flip Kowlier, de muzikant, vakkundig verwerkt tot een ritmisch deuntje vol fabrieksgeluiden. Je waant je meteen in de spinnerijen anno 1920.

De selfactor, gekend uit de film Daens: symbool voor de zware arbeid in de textielsector.

De selfactor, gekend uit de film Daens: symbool voor de zware arbeid in de textielsector.

Tinkeren. De zoektocht is belangrijker dan het resultaat

Tinkeren. De zoektocht is belangrijker dan het resultaat

Ook het thema energie komt aan bod in de hoofdtentoonstelling over mensen en machines, met stoom als codewoord voor de eerste industriële revolutie. Het bleek een huzarenstukje om de stoommachine van de firma Bollinckx uit 1913 opnieuw in werking te stellen, en door middel van overbrenging met riemen een bescheiden metaalatelier te laten aandrijven. Het is echter gelukt en nu krijg je, weliswaar op kleine schaal, een idee van waar zo’n machine toe in staat is en hoeveel makkelijker ze de mechanisatie destijds maakte. Dergelijke stoommachine kan immers veel meer energie opwekken dan een mens of zelfs een dier kan. Dit laatste kan je in het museum gerust zelf aftoetsen: door aan een zwengel te draaien kan je proberen om een deeltje van het metaalatelier in gang te zetten. Niet evident.

Tinkeren is een nieuwe activiteit in het Industriemuseum.

Tinkeren is een nieuwe activiteit in het Industriemuseum.

HEERLIJK EXPERIMENTEREN IN DE TINKER STUDIO

Met het hele gezin een museumspel spelen, een eigen tekening drukken op eeuwenoude drukpersen, draden spinnen aan een spinnewiel… Het Industriemuseum is meer dan kijken en snuisteren. Het museum leeft en bruist van de activiteiten. En tinkeren is er sinds kort één van.

‘Tinkering’ stamt uit het Engels, maar valt niet zo eenvoudig te vertalen naar het Nederlands. Prutsen, knutselen of bricoleren komen wellicht het dichtst in de buurt. Het Exploratorium in San-Francisco was in 2009 pionier met de ontwikkeling van een eigen tinkering lab, een ruimte waar bezoekers spelenderwijs kunnen experimenteren met allerlei materialen. Door zelf aan de slag te gaan, kan je beter begrijpen hoe de wereld in elkaar zit. Bouw je bijvoorbeeld zelf een knikkerbaan, dan vat je waarom een bepaalde hellingsgraad de knikker sneller doet gaan. Haal je een bestaand toestel uiteen, dan kan je met dezelfde principes misschien een nieuw toestel ontwikkelen. En zo kan tinkeren van alles zijn, of je nu een robot laat dansen, of papier simpelweg tot een heuse verjaardagskroon omtovert. Een handleiding is er niet. De zoektocht is belangrijker dan het resultaat. Tinkeren scherpt op die manier enkele essentiële vaardigheden aan zoals samenwerken, onderzoeken of probleemoplossend denken.

Interieur met personeel van drukkerij Erasmus in Ledeberg ca. 1930.

Interieur met personeel van drukkerij Erasmus in Ledeberg ca. 1930.

Het Industriemuseum is het eerste museum in België met een eigen Tinker Studio, middenin de nieuwe hoofdtentoonstelling over mensen en machines. De studio kwam er in het kader van het innovatief partnerproject Techniek in Tastbare Tools. Het werd een open ruimte met een grote tafel, uitnodigende zitplaatsen en inspirerende accessoires. Voor de uitwerking ervan werd samengewerkt met Tinkervelde van de Arteveldehogeschool, die eerder al een eigen tinkering studio uitbouwde en alle expertise in huis heeft rond de speelse methodiek. Inspiratie voor de vormgeving kwam uit de eigen museumcollectie, uitgebreide testmomenten en studiebezoeken.

De Tinker Studio is binnen de openingsuren van het museum vrij te bezoeken. Tijdens evenementen helpen onze enthousiaste huis-tinkeraars je bovendien graag op weg. Ze zorgen voor extra begeleiding en brengen tonnen frisse ideeën aan. Voor scholen, bedrijven en andere groepen zijn er ook workshops op maat, niet alleen om de tinkermethodiek van dichtbij te leren kennen, maar zeker ook als originele teambuildingactiviteit.

DE VERNIEUWING GAAT VERDER

Eind september 2018 pakte het museum al uit met een nieuwe naam, hoofdtentoonstelling en website, maar ook de drukkerij- en de textielafdeling van het Industriemuseum krijgen straks een grondige make-over. Zo opent op 4 mei 2019 de gloednieuwe drukkerijafdeling de deuren. In 2020 is de textielafdeling aan de beurt.

Typografische collectie van het Industriemuseum met houten en loden letters.

Typografische collectie van het Industriemuseum met houten en loden letters.

DE GRAFISCHE REVOLUTIE

Boeken, pamfletten, affiches,…: we komen er allen dagelijks mee in aanraking. Woord en beeld werden sinds de uitvinding van de boekdrukkunst wereldwijd verspreid. Steeds sneller, steeds meer. Dat veranderde ons wereldbeeld grondig. Het grafische en alles wat met zetten en drukken te maken heeft, is altijd het werk van specialisten geweest. Eeuwenlang was die wereld van drukpersen, handenarbeid en vakmanschap voor het brede publiek totaal onbekend. Vandaag heeft iedereen zelf een printer in huis en bestellen we via het internet met enkele muisklikken ons gepersonaliseerd wijnetiket. 

In de tentoonstelling dompelen we de bezoeker in die (r)evoluties onder. De exporuimte wordt één grote werkplek. Een ode aan de drukmachines en hun geschiedenis. We plaatsen de vakmensen en de werkomstandigheden in de schijnwerpers. Bezoekers ontdekken hoe de grafische industrie doorheen drie eeuwen een grote omwenteling doormaakte. 

De scenografie is geïnspireerd en gebaseerd op de toenmalige inrichting van de werkplek, in verschillende zones met ertussen lange, duidelijk zichtbare gangpaden. Er langsheen plaatsen we de persen en de werktafels. De werktafels zijn tevens ’toontafels’: ze bevatten vitrines voor 2D- en 3D-objecten, liggende tekstpanelen, interacties, luisterhoorns, schermen en voelobjecten die context geven bij de machines.

De bezoeker krijgt op een bevattelijke manier inzicht in de verschillende druktechnieken, van kort voor de industriële revolutie tot en met de eenentwintigste eeuw. Van hoogdruk en diepdruk tot vlakdruk, van offset tot inkjet en laser. Persoonlijke verhalen maken de geschiedenis tastbaar en herkenbaar. Ook het eindproduct en de veelzijdigheid van druk en print komen in beeld.

Steendruk.

Steendruk.

 

INDRUKWEKKENDE COLLECTIE

Het Industriemuseum is één van de weinige musea in Europa waar de bezoeker nog operationele zetmachines kan bewonderen, naast een belangrijke typografische collectie met houten en loden handletters. Daarnaast wordt ook een topcollectie houten en gietijzeren handpersen voor hoogdruk getoond, enkele steendrukpersen met bijbehorende lithostenen en diverse negentiende- en twintigste-eeuwse industriële drukpersen.

Werken op een gietijzeren handpers, met een houten handpers op de voorgrond.

Werken op een gietijzeren handpers, met een houten handpers op de voorgrond.

Typografische collectie van het Industriemuseum met houten en loden letters.

Typografische collectie van het Industriemuseum met houten en loden letters.

Gepassioneerde vakmensen zorgen voor demonstraties aan de machines. Ze hebben de machines doorheen de jaren gerestaureerd en onderhouden. Rond de drukkerijafdeling is dan ook een vrijwilligerswerkgroep gegroeid die bestaat uit een geslaagde mix van mensen met verschillende achtergronden. Van gepensioneerde drukkers tot jonge grafische ontwerpers. Die vrijwilligers dragen bij aan verschillende aspecten van de museum- en atelierwerking. Naast de demonstraties begeleiden ze ook workshops en maken producten voor de museumshop. Ze helpen ook bij de basisinventarisatie van de fantastische collectie houten en loden letters. Als ‘levende dragers’ geven ze de kennis en technieken door aan nieuwe generaties en houden op die manier het drukkersambacht springlevend. 

Gepensioneerde vakmensen, vrijwilligers en museummedewerkers houden de spin- en weefmachines draaiende.

Gepensioneerde vakmensen, vrijwilligers en museummedewerkers houden de spin- en weefmachines draaiende.

p 30 rechts

MET EEN MINIZINE NAAR HUIS

Het Industriemuseum profileert zich al jaren als een levend museum. Die focus op beleving en co-creatie willen we in de toekomst nog versterken: bezoekers ontdekken niet alleen collectiestukken, maar gaan ook zelf aan de slag. Vanuit de expo komen bezoekers rechtstreeks in de toegankelijke workshopruimte terecht. De workshop- en atelierruimte biedt ruimere mogelijkheden voor demonstraties, workshops en eigen producties. Ze biedt een werkplek aan makers en start-ups in de creatieve sector die met grafische technieken aan de slag willen.

Bovenop het aanbod van georganiseerde workshops, masterclasses en demonstraties aan de drukmachines, worden voor de individuele bezoeker op verschillende plekken in het parcours interacties voorzien. In zowel digitale als fysieke doe-opdrachten maken bezoekers kennis met diverse grafische technieken. Aan het einde van het bezoek gaan ze naar huis met een zelfgemaakt mini-magazine.

De toekomst

Tijdens workshops maak je in het Industriemuseum kennis met oude technieken.

Tijdens workshops maak je in het Industriemuseum kennis met oude technieken.

Gent was ooit de rumoerigste van de Vlaamse textielsteden. Op de derde verdieping van het Industriemuseum zie je de evolutie van katoenplant tot afgewerkt textielproduct. De spinmachines en weefgetouwen maken er een enorm kabaal. Ook de handdoeken uit de museumshop worden op die machines geweven. Je ontdekt er ook de vele eigenschappen van textielvezels, zoals vlas, katoen, zijde, mohair… Naast deze natuurlijke grondstoffen komt ook hoogtechnologisch textiel aan bod, dat onder andere brandweermannen, chirurgen en poolreizigers de juiste, beschermende kleding geeft. Demonstratoren en publiekswerkers zorgen voor boeiende workshops en demonstraties. Wist je bijvoorbeeld dat stoffen in het museum op natuurlijke wijze worden geverfd? In de museumtuin van het Industriemuseum groeien bijzondere planten die natuurlijke kleurstoffen afgeven voor dit verven van textiel. Meekrap kleurt rood, wouw kleurt geel en blauw bekom je uit de wedeplant.

In de museumtuin van het Industriemuseum groeien bijzondere planten die natuurlijke kleurstoffen afgeven voor dit verven van textiel.
Tijdens workshops maak je in het Industriemuseum kennis met oude technieken.

Tijdens workshops maak je in het Industriemuseum kennis met oude technieken.

Ook deze derde verdieping, met het textielverhaal van a tot z, geldt in de toekomst als creatieve en interactieve expo- en atelierruimte en ondergaat een metamorfose in 2020. Dit wordt meteen het orgelpunt van de grootse vernieuwingsoperatie van het Industriemuseum. De verdieping wordt een combinatie van een expo over de historiek van de textielindustrie en een plaats waar bezoekers zelf kunnen weven, creëren en produceren.

Ecoprint: met planten uit de museumtuin 33 wordt textiel plantaardig geverfd.

Ecoprint: met planten uit de museumtuin 33 wordt textiel plantaardig geverfd.

demonstratie
Demonstraties aan de handmatige en machinale weefgetouwen.

Demonstraties aan de handmatige en machinale weefgetouwen.

HET ERFGOED VAN TECHNIEK, WETENSCHAP EN INDUSTRIE IN VLAANDEREN

Sinds 1 januari 2018 maakt het voormalige Expertisecentrum voor Techniek, Wetenschap en Industrieel Erfgoed vzw (ETWIE) onderdeel uit van het Industriemuseum in Gent. Door de krachten te bundelen wil het Industriemuseum niet enkel een dienstverlening rond het erfgoed van industrie, maar ook van techniek en wetenschap garanderen. Het wil met ETWIE ook sterker inzetten op de uitbouw van een internationaal netwerk, het stimuleren van onderzoek en kennisoverdracht en de ondersteuning van erfgoedgemeenschappen. 

Kist met paardengebitten, gemaakt door dokter Louis Auzoux. COLLECTIE GENTS UNIVERSITEITSMUSEUM

Kist met paardengebitten, gemaakt door dokter Louis Auzoux. COLLECTIE GENTS UNIVERSITEITSMUSEUM

WAT IS TWIE?

Het Industriemuseum concentreert zich dus niet alleen op het industrieel erfgoed: via de werking van ETWIE komen ook het technisch en wetenschappelijk erfgoed in het vizier. TWIE is de verzamelnaam voor dit erfgoed. Maar wat wordt daar juist onder begrepen?

Techniek slaat op een bewerking of geheel van bewerkingen die nodig zijn om iets tot stand te brengen in een bepaalde tak van een nijverheid, ambacht of industrie en in het dagelijkse leven. Het erfgoed van techniek beperkt zich niet in tijd en strekt zich uit over de pre-industriële samenleving, de diverse industrialiseringsgolven en de bijbehorende technologische ontwikkelingen die ons land heeft meegemaakt.

Wetenschappelijk erfgoed zijn de objecten en collecties die ontstaan zijn in het kader van publiek en privaat wetenschappelijk onderzoek en onderwijs. Dat veld wordt in de eerste plaats vertegenwoordigd door de collecties van universiteiten en hogescholen. De afbakening van het veld wordt breed gehouden, zodat er een overkoepelend zicht is over het wetenschappelijk erfgoed.

Onder industrie begrijpen we de productie op grote schaal in fabrieken, waar arbeid en kapitaal aan de basis van liggen. Industrieel erfgoed is een concept dat de afgelopen vijftig jaar diverse invullingen heeft gekend, met gaandeweg een steeds bredere omschrijving. TICCIH, The International Committee for the Conservation of Industrial Heritage, stelt in zijn huidige definitie dat het industrieel erfgoed bestaat uit de sporen van de industriële cultuur die historische, technische, sociale, architecturale of wetenschappelijke waarde heeft.

Klompenmakerij Verreydt uit Grobbendonk is de laatste mechanische klompenmakerij in Vlaanderen.

Klompenmakerij Verreydt uit Grobbendonk is de laatste mechanische klompenmakerij in Vlaanderen.

Hoewel de industriële archeologie in ons land een vrij recente discipline is, is het erfgoed van techniek, wetenschap en industrie al lang niet meer het buitenbeentje in de cultureel-erfgoedsector. Als eerste geïndustrialiseerde regio op het Europese vasteland zijn er in ons land heel wat belangrijke sporen van het industriële verleden bewaard. Dit uit zich niet alleen in het landschap met vervallen, bewaarde of beschermde fabriekspanden en sites, maar ook in de gereedschappen, machines en wetenschappelijke instrumenten in musea, archieven en documentair erfgoed (roerend erfgoed). Of in waardevolle kennis en vaardigheden (immaterieel erfgoed) die van generatie op generatie worden overgedragen. Het belang van al deze sporen van de industriële geschiedenis kan niet voldoende benadrukt worden. Het zijn getuigen die de meest recente passage in onze geschiedenis helpen te begrijpen: de industrialisatie die mee zorgde voor de toegenomen welvaart in ons land (de gemiddelde Belg vandaag is 13 keer ‘welvarender’ dan zijn generatiegenoot in 1840), maar evengoed belangwekkende wetenschappelijke ontdekkingen en evoluties in techniek, alsook het verhaal van arbeidsgerelateerde ziektes en ecologische vraagstukken die vandaag nog altijd brandend actueel zijn.

Maar wat betekent dit erfgoed anno 2019 concreet in Vlaanderen? Wat zijn enkele van de grootste uitdagingen voor het beheer van het roerend erfgoed en het borgen van het immaterieel erfgoed? En hoe speelt het Industriemuseum met ETWIE in op deze uitdagingen? 

TWIE IN VLAANDEREN?

Diversiteit is het sleutelwoord om het erfgoed van techniek, wetenschap en industrie vandaag goed te begrijpen. Diversiteit in thema’s, bijvoorbeeld. Op een aantal uitzonderingen na is de industrie in Vlaanderen altijd relatief kleinschalig geweest en zijn zeer uiteenlopende nijverheden en sectoren tot ontwikkeling gekomen: bouw, chemie, communicatie, grafische industrie, ontginning en mijnbouw, scheepsbouw, textiel, transport, voeding… De lijst met technieken is even lang, en kan aangevuld worden met heel wat oude ambachten.

Diversiteit is het sleutelwoord om het erfgoed van techniek, wetenschap en industrie vandaag goed te begrijpen.
Smid aan het werk tijdens de Museumnacht in het Industriemuseum.

Smid aan het werk tijdens de Museumnacht in het Industriemuseum.

De diverse universiteiten bezitten op hun beurt dan weer ongeveer 100 erfgoedcollecties, goed voor naar schatting 1 miljoen objecten.

Die diversiteit laat zich ook goed voelen in de individuen en organisaties die zich inspannen om dit erfgoed te beheren en er onderzoek naar te doen. Het spectrum is zeer breed: landelijk en regionaal erkende musea die zich focussen op een specifiek facet van het industrieel erfgoed, archieven en documentatiecentra, erfgoedbibliotheken, koepelorganisaties en ledenverenigingen, privéverzamelaars en individuele vrijwilligers, onderzoekers en experten, en vakmensen.

Hoewel de diversiteit binnen de drie erfgoeddomeinen groot is, is het gemeenschappelijke karakter ervan dat ook. Dit uit zich zeer duidelijk in de uitdagingen waar de sector mee geconfronteerd wordt, te beginnen met het kennisintensieve karakter van dit type erfgoed. In vele gevallen is het erfgoed zeer herkenbaar door de grote impact die het gehad heeft en nog steeds heeft op het dagelijks leven en onze omgeving. Maar voor de bediening, het onderhoud en de herstelling van bijvoorbeeld machines zijn zeer specifieke vaardigheden vereist. Die vaardigheden, kennis maar soms ook de objecten zelf zijn vandaag niet altijd meer courant beschikbaar, waardoor het niet alleen belangrijk is in te zetten op kennisoverdracht, maar ook op het breed sensibiliseren over het belang van dit type erfgoed.

IMMATERIEEL ERFGOED

Immaterieel erfgoed gaat over de niet-tastbare sporen uit het verleden, die van generatie op generatie worden overgedragen. In het geval van het erfgoed van techniek, wetenschap en industrie gaat het om de overdracht van kennis en vaardigheden van bijvoorbeeld een ambacht of een handeling aan een bepaalde machine.

ETWIE werkt al een hele tijd samen met IJzer en Vuur!, de vzw van siersmid Michel Mouton die zich inzet voor het borgen van het smeedambacht in België. Smeden is een traditioneel ambacht dat vandaag niet alleen relevant is voor restauraties, maar zeker ook voor de creatie van nieuwe stukken. Het is evenwel niet evident voor jonge smeden om zich vandaag als zelfstandig smid te vestigen. Om jonge smeden een duwtje in de rug te geven, hebben IJzer en Vuur! vzw en ETWIE, met de financiële steun van het Platform voor Opleiding en Talent en de Koning Boudewijnstichting, een voortgezette opleiding ingericht die drie jaar duurde (2015-2018). Twee buitenlandse meestersmeden brachten de jonge ambachtslieden de kneepjes van het vak echt bij. Er is in die periode niet enkel een (h)echt netwerk ontstaan, maar de smeden hebben zich na de basisopleiding die ze gevolgd hadden, verder kunnen bekwamen in het vak. Op hun beurt zetten ze zich nu in voor het borgen van het ambacht. 

bedrijfserfgoed

BEDRIJFSERFGOED

Sinds 2014 zet ETWIE actief in op bedrijfserfgoed. In Vlaanderen zijn meer dan 700 bedrijven actief die al meer dan 100 jaar oud zijn. Achter de poorten van de fabriekshallen en de deuren van de kantoren schuilen niet alleen interessante geschiedenissen, maar ook interessant erfgoed (oude machines, bedrijfsarchief, foto’s, films…). Sommige bedrijven beschikken zelf over een eigen volwaardig museum, zoals Volkswagenverdeler D’Ieteren.

Dit bedrijfserfgoed blijft vandaag grotendeels onderbelicht, zowel bij de bedrijven zelf, als in de erfgoedsector. Via diverse initiatieven, waaronder het boek Eeuwen ondernemen – 100 honderdjarige bedrijven vertellen hun verhaal sensibiliseert ETWIE over het belang van dit erfgoed en wil het ervoor zorgen dat bedrijven zelf goed zorgen dragen voor hun erfgoed. 

Bedrijfserfgoed in het bedrijfsmuseum van Volkswagenverdeler D’Ieteren.

Bedrijfserfgoed in het bedrijfsmuseum van Volkswagenverdeler D’Ieteren.

Een andere gemeenschappelijke uitdaging heeft te maken met het behoud en beheer van bestaande collecties. Kenmerkend voor het erfgoed van techniek, wetenschap en industrie is dat het gaat om omvangrijke en soms niet-unieke stukken die onder meer veel plaats innemen in depots. In de meeste gevallen moeten goed onderbouwde keuzes gemaakt worden, zeker gezien de scherpere collectieprofielen van bewaarinstellingen. Welk erfgoed wordt bewaard in de toekomst, en in welke domeinen of sectoren wordt er nog niet verzameld?

Detail van de stoombrandspuit uit de collectie van het Karrenmuseum in Essen

Detail van de stoombrandspuit uit de collectie van het Karrenmuseum in Essen

Internationalisering is tot slot een laatste belangrijke, gemeenschappelijke uitdaging. Het erfgoed van techniek, wetenschap en industrie in Vlaanderen is op dit ogenblik nog te weinig gekend in het buitenland, zeker binnen de bestaande netwerken. Door hier meer aansluiting bij te zoeken, vergroot niet alleen de zichtbaarheid van ons erfgoed, maar kunnen ook goede praktijken worden uitgewisseld en wordt geschreven aan een Europees erfgoedverhaal.

Sinds vorig jaar neemt het Industriemuseum via ETWIE de rol op als nationaal coördinator voor het Europese netwerk ERIH, European Routes of Industrial Heritage. Dit netwerk zet zich in voor de promotie van het Europees industrieel en technisch erfgoed, en stimuleert via gerichte projecten kennisuitwisseling op Europese schaal. Via de Twinning of Sites bijvoorbeeld kunnen twee musea in Europa die rond hetzelfde thema werken, via een uitwisselingsprogramma elkaars werking beter leren kennen en zo een basis leggen voor toekomstige samenwerking op vlak van onderzoek, collectiebeleid en het borgen van immaterieel erfgoed.

WAARDERING BRANDWEERERFGOED

Waarderen is een belangrijke manier om het beschikbare erfgoed een plaats en betekenis te geven. In 2018 is ETWIE, in samenwerking met de Erfgoedcel Denderland, Hof van Busleyden en de stad Aalst gestart met een grootschalig onderzoek naar het brandweererfgoed in Vlaanderen. Niet alleen wordt het beschikbare erfgoed in heel Vlaanderen in kaart gebracht (erfgoed in musea, bij privéverzamelaars en in kazernes), er wordt ook een intensief onderzoek gevoerd naar twee belangrijke collecties: het Brandweermuseum in Aalst en de collectie van de Mechelse brandweerkazerne. De collecties worden niet alleen geïnventariseerd, maar ook gewaardeerd, zodat het duidelijk wordt welke (historische, maatschappelijke, culturele, esthetische…) waarde beide collecties hebben. Het Brandweermuseum in Aalst bijvoorbeeld telt meer dan 177 voertuigen in zijn collectie en moet in functie van een beter beheer in de toekomst keuzes maken. Het lopende waarderingsonderzoek helpt bij het maken van die keuzes. 

praktisch

Praktisch

WELKOM IN HET INDUSTRIEMUSEUM!

In het centrum van Gent, op een boogscheut van de Vrijdagmarkt, huist het Industriemuseum in een indrukwekkend fabrieksgebouw. In de voormalige katoenfabriek wekken grote en kleine verhalen de veelbewogen industriële geschiedenis weer helemaal tot leven. Verschillende generaties van ondernemers, handelaars en arbeiders nemen je mee in een universeel verhaal over mensen en machines en hoe die de wereld rondom ons veranderden. Met een verrassend veelzijdige collectie van internationale allure prikkelt het Industriemuseum de nieuwsgierigheid. Sprekende beelden, historische filmpjes, merkwaardige objecten en pakkende verhalen maken het industriële verleden terug springlevend; van een kolossale stoommachine, over oude reclame, tot het verhaal van een beluikbewoner.

BRUISENDE ACTIVITEITEN

Het Industriemuseum bruist van de activiteiten met interactieve rondleidingen, creatieve workshops, ronkende machines, levendige exposities, spannende museumspelen en gepassioneerde vakmensen. Je kan er bovendien heerlijk experimenteren in de Tinker Studio of, al dan niet begeleid door kenners en creatieve geesten, aan de slag gaan in het textiel- of drukatelier. Raadpleeg het volledige activiteitenaanbod op de website.

BAR MITTE

Een bezoek aan het Industriemuseum kan je prettig afronden in Bar Mitte, het museumcafé, met een warme koffie, een fris drankje, een dagvers broodje of een lichte lunch. Het is er heerlijk verpozen, zowel binnen als buiten op het zonneterras…

SCHOLEN EN ANDERE GROEPEN

Voor kleuters, leerlingen, studenten en andere groepen schuilen er heel wat boeiende programma’s in het museumaanbod. Zo zijn er thematische wandelingen rondom het museum, gegidste rondleidingen doorheen de tentoonstellingen, maar ook workshops of museumspelen. Ontdek met je klas of groep wat er allemaal te beleven valt!

KINDEREN EN FAMILIES

Het Industriemuseum verwelkomt kinderen met open armen. Speel een museumspel, ga zelf aan de slag tijdens een workshop of vier samen met je vriendjes je verjaardag in het museum. Samen vilten, gekke uitvindingen knutselen of aan de slag gaan met letters en druktechnieken maakt de feestjes telkens weer tot schot in de roos!

EN DAN NOG DIT

In het museum is een hele ploeg enthousiaste vrijwilligers aan de slag, vaak met een technische of creatieve achtergrond. Zij houden onder andere de historische drukkerij in leven, organiseren interactieve workshops of brengen de oude textielmachines opnieuw aan de praat. Sla met hen gerust een babbeltje en ontdek zo nóg meer over de museumcollectie.

MEER WETEN OVER INDUSTRIEEL ERFGOED?

Heb je vragen over industrieel, wetenschappelijk of technisch erfgoed en vind je niet meteen een antwoord in het museum of op de website? Klop dan even bij ons aan, want ook in de museumbibliotheek en bij de experten van ETWIE valt heel wat wijsheid te rapen. De bibliotheek is vrij te bezoeken op dinsdag van 10.30 tot 13 uur en op donderdag van 13 tot 16 uur. Op andere momenten en tijdens schoolvakanties kan dit enkel op afspraak. [email protected] T 09 323 65 32 [email protected] www.etwie.be T 09 323 65 24

WORD VRIEND VAN HET INDUSTRIEMUSEUM

Ben je fan van het Industriemuseum, gefascineerd door het fabrieksgebouw of zot van onze workshops? Dan verwelkomen de Vrienden van het Industriemuseum jou met open armen! Met jouw steun bouw je mee aan de toekomst van het museum. Er wordt jaarlijks een bonte mix van activiteiten georganiseerd in een gezellige, vriendschappelijke sfeer. Ook vriend worden? Vul dan het online formulier in, stuur een mailtje naar [email protected] of meld je aan bij het onthaal van het Industriemuseum.

CONTACT

Industriemuseum, Minnemeers 10,  9000 Gent, T +32 (0)9 323 65 00 [email protected] 

ETWIE

Meer informatie over ETWIE? Bezoek dan zeker de website. Schrijf je in op de nieuwsbrief of volg ETWIE op de sociale media. 

Download hier de pdf

Thema: Het Industriemuseum Gent