busleyden

Inleiding

Hiëronymus van Busleyden (ca. 1470-1517) was een getalenteerde en ambitieuze jurist uit Aarlen die zich aan het begin van de zestiende eeuw in Mechelen vestigde. Hij was net aangesteld als lid van de Grote Raad, het hoogste rechtscollege in de Nederlanden, dat in Mechelen zetelde. Van Busleyden liet zijn woning verbouwen tot een luxueus stadspaleis. Hij verzamelde er kunstwerken en boeken en hij ontving er Erasmus, Thomas More en andere belangrijke humanisten van zijn tijd. Mechelen beleefde tussen 1507 en 1530 haar Bourgondische hoogdagen toen Margareta van Oostenrijk vanuit die stad de Nederlanden bestuurde. Als hof- en hoofdstad kende Mechelen een grote culturele uitstraling, wat resulteerde in een indrukwekkende kunstproductie. Het Museum Hof van Busleyden heeft heel wat topstukken in huis, schilderkunst, het schitterende Koorboek van Margareta van Oostenrijk, gepolychromeerd houtsnijwerk zoals de befaamde ‘Mechelse popjes’ die de wereld hebben veroverd, de unieke collectie Besloten Hofjes…Het zijn blikvangers in het grote verhaal van Mechelen en de Bourgondische renaissance.

Busleyden

Net zoals Hiëronymus van Busleyden destijds, beschikt het museum over een uitgebreid netwerk van partners die interessante objecten willen delen. En net zoals het Hof van Busleyden ten tijde van de Bourgondiërs, is het museum niet enkel een plek waar die objecten en verhalen samenkomen, het is ook een ontmoetingsplaats van meningen en ideeën. Stedelijke spelers die mensen en erfgoed koesteren krijgen een plaats in de nieuwe presentatie.

Het Hof van Busleyden heeft door de eeuwen heen vele functies en aanpassingen gekend, maar de geest van het gebouw bleef onaangetast, als verzamelplaats van kunst en cultuur, als broedplaats voor nieuwe inzichten, als motor voor dynamiek in de stad. Het Museum Hof van Busleyden legt de brug tussen verleden en heden. 

Inhoud

  • Renaissance van een museum
  • Mechelen en de Bourgondische renaissance
  • Netwerken werken
  • Het museum als ontmoetingsplek
  • Het Hof van Busleyden door de eeuwen heen
  • Praktisch
Museum Hof van Busleyden, een Bourgondisch stadspaleis opnieuw ingericht

Museum Hof van Busleyden, een Bourgondisch stadspaleis opnieuw ingericht

 

RENAISSANCE VAN EEN MUSEUM

Het Museum Hof van Busleyden wil een plek zijn die niet enkel mensen, verhalen en objecten musealiseert, maar die ook die mensen, verhalen en objecten verbindt met de stad en de samenleving. Hoe kan je vandaag als museum een platform zijn voor experiment en verbeelding? Hoe kan je ruimte creëren voor wat nog niet is, maar wat mogelijk kan verbeeld worden? Hoe kan het museum een plaats zijn waar de complexiteit van de samenleving een plek kan krijgen? Het onderzoek is gestart door mensen vanuit alle segmenten van die samenleving uit te nodigen om ideeën op te doen en samen museum te maken. Het museum heeft een lange zoektocht achter de rug. Uiteindelijk liet het zich bezielen door de historische eigenheid van de plek en wat dat voor vandaag kan betekenen. Het museaal DNA is een oefening geworden in ‘samen denken’ en experimenteren.

EEN TRAJECT MET VELE GEZICHTEN

Zaalzicht van de tentoonstelling Uw Toren Is Niet Af, 2014

Zaalzicht van de tentoonstelling Uw Toren Is Niet Af, 2014

In 2012 startte een traject om de eigenheid 3 van het nieuwe stadsmuseum uit te tekenen. Een denkdag met museumexperts en theoretici resulteerde in drie bouwstenen (objecten, verhalen en mensen) voor het museum met bijhorende conceptuele vragen. Deze input voedde de dialoog met maatschappelijke, politieke, culturele en andere partners uit het Mechelse. De tentoonstelling Uw Toren Is Niet Af (UTINA) in 2014 verwerkte alle bevindingen van de voorgaande fasen, en liet de laatste doelgroep aan het woord: het publiek. UTINA was een experiment in het vertalen van bevindingen, het ‘samen expo maken’ en het ontdekken van methodieken voor publieksparticipatie en -bevraging in een tentoonstelling.

Met deze ervaring op zak, experimenteerde het museum verder en bouwde in samenwerking met het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen, Het Firmament (expertisecentrum voor het erfgoed van de podiumkunsten) en de Academie Mechelen aan de tentoonstelling Zot Geweld Dwaze Maagd (ZGDM, 2016). Naast expertise in tentoonstellingsopbouw rond topstukken werd ook gezocht naar manieren om een expo buiten de museummuren tot leven te brengen en samen met nog vele andere partners een randprogrammatie op te zetten. Bijna tegelijkertijd rijpte een toeristisch plan voor het museum dat inspeelde op toeristische doelgroepen en doelstellingen van zowel Vlaanderen als van de stad.

Zaalzicht van de tentoonstelling Zot Geweld Dwaze Maagd, 2016

Zaalzicht van de tentoonstelling Zot Geweld Dwaze Maagd, 2016

Zaalzicht van de tentoonstelling Roep om Rechtvaardigheid, 23 maart-24 juni 2018

Zaalzicht van de tentoonstelling Roep om Rechtvaardigheid, 23 maart-24 juni 2018

Plattegrond van de stad Mechelen rond het laatste kwart van de zestiende eeuw, naar het originele plan van de hand van Jan van Hanswijck, kopie door Jan-Baptist De Noter, 1812

Plattegrond van de stad Mechelen rond het laatste kwart van de zestiende eeuw, naar het originele plan van de hand van Jan van Hanswijck, kopie door Jan-Baptist De Noter, 1812

Doorheen al deze trajecten is niet gekozen voor het object óf het verhaal óf de mens. Het museum pinde zich ook niet vast op een louter toeristische, participatieve of onderzoeksgerichte aanpak. Er is gekozen voor een museum dat een platform kan zijn dat dialogen opzet, samenwerkingen aangaat, experimenteert en reflecteert over de eigen werking met verschillende partners. Maar hoe verbind je al deze bouwstenen tot een permanente en coherente museumwerking?

EEN STADSPALEIS ALS BRUG TUSSEN HEDEN EN VERLEDEN

Vanaf de intrede van de toeristische invalshoek deed het Bourgondische perspectief zich gelden. Dat was ingegeven vanuit de geschiedenis van de stad die haar hoogdagen kende onder de beschermende vleugels van Margareta Van Oostenrijk. Zij regeerde over de Bourgondische Nederlanden vanuit de hoofdstad Mechelen. Margareta was een machtige vrouw, kunstminnend ook. Ze verzamelde schilderijen, boeken, naturalia en omringde zich met artiesten, zoals een renaissancevorst betaamt. De stad bloeide open, stadspaleizen verrezen als paddenstoelen, de ambachten floreerden en mensen verenigden zich en feestten. Verschillende centrale instellingen hadden hun zetel in Mechelen, zoals De Grote Raad (het hoogste gerechtshof) en de Rekenkamer (een soort ministerie van financiën).

Het Hof was een verzamelplaats van kunst en cultuur, een venster op de wereld, een plaats waar onderzoek en nieuwe ideeën konden rijpen en die zorgde voor dynamiek in de stad.
Arnoldus Florentius Van Langren, Globe in houten stoel, 1620, hout

Arnoldus Florentius Van Langren, Globe in houten stoel, 1620, hout

Hiëronymus van Busleyden, (ca.1470-1517) – de man naar wie het museum is vernoemd – was lid van de Grote Raad, politicus, diplomaat, humanist, mecenas, bibliofiel, verzamelaar… Grote namen als Erasmus en Thomas More vonden in zijn woonst een platform om van gedachten te wisselen, ideeën te ontwikkelen en zich te verwonderen over kunstige objecten.

Hoe verbind je de hedendaagse praktijken van het museumtraject met dit historische en toeristische verhaal? Het antwoord ligt in de genius loci, de geschiedenis (geest of ziel) van het gebouw. De wortels van Busleyden hebben veel gemeen met een hedendaags museum. Het Hof was een verzamelplaats van kunst en cultuur, een venster op de wereld, een plaats waar onderzoek en nieuwe ideeën konden rijpen en die zorgde voor dynamiek in de stad. Zoals het gebouw leeft en overleefde, doorheen eeuwen vele aanpassingen en functies kende, zo investeert het museum in de verbindende dynamiek tussen heden en verleden. Dat gebeurt door te onderzoeken hoe Bourgondische maatschappelijke thema’s vandaag nog relevant zijn, maar ook door te speuren naar actuele sporen van het Bourgondisch verleden. Het concept van zo’n stadspaleis heeft een emotionele lading die de bezoeker vandaag nog kan raken en stimuleren. Het nadenken hierover resulteerde in vier ontwerpprincipes.

Anoniem, De apostel Petrus in aanbidding, [zd], albast, 12,3 cm x 9,5 cm

Anoniem, De apostel Petrus in aanbidding, [zd], albast, 12,3 cm x 9,5 cm

TOPSTUKKEN

In de Bourgondische tijd waren de bezoekers aan het hof geïmponeerd door de kwaliteit, ouderdom, rariteit of het exotisme van de aanwezige kunst, gebruiksvoorwerpen en boeken. In een hedendaags museum zijn het ook vaak sterke objecten die de bezoeker bewegen tot verwondering of hem binnentrekken in een verhaal. Topstukken halen de bezoekers over de drempel. In de nieuwe museumopstelling zorgt de scenografie ervoor dat de bezoeker zich op verschillende manieren verhoudt tegenover de objecten. De opstelling evolueert van veelheid naar uniciteit, van differentiatie naar focus, van publiek naar privaat en stuurt zo onopvallend de verhouding van de bezoeker tegenover het object. Zo verschuiven de betekenissen van de objecten van verhalend naar persoonlijk, van contextueel, over verdiepend tot reflectief.

Anoniem, Besloten Hofje met Calvarie, de Heilige Maagd en Johannes de Evangelist, ca. 1525, mixed media, 109 x 188,5 cm

Anoniem, Besloten Hofje met Calvarie, de Heilige Maagd en Johannes de Evangelist, ca. 1525, mixed media, 109 x 188,5 cm

EEN UITVALSBASIS VOOR HET BOUWEN VAN NETWERKEN

Het principe van de uitvalsbasis activeert terug het netwerkmodel dat gangbaar was ten tijde van Hiëronymus van Busleyden. Hij was afkomstig van Aarlen en stelde graag zijn woning en bibliotheek open voor internationale bezoekers. De Mechelse hoven vormden op zich een netwerk in de stad. Hun namen zoals het Hof van Nassau, Hoogstraten en Palermo tonen hun kosmopolitische karakter. In de museumpraktijk wil het Hof van Busleyden opnieuw bruggen slaan tussen alle Bourgondische partners in de stad, in Vlaanderen, maar ook internationaal. De draagkracht voor de huidige museumwerking is voor het grootste gedeelte gestoeld op het netwerk dat doorheen de jaren is opgebouwd, het UTINA-traject en de participatieve werking, de samenwerking met het KMSKA, het ontwikkelen van het toeristische dossier met Bourgondische partners.

MENSGERICHT EN MEERLAGIG

Het humanisme plaatste het subject centraal. Vertaald naar hedendaagse museologie brengt dit ons bij een museum dat zich weer richt op mensen, en niet op het vertellen van ‘de’ waarheid. Naast de inbreng van de curatoren en onderzoekers komen in het nieuwe museum verschillende personen met een uiteenlopende achtergrond aan het woord om zo een verhaallijn of een object te verrijken met hun expertise, mening, interesse. De bezoeker stelt vanuit zijn eigen belangstelling zijn bezoek samen. Hij kiest de mensen/meningen die hem begeleiden en hij voegt ook zelf zijn mening toe. Door publieksonderzoek wil het museum leren uit de keuzes van de bezoeker wat het nog verder moeten uitwerken of uitdiepen.

Jan Verhoeven, Portret van Rombout Heyns, alias Smets, vaandrig van het Kolveniersgilde in 1580, olieverf op doek, 201 x 123 cm

Jan Verhoeven, Portret van Rombout Heyns, alias Smets, vaandrig van het Kolveniersgilde in 1580, olieverf op doek, 201 x 123 cm

ONTMOETINGSPLAATS

Al de voorgaande principes maken van het Hof van Busleyden een ontmoetingsplaats van mensen, meningen, ideeën, objecten en verhalen. Ook daarmee grijpt het terug naar de vijftiende en zestiende eeuw, toen het huis een broedplaats was voor vooruitstrevende ideeën (denk aan Thomas Mores Utopia). Het stimuleren van ontmoetingen, van discussie en dialoog staat ingeschreven in de manier van werken. Het uittekenen van de museale opstelling was een dialoog tussen curatoren, publieksmedewerkers, behoud- en beheermedewerkers, participatiemedewerkers, scenografen en architecten. Daarnaast nodigt het museum partners uit voor een korte of lange periode. Vertrekkend vanuit een Bourgondisch thema of één van de ontwerpprincipes werkt het Hof van Busleyden samen en presenteert het die samenwerking in het vaste parcours. Die interactie actualiseert actief het Bourgondisch verleden en verbeeldt de mogelijkheden voor de toekomst. Het toont de dynamiek van het stadspaleis en brengt buiten binnen.

MECHELEN EN DE BOURGONDISCHE RENAISSANCE

Een ambitieuze jongeman

Het Hof van Busleyden is vernoemd naar de geestelijke en jurist Hiëronymus van Busleyden, die er tussen 1504 en 1517 heeft gewoond. De uit Aarlen afkomstige Van Busleyden vestigde zich in Mechelen nadat hij was aangesteld als lid van de Grote Raad, toen het hoogste rechtscollege in de Nederlanden. Het jaar voordien was Van Busleyden aan de universiteit van Padua gepromoveerd tot doctor in de rechten. Hij liet zijn hof uitbreiden van een relatief eenvoudige stadswoning tot een luxueus stadspaleis. Hij legde er een belangrijke verzameling boeken, kunstwerken en munten aan en ontving er de belangrijkste humanisten van zijn tijd, zoals Desiderius Erasmus en Thomas More. Hij stond ook dicht bij de Bourgondisch-Habsburgse machthebbers, voor wie hij regelmatig diplomatieke opdrachten vervulde. Tijdens één daarvan, een reis naar Spanje in het gevolg van Karel V, werd hij plotseling ernstig ziek, en overleed in Bordeaux op 27 augustus 1517.

Mechelen was aan het begin van de zestiende eeuw zo’n aantrekkelijke plek voor een ontwikkelde jongeman van goeden huize als Hiëronymus van Busleyden omdat de stad een belangrijke rol speelde in de Bourgondische Nederlanden. Hertog Karel de Stoute had in 1473 zowel het Parlement van Mechelen (een voorloper van de Grote Raad) als de Bourgondische Rekenkamer (een soort ministerie van financiën) in de stad gevestigd, waardoor Mechelen steeds meer de functie van hoofdstad ging vervullen. Ze had deze rol vooral te danken aan haar centrale ligging, haar relatieve loyauteit ten opzichte van de Bourgondische machthebbers en het feit dat ze weliswaar een welvarende en goed ontwikkelde stad was, maar niet één van de grote machtscentra, zoals Brugge, Gent of Brussel. In die zin is de rol van Mechelen vergelijkbaar met die van Brussel in de Europese Unie vandaag.

Het Hof van Savoye, het Paleis van Margareta van Oostenrijk, in de Keizerstraat in Mechelen is een van de eerste renaissancegebouwen in de Lage Landen

Het Hof van Savoye, het Paleis van Margareta van Oostenrijk, in de Keizerstraat in Mechelen is een van de eerste renaissancegebouwen in de Lage Landen

MARGARETA VAN OOSTENRIJK EN DE GROTE RAAD

Mechelen kende haar Bourgondische moment de gloire in de jaren tussen 1507 en 1530, toen Margareta van Oostenrijk vanuit Mechelen de Nederlanden bestuurde, eerst als gouverneur-generaal en later als regentes. Die laatste titel hield in dat ze de macht uitoefende in naam van haar minderjarige neefje Karel, de latere Karel V. Karels vader, Filips de Schone, was in 1506 plots overleden en zijn moeder, Johanna van Castilië (‘de Waanzinnige’) werd niet in staat geacht om voor haar kinderen te zorgen. Karel werd daarom onder de hoede geplaatst van Margareta van Oostenrijk en opgevoed in Mechelen, wat het prestige en de politieke betekenis van de stad nog vergrootte. Naast de Grote Raad was het hof een tweede belangrijke aantrekkingspool voor de adel en de hoge Bourgondische ambtenarij. Voorname families, zoals Nassau, Lalaing en Carondelet lieten stadpaleizen bouwen in de nabijheid van Margareta van Oostenrijks Hof van Savoye.

Haar rollen als hof- en hoofdstad verleenden Mechelen niet enkel een politieke maar ook een culturele uitstraling. Kunstenaars vonden er een kunstminnend en kapitaalkrachtig publiek. De culturele bloei van de stad viel bovendien samen met (en vormde een belangrijke impuls voor) de verspreiding in de Nederlanden van humanistische ideeën en van een nieuwe, sterk door de kunst van Italië en van de Oudheid, bepaalde vormentaal. De aanwezigheid, vooral aan het hof van Margareta, van kunstenaars van buiten de Nederlanden, zoals de Duitser Conrad Meit en de Italiaan Jacopo de’ Barberi, toont hoe internationaal georiënteerd de smaak was.

Bernard van Orley, Portret van Margareta van Oostenrijk, na 1518, olieverf op hout

Bernard van Orley, Portret van Margareta van Oostenrijk, na 1518, olieverf op hout

De plechtige openingszitting van het parlement van Mechelen onder Karel de Stoute (1474)

Eén van de iconische werken bewaard in het Museum Hof van Busleyden is het monumentale schilderij Plechtige openingszitting van het Parlement van Mechelen onder Karel de Stoute. Het is een fictieve voorstelling van een plechtige zitting van het ‘Parlement van Mechelen’ in 1474 onder het voorzitterschap van de hertog van Bourgondië. Karel de Stoute had dit ‘Parlement’ in het leven geroepen bij Ordonnantie van Thionville in december 1473 met vaste zetel in Mechelen als pendant van het Parlement van Parijs, het hoogste rechtscollege van Frankrijk. Aan de hand van de op het schilderij aangebrachte namen zijn de afgebeelde personages te identificeren.

Onderaan in het midden van het schilderij zijn een naam en jaartal aangebracht, maar, jammer genoeg, zijn ze nagenoeg onleesbaar. De naam van Jan Gossart genaamd Mabuse (of Maubeuge) (1478-1532), die in het begin van de zestiende eeuw succes had aan het Mechelse hof, werd gesuggereerd, maar al snel op stilistische gronden verworpen. Ook de naam van de Mechelse stadsschilder Jan Schoof(f) werd genoemd, die in opdracht van de stad inderdaad in 1514-1515 betaald werd “va[n] eene[n] stuck schilderije[n] te maken en[de] gheconterfeyt naer tparleme[n]t alzoo dat plach te zijne alst in wesen was met p[er]sonagh[en] en[de] andersins etc.”. Maar hij kreeg daarvoor slechts 25 schellingen betaald, wat zeker niet overeenstemt met een schilderij van enige omvang zoals het bewaarde werk. Tenslotte meende de Mechelse medicus en kunstliefhebber G. Van Doorslaer de naam “Jehan Coessaet” te lezen en het jaartal “1587”. Een Jan (Janne) Coesaert (Cousarts) was weliswaar als schilder actief in Mechelen in 1563-1568, maar voor de rest is van hem niets bekend. Het jaartal 1587 zou wel perfect kunnen kaderen in de globale restauratiecampagne die op gang was gekomen na de herovering van de stad door de Spaanse troepen in 1585 en de terugkeer van de Grote Raad.

Bij de intrede van de latere Filips II in Mechelen op 8 september 1549 werd in Sint-Rombout, naast andere kunstwerken, een schilderij met voorstelling van een zitting van het Parlement van Mechelen onder het voorzitterschap van Karel de Stoute getoond. Het trok alleszins de aandacht van de prins en eigentijdse kroniekschrijvers, wat wijst op een zekere omvang en uitstraling.

Het levert tevens het bewijs dat er in ieder geval vóór 1549 een schilderij met dit thema bestond. Het diende vermoedelijk als inspiratiebron voor het werkje van Schoof, die overigens goed vertrouwd was met de vorstelijke residentie in Mechelen, waarvoor hij tal van decoratieopdrachten uitvoerde. Het schilderij refereerde niet enkel aan het roemrijke Bourgondische verleden, dat onder Karel de Stoute zijn hoogtepunt kende, maar ook aan Mechelen als zetel van het Parlement van Mechelen (1474-1477) en vanaf 1504 opnieuw als zetel van zijn opvolger, de Grote Raad. In 1506 erfde de jonge Karel, genoemd naar zijn overgrootvader, de Bourgondische Nederlanden na de dood van zijn vader. Op 5 juli 1507 vestigde hij zich officieel in Mechelen en op 5 januari 1515 werd hij meerderjarig verklaard en gehuldigd als heer van de Nederlanden. Dit alles laat vermoeden dat het schilderij (of een voorganger) tussen 1507 en 1515 tot stand kwam. Archiefonderzoek leverde tot nog toe geen uitsluitsel op over de naam van de kunstenaar en het jaar van vervaardiging.

In 1610 vonden twee restauratiecampagnes plaats, één betaald door de centrale overheid en één door de stad Mechelen. De centrale overheid betaalde meer dan 193 pond voor de restauratie van een oud schilderij met voorstelling van het Parlement en voor een kopie ervan; de stad Mechelen betaalde 7 pond aan stadsschilder Jan Ghuens voor de restauratie van een “oudt stuck schilderye” met hetzelfde thema. Het gaat hier dus duidelijk om twee verschillende schilderijen. Gezien de uitgekeerde bedragen, is het aannemelijk dat de restauratie betaald door de centrale overheid op het monumentale schilderij slaat, terwijl de betaling van de stad aan Ghuens op het werkje van Schoof betrekking heeft. Beide campagnes kaderden allicht in de voorgenomen verhuis van de Grote Raad naar het voormalige Paleis  van Margareta van Oostenrijk, dat de stad in 1609 met dat doel had aangekocht. Na de installatie van de Grote Raad in het paleis in 1616 kreeg het monumentale schilderij een plaats in de Voorzaal of Antichambre, waar het bleef hangen tot aan de afschaffing van de instelling in de Franse Tijd.

Busleyden details
Muurschilderingen in het hypocaustum van het Hof van Busleyden, na 1507 en voor 1515

Muurschilderingen in het hypocaustum van het Hof van Busleyden, na 1507 en voor 1515

EEN INDRUKWEKKENDE CULTURELE PRODUCTIE

Het culturele belang van Mechelen aan het begin van de zestiende eeuw kan vandaag nog worden afgelezen aan de overgeleverde kunstwerken die toen in de Dijlestad zijn gemaakt of van daaruit besteld. Het gaat dan overigens niet enkel om beeldende kunst, maar bijvoorbeeld ook om literatuur, muziek en architectuur. Vooraan staat uiteraard het hof van Margareta en de talrijke opdrachten die ze gaf aan prominente schilders als Bernard van Orley, Jan Gossart en Michel Sittow. Margareta’s hofdichter Jean Lemaire de Belges schreef voor de regentes lof- en troostpoëzie (zoals de ook vandaag nog onderhoudende Epitres de l’amant vert over Margareta’s papegaai) en historiografische werken. Ze was een goede klant in het atelier van muziekkopiist Petrus Alamire, die vanuit Antwerpen in Mechelen is komen wonen. In de bibliotheek van Margareta zat onder andere het door Alamire gemaakte Mechels Koorboek (zie blz. 19), met daarin composities van Matthaeus Pipelare en Pierre de La Rue. Naast de uitbreiding van haar eigen Hof van Savoye overzag de regentes vanuit Mechelen ook de uitbouw van het klooster van Brou (bij Bourg-en-Bresse) waar ze in 1532 zou worden bijgezet naast haar derde echtgenoot, Filibert II van Savoye. De Brusselse architect Lodewijk van Bodegem ontwierp het gebouw, Conrad Meit beeldhouwde de graftombes.

Ook de Grote Raad was een belangrijke katalysator voor de kunsten. Het Louvre in Parijs bewaart een prachtig diptiekje dat Jan Gossart in 1517 schilderde voor raadsheer Jean II Carondelet. In het Mechelse Schepenhuis (waar de Raad tot 1616 haar zittingen hield) zijn nog steeds muurschilderingen zichtbaar met het Laatste Oordeel en de Calvarie, twee typische gerechtigheidstaferelen die rechters ertoe moesten aanzetten hun taak eerlijk te vervullen. Ze werden er in 1526 aangebracht door Frans Sanders. Ook Hiëronymus van Busleyden liet zijn stadspaleis verfraaien met muurschilderingen. De Bijbelse en mythologische scènes in zijn hypocaustum of stove hebben de brand die het gebouw in 1914 bijna helemaal in de as legde grotendeels overleefd.

Bernard Picart, Portret van Janus Secundus, 1730, ets, 125 × 77 mm

Bernard Picart, Portret van Janus Secundus, 1730, ets, 125 × 77 mm

Van Busleyden schreef zelf Latijnse poëzie. Deze kan kwalitatief niet op tegen het werk van de grote Neolatijnse dichters van die tijd. De voor Mechelen meest betekenisvolle figuur onder hen is ongetwijfeld Janus Secundus. Net als Van Busleyden was hij een inwijkeling die omwille van de Grote Raad in Mechelen is komen wonen. Hij was de zoon van Nicolaas Everaerts, de uit Zeeland afkomstige president van de Grote Raad, en werd in de Dijlestad opgeleid tot jurist. Secundus’ meest bekende dichtwerk, het Liber Basiorum (‘Kusjesboek’) een postume editie uit 1541, ademt dezelfde verfijnde renaissancistische mengeling van zinnelijkheid en geestelijkheid als de schilderijen van Jan Gossart of de sculpturen van Conrad Meit. Naast het hof en de Grote Raad droegen ook de stedelijke middenklasse en de vele religieuze gemeenschappen in belangrijke mate bij aan de culturele uitstraling van het Bourgondische en vroeg-Habsburgse Mechelen. Vooral de gilden en broederschappen gebruikten graag kunst om hun identiteit en rijkdom te etaleren. Indrukwekkende voorbeelden zijn het paneel De leden van de Mechelse gilde van de grote kruisboog van de Meester van de Mechelse Sint-Jorisgilde (1497, Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen), Sint-Lucas tekent de Heilige Maagd (ca. 1513-1514), het altaarstuk dat Jan Gossart maakte voor de kapel van het Mechelse Sint-Lucasgilde in wat toen nog de Sint-Romboutskerk was (nu in het Nationaal Museum in Praag) en de gevel van In den Grooten Zalm (1530-1535), het ambachtshuis van de Mechelse visverkopers en een van de vroegste renaissancegevels in de Nederlanden.

Meester van de Mechelse Sint-Jorisgilde, De leden van de Mechelse gilde van de grote kruisboog, 1497, olieverf op paneel, 174 x 105 cm KONINKLIJK MUSEUM VOOR SCHONE KUNSTEN ANTWERPEN

Meester van de Mechelse Sint-Jorisgilde, De leden van de Mechelse gilde van de grote kruisboog, 1497, olieverf op paneel, 174 x 105 cm KONINKLIJK MUSEUM VOOR SCHONE KUNSTEN ANTWERPEN

Bescheidener van opzet is het memorieportret van Jan de Mol (ca. 1485) door de Meester van de Mechelse Sint-Jorisgilde (nu in de Courtauld Gallery in Londen), dat wellicht door een particulier uit de middenklasse is besteld. Onderaan op het kader van het portret bevinden zich twee regels tekst die het overlijden van de afgebeelde in herinnering brengen. Ze zijn in het Nederlands, de taal die vooral door de stedelijke middenklasse werd gebruikt. De Nederlandse literatuur uit die tijd (in de eerste plaats poëzie en toneel) kwam vooral tot stand in de rederijkerskamers. Aan het begin van de zestiende eeuw waren er vier in Mechelen gevestigd. De rederijkers speelden ook een belangrijke rol in de sterk ontwikkelde stedelijke feestcultuur, waarvan de Cavalcade en de Hanswijkprocessie tot op vandaag zijn blijven voortbestaan.

Michiel Coxcie, Het oordeel van Salomon, 1552, olieverf op paneel, 130 x 164 cm

Michiel Coxcie, Het oordeel van Salomon, 1552, olieverf op paneel, 130 x 164 cm

BOURGONDIË NA BOURGONDIË

De dood van Margareta van Oostenrijk in 1530 en de verhuis van het hof naar Brussel worden vaak gezien als het einde van de stad als epicentrum van de vroege renaissance in de Nederlanden. Al kon Mechelen na 1530 niet meer concurreren met Brussel en vooral Antwerpen, het zogenaamde verval mag zeker niet worden overdreven. Tot de jaren 1570 bleef de culturele impuls die was teweeggebracht door Margareta en haar hof en de Grote Raad duidelijk voortduren. Dit blijkt uit het aanzienlijk aantal Mechelse kunstenaars die toen actief waren, zoals Michiel Coxie, Vincent Sellaer, Nicolaas en Frans Hogenberg, Frans Crabbe en Hans Bol. Zij waren duidelijk goed op de hoogte van de laatste ontwikkelingen in de culturele centra van die tijd, Italië en het Franse hof in Fontainebleau, en functioneerden binnen een Europees netwerk. Tijdens de tweede helft van de zestiende eeuw werden de Mechelse kunstambachten, vooral goudleer, albast en gepolychromeerd houtsnijwerk (de zogenaamde poupées de Malines, zie blz. 23) op Europese schaal uitgevoerd.

Koorboek van Margareta van Oostenrijk, 1496-1534, perkament, 66 x 44,5 cm

Koorboek van Margareta van Oostenrijk, 1496-1534, perkament, 66 x 44,5 cm

De verborgen parel, het koorboek van Margareta van Oostenrijk

De lotgevallen van topstukken verlopen vaak grillig. Het Mechels Koorboek of Koorboek van Margareta van Oostenrijk is daarvan een treffend voorbeeld. Zo zijn er nauwelijks gegevens bekend over de bewaring van dit handschrift. Het is uitzonderlijk goed bewaard, maar draagt geen eigendoms- of herkomstkenmerken. Al kort na de vervaardiging door het atelier van Petrus Alamire, rond 1515, verdween het handschrift uit het zicht.

Het koorboek moest dienen als een prestigieus relatiegeschenk vanwege de Bourgondisch-Habsburgse dynastie. De geplande gebeurtenis ging niet door zodat het zijn oorspronkelijk nut als geschenk verloor. Omtrent de verdere bewaring bestaan slechts hypotheses. Algemeen wordt aangenomen dat het handschrift bewaard bleef in het paleis van Margareta van Oostenrijk in Mechelen, mogelijk ook na 1546 toen de hofhouding definitief naar Brussel verhuisde. Het gebouw werd daarna verkocht aan het stadsbestuur. Kwam het koorboek samen met het gebouw toen al in stadsbezit? Of werd het de eigendom van de volgende bewoners, de beruchte kardinaal Granvelle of de Grote Raad, die tot 1794 in hetzelfde gebouw zetelde? De onbekende eigenaars hebben het kostbare werk in ieder geval eeuwenlang zorgvuldig bewaard.

Pas in 1860 komt een einde aan zijn verborgen bestaan. Na een tip van stadsarchivaris Pieter-Jozef Van Doren publiceerde Alexandre Pinchart een eerste lovende beschrijving in zijn reeks Archives des arts, sciences et lettres. Het handschrift behoorde toen al tot de stedelijke collecties. Hoewel het koorboek sindsdien ruimer bekend werd, verliet het zelden de dikke muren van het Stadsarchief. De Mechelse politici en archivarissen keken streng toe op de zorgvuldige bewaring van dit kunstwerk dat symbool stond voor de gouden bloeiperiode van de stad. Toen James Weale, de Brits-Belgische kunsthistoricus en promotor van de neogotiek in België, in 1885 het koorboek wou ontlenen voor een internationale tentoonstelling in Londen, wees de gemeenteraad zijn aanvraag af wegens te risicovol.

Tijdens het grootste deel van de twintigste eeuw groeide de faam van het handschrift, maar was het zelden buiten de Dijlestad te zien. Pas vanaf de jaren negentig kreeg het publiek het kunstwerk op enkele grote tentoonstellingen in binnen- en buitenland te zien. De erkenning als Vlaams topstuk in 2007 bevestigde de uitzonderlijke waarde van het Mechels Koorboek, maar benadrukte meteen ook de grote verantwoordelijkheid op het vlak van de conservering van dit kwetsbare handschrift. De Alamire Foundation was zich daar heel bewust van en zorgde voor de digitalisering ervan in 2009. De digitale beelden van zeer hoge kwaliteit werden sindsdien ingezet bij het wetenschappelijk onderzoek en publiekswerking.

Het koorboek is opnieuw te zien in Museum Hof van Busleyden, in een zaal die volledig aan polyfonie gewijd wordt. De Bourgondische tijd is een hoogtepunt in de deze veelstemmige muziek. Componisten uit de Lage Landen waren toen al internationaal befaamd, denk maar aan Josquin des Prez, Adriaan Willaert, Heinrich Isaac, Orlandus Lassus. En duizendpoot Petrus Alamire natuuurlijk: een componist, kopiist, instrumentenhandelaar, diplomaat-spion én goede vriend van Hiëronymus van Busleyden.

16a+b

Links: Openingspagina van het Mechels Koorboek met een politiek-allegorisch miniatuur van de jonge aartshertog Karel (de latere keizer Karel) op de troon © STADSARCHIEF MECHELEN/ALAMIRE DIGITAL LAB (LEUVEN)

Rechts: Detail uit het Mechels Koorboek © STADSARCHIEF MECHELEN/ALAMIRE DIGITAL LAB (LEUVEN) - FOTO JAN SMETS

Anoniem, Calvarie, ca. 1600-1625, albast, 34 x 24 x 6 cm

Anoniem, Calvarie, ca. 1600-1625, albast, 34 x 24 x 6 cm

De echte artistieke en intellectuele brain drain van de Dijlestad kwam er als gevolg van de godsdiensttroebelen en de komst van de hertog van Alva naar de Nederlanden. Vooral de Spaanse Furie in Mechelen in 1572 had een grote impact. In dat jaar verhuisden zowel Hans Bol als Pieter van der Borcht, die de prachtige botanische tekeningen maakte voor het Cruydeboeck (1554) van Rembert Dodoens, naar Antwerpen. Frans Hogenberg had al eerder de wijk genomen naar Antwerpen en vluchtte in 1568 naar Londen en later naar Keulen. In 1574 zou Rembert Dodoens naar Wenen verhuizen om lijfarts te worden van de Habsburgse keizer Maximiliaan II.

In de collectie van het Museum Hof van Busleyden bevinden zich twee schilderijen met een voorstelling van de belegering van de Duitse stad Neuss door Karel de Stoute in 1475. Verschillende Mechelse schuttersgilden namen deel aan dit beleg. Opmerkelijk is dat de werken bijna een eeuw jonger zijn dan de gebeurtenis die erop wordt afgebeeld. Het oudste (waarvan het tweede een vrije kopie is) dateert van 1562. Qua onderwerp en moment van ontstaan zijn de Neuss-schilderijen verwant aan het paneel met de Plechtige openingszitting van het Parlement van Mechelen op 3 januari 1474, dat is toegeschreven aan Jan Coessaet en gedateerd in 1587 (zie blz. 14-15). De precieze motivatie voor het maken van deze werken is niet duidelijk maar allebei zetten ze een episode in de verf van de Bourgondische geschiedenis waarin Mechelen een belangrijke rol speelde. Deze blik naar het verleden spreekt ook uit de stijl van beide schilderijen die, in vergelijking met het werk van kunstenaars van een generatie eerder zoals als Sellaer of Coxcie, opmerkelijk ouderwets aandoet.

Hans Bol, De Spaanse Furie, [zd], temperaschilderij, 8,5 x 11,5 cm

Hans Bol, De Spaanse Furie, [zd], temperaschilderij, 8,5 x 11,5 cm

Adriaen Van den Houte, Het kamp van Karel de Stoute bij de belegering van Neuss in 1475, 1562, olieverf op doek, 168 x 245 cm

Adriaen Van den Houte, Het kamp van Karel de Stoute bij de belegering van Neuss in 1475, 1562, olieverf op doek, 168 x 245 cm

Jozef Tuerlinckx, Standbeeld van Rembert Dodoens, 1849, Kruidtuin, Mechelen

Jozef Tuerlinckx, Standbeeld van Rembert Dodoens, 1849, Kruidtuin, Mechelen

Mechelen zou zijn Bourgondische erfenis ook na de zestiende eeuw blijven koesteren. Vooral in de romantische negentiende eeuw, toen het jonge België op zoek was naar een eigen geschiedenis, was de interesse voor de tweede helft van de vijftiende en de eerste decennia van de zestiende eeuw groot. Net als ten tijde van de Bourgondiërs speelde kunst een identiteitsbevestigende rol. Opmerkelijke ‘Bourgondische’ kunstwerken uit die periode zijn bijvoorbeeld de standbeelden van Rembert Dodoens en Margareta van Oostenrijk (1849) door Jozef Tuerlinckx en het schilderij met de voorstelling van een Poppenspel aan het hof van Margareta van Oostenrijk (1891) van Willem Geets.

Willem Geets, Poppenspel aan het Hof van Margareta van Oostenrijk (Mechelen 1515), 1892, olieverf op doek 154,5 x 209 cm

Willem Geets, Poppenspel aan het Hof van Margareta van Oostenrijk (Mechelen 1515), 1892, olieverf op doek 154,5 x 209 cm

Zegenend Jezuskindje, 1500-1600, lindehout, 33 x 9.5 x 5.5 cm

Zegenend Jezuskindje, 1500-1600, lindehout, 33 x 9.5 x 5.5 cm

Mechelse popjes veroveren de wereld

De hoofdrol die Mechelen speelde in de centralisatiepolitiek van de Bourgondische Hertogen heeft gezorgd voor een zeer bloeiende kunstproductie in de stad. De uitstraling van het hof van Margareta van Oostenrijk, het beroemde Hof van Savoye, trok grote kunstenaars aan waaronder Conrad Meit, Jan Gossart, Gerard Horenbout en Bernard Van Orley. Daarnaast ontwikkelde Mechelen zich eveneens tot een van de meeste productieve beeldsnijcentra van de Zuidelijke Nederlanden. Hiervan getuigen de talloze Poupées de Malines, die er vanaf het midden van de vijftiende tot het midden van de zestiende eeuw werden geproduceerd.

De Poupées de Malines, of Mechelse popjes, werden uit notenhout gesneden en verbeelden meestal populaire vrouwelijk heiligen zoals de maagd Maria, de heilige Barbara, de heilige Catharina en de heilige Anna. Ze hebben herkenbare gelaatstrekken: een rond gezichtje met een hoog voorhoofd, fijne pruilende lipjes en kleine ogen. Opvallend is ook de polychromie van deze kleine beelden. Blauw, rood en goud zijn geliefde kleuren voor de kledij van de heiligen. Het kleine formaat van deze beeldjes zorgde ervoor dat ze op verschillende manier konden worden gebruikt.

Heilige Lucia Van Syracuse, 1500-1530, gepolychromeerd hout, hoogte: 70 cm

Heilige Lucia Van Syracuse, 1500-1530, gepolychromeerd hout, hoogte: 70 cm

In de zestiende eeuw konden ze als alleenstaand beeld voorkomen of ingewerkt in een huisretabel. Ook in de zeven Mechelse Besloten Hofjes zijn deze kleine beeldhouwwerkjes te zien. Hoewel we eigenlijk bijzonder weinig weten over de exacte productiecontext van deze stukken zien we wel dat ze werden uitgesneden door beeldsnijders en werden beschilderd door schilders. Deze twee ambachten werden in Mechelen samen gegroepeerd in een gilde. Een van de eerste bronnen met betrekking tot de werking van deze gilden is de zogenaamde ‘rolle’ van 1564. Het is een regelboek voor de organisatie van het ambacht. Een van de zaken die wordt aangehaald in dit document is het aanbrengen van een keurmerk om de goede kwaliteit van het beeld te bevestigen. In Mechelen werd dit keurmerk het wapenschild van de stad Mechelen, dat op de achterzijde van het beeldje werd geplaatst. De polychromie werd gekeurd met een kleine ‘m’ verwijzend naar Mechelen. Dit keurmerk werd meestal vooraan in het goud aangebracht. De Poupées de Malines waren een begeerd exportproduct in de vroegmoderne periode. Ze werden op zeer grote schaal geproduceerd en verspreid over heel de wereld. Zo werden er in de zestiende eeuw beeldjes naar Spanje, Indië, de Filipijnen maar ook naar Latijns-Amerika geëxporteerd. Exacte cijfers met betrekking tot deze export zijn er niet. Hoewel maar een fractie van deze zestiende-eeuwse beeldjes de tand des tijds heeft doorstaan, hebben musea over heel de wereld vaak verschillende van deze stukken in hun collectie.

Andreas Vesalius, De humani corporis fabrica libri septem, uitgegeven door Joannes Oporinus, Bazel, 1555

Andreas Vesalius, De humani corporis fabrica libri septem, uitgegeven door Joannes Oporinus, Bazel, 1555

NETWERKEN WERKEN

Meester van 1499, Margareta van Oostenrijk in aanbidding voor de Madonna, voor 1504, olieverf op paneel, 29,4 x 30,6 cm MUSEUM VOOR SCHONE KUNSTEN, GENT

Meester van 1499, Margareta van Oostenrijk in aanbidding voor de Madonna, voor 1504, olieverf op paneel, 29,4 x 30,6 cm MUSEUM VOOR SCHONE KUNSTEN, GENT

Hiëronymus' netwerken vandaag

“Diegenen die het meeste succes hebben, zijn diegenen die de beste verbindingen en netwerken tot stand brengen,” zei Chris Dercon, toenmalig directeur van Tate Modern, tijdens een interview in 2012. Dat klinkt als een heel hedendaagse visie, maar wie de figuur van Hiëronymus Van Busleyden beter leert kennen, ontdekt dat ook zijn succes al voor een groot deel op zijn netwerk berustte. Algemeen verbond het Bourgondische Mechelen zich door familiebanden, handelscontacten, diplomatieke banden, netwerken van kunstenaars en filosofen met de rest van de wereld. Het Hof van Busleyden was bij uitstek een knooppunt in zo’n netwerk, een plek die een venster op de wereld vormde, en tegelijk die buitenwereld binnentrok in het paleis.

De eeuwigheidswaarde van de heer des huizes ligt bijvoorbeeld in de oprichting in 1517 van het Collegium Trilingue – ook Collegium Buslidianum – die volgens de wilsbeschikking van de humanist werd gerealiseerd door zijn goede vriend Desiderius Erasmus. De doelstelling van het college was om in de nog middeleeuws gerichte Leuvense universiteit de klassieken te laten herleven door de studie van de klassieke talen: Latijn, Grieks en Hebreeuws. Op die manier verspreidden de humanisten hun visie op de wereld in het binnen- en buitenland. (Het is niet voor niets dat het universitair internationaal uitwisselingsprogramma nog steeds Erasmus heet.) Ook in die tijd trokken studenten naar buitenlandse universiteiten. Om ervoor te zorgen dat het humanisme ook in minder gegoede kringen doordrong, koppelden de stichters meteen ook een reeks van beurzen aan het college.

Diegenen die het meeste succes hebben, zijn diegenen die de beste verbindingen en netwerken tot stand brengen
Marinus van Reymerswale, Een goudweger met zijn vrouw, olieverf op paneel, 113 x 80 cm KONINKLIJK MUSEUM VOOR SCHONE KUNSTEN, ANTWERPEN

Marinus van Reymerswale, Een goudweger met zijn vrouw, olieverf op paneel, 113 x 80 cm KONINKLIJK MUSEUM VOOR SCHONE KUNSTEN, ANTWERPEN

Vandaag creëert het museum opnieuw een netwerk van mensen en organisaties die allemaal op de één of andere manier met dit verhaal verbonden zijn. Sommige maken inhoudelijk deel uit van het verhaal van Busleyden, zoals de universiteitsbibliotheek van Leuven, die zorg draagt voor de nagedachtenis van de stichter van het Collegium Trilingue. Samen met partners uit Leuven en Londen is dat netwerk vastgelegd in een documentaire die in het museum te zien is. Het universiteitsarchief van Leuven is ook degene die bijvoorbeeld het diploma van Busleyden bewaart. Door het te tonen materialiseert het museum die inhoudelijke link tussen de universiteit en het Hof van Busleyden.

GEDEELDE VERHALEN, GEDEELDE OBJECTEN

Vele musea, archieven en bibliotheken delen door hun collectie in een stuk van het verhaal over Hiëronymus en/ of de Bourgondische periode in Mechelen. Ze vormen een belangrijk netwerk dat toelaat om via langdurige bruiklenen of wisselbruiklenen de nodige dynamiek in de opstelling te houden. Duurzame afspraken met onder andere het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen, het Museum Plantin-Moretus, de Universiteitsbibliotheek Gent of de Koninklijke Bibliotheek van België zorgen voor langdurige bruiklenen en zekerheid. Meer kortlopende bruiklenen zoals bijvoorbeeld het portret van Hiëronymus van Busleyden uit het Wadsworth Atheneum Museum of Art (Connecticut, VS) brengen extra dynamiek en zorgen voor nieuwe horizonten binnen het netwerk.

Restauratie-atelier Besloten Hofjes

Restauratie-atelier Besloten Hofjes

Museumstukken verbinden niet enkel musea, maar creëren ook onderzoeksnetwerken. Zo telt het interdisciplinair restauratieteam van de Besloten Hofjes acht restauratoren, die allemaal op hun beurt de collectie verbinden met hun eigen internationaal netwerk. Een selectie van deze experten heeft een stem in de opstelling. De bezoeker ontdekt zo welke mensen en organisaties een ander deel van het Bourgondische verhaal vertellen. Dezelfde aanpak hanteert ook Toerisme Vlaanderen bij de promotie van het Bourgondische toeristische netwerk.

Theodoor Galle (graveur) en Jan van der Straet (ontwerper), De ontdekking van Amerika, 1595-1633, prent, 199 x 268 mm

Theodoor Galle (graveur) en Jan van der Straet (ontwerper), De ontdekking van Amerika, 1595-1633, prent, 199 x 268 mm

Restauratie van Besloten Hofje met H. Elisabeth, Ursula en Catharina, ca 1513

Restauratie van Besloten Hofje met H. Elisabeth, Ursula en Catharina, ca 1513

GEDEELDE DOELGROEPEN EN GEDEELDE DOELEN

Waar het museum een inhoudelijke verbinding maakt tussen onderzoek, verhalen en objecten, versterken Toerisme Vlaanderen en Toerisme Mechelen het netwerk vanuit de kennis van de buitenlandse bezoeker. Het bereiken van doelgroepen die vragen om een specifieke aanpak, is bij uitstek een netwerkverhaal. Zo werkt het museum samen met leerkrachten uit verschillende Mechelse scholen om lessenpakketten te ontwikkelen. Ook moeilijk bereikbare jongeren, vluchtelingen en minder begoeden worden aangesproken via partners die voeling hebben met deze doelgroepen. Organisaties zoals Welcome in Mechelen, een vrijwilligersorganisatie die vluchtelingen ondersteunt, De Lage Drempel, een organisatie waar armen het woord nemen, of H3O, een artistieke werkplek voor jongeren, hebben deze specifieke doelgroepenkennis en bieden de kans om duurzame relaties op te bouwen.

Deze intermediaire organisaties zijn de partners bij uitstek om samen met theaterhuis ARSENAAL/LAZARUS en het project De Grond der Dingen de wereld binnen te halen in het Hof van Busleyden. Net als de toenmalige humanisten wil het museum de discussie aangaan over andere manieren om naar de wereld te kijken. Dit gebeurt aan de hand van een Utopisch project waarbij iedere Mechelaar zijn idee mag geven voor de invulling van een vierkante meter grond in zijn stad.

Naast het bereiken van de Mechelaar vraagt de complexiteit van zo’n project om de inbreng van verschillende disciplines. Daarom verbindt De Grond der Dingen opnieuw diverse expertises, gaande van stedenbouwkunde en architectuur tot sociologie en democratische processen. Vanuit het museale perspectief is dit project ook een case in een Vlaams en internationaal netwerk rond musea en participatie. Samen met een aantal stadsmusea in Vlaanderen – waaronder Lier, Ieper en Lokeren –, het steunpunt FARO, maar ook internationale partners zoals Tate Modern, Rotterdam Museum en het Nationaal museum Kopenhagen, bouwt het Hof van Busleyden zo aan een kennisnetwerk rond participatie in musea dat niet alleen deelt maar ook stimuleert. Op die manier verspreiden we helemaal in de geest van de gastheer van het museum een nieuwe visie.

Kantclub Etterjefke geeft de kunde van het klossen van de typische Mechelse kant door

Kantclub Etterjefke geeft de kunde van het klossen van de typische Mechelse kant door

HET MUSEUM ALS ONTMOETINGSPLEK

Het Hof van Busleyden is van in het prille begin een plaats van ontmoeting. Hiëronymus van Busleyden liet er zijn gerenommeerde gasten kennis maken met zijn uitgebreide kunstcollectie die hen inspireerde tot levendige conversaties en discussies. De kosmopolitische en innovatieve denkers van toen stuurden van hieruit hun humanistische gedachtengoed verder de wereld in.

Van een ontmoetingsplaats tussen verlichte geesten, denkers en geprivilegieerde notabelen in de zestiende eeuw evolueerde het Hof van Busleyden in de zeventiende eeuw als Huis van Barmhartigheid naar ontmoetingsplaats met minder gefortuneerde Mechelaars en vandaag is het museum opnieuw een verbindende plek waar mensen, meningen, ideeën, objecten en verhalen samen komen in een nieuwe dynamiek. Net zoals het Hof toen wil het museum vandaag een ontmoetingsplaats zijn: ontmoetingen tussen de bezoekers en de objecten, ontmoetingen tussen de bezoekers en de hedendaagse stad, ontmoetingen tussen de bezoekers onderling… De drie participatieve ruimtes aan het eind van elke thematische zone, waar Mechelse gemeenschappen, erfgoedverenigingen, culturele spelers, opleidingsinstellingen en particulieren aan meebouwen, maken die ontmoetingen voor de bezoeker nog concreter.

Organisatie Welcome in Mechelen

Organisatie Welcome in Mechelen

DE STAD ONTMOETEN IN HET MUSEUM

De zaal ‘Mensen maken de stad’ is de eerste ruimte van het museum waar bezoekers de stad van vandaag ontmoeten. Mechelse organisaties en verenigingen krijgen er de kans zichzelf aan het publiek te tonen. Zij vertegenwoordigen de hoeveelheid, de betrokkenheid en de diversiteit van het stedelijke leven vandaag, als een update van de voorgaande museale zalen die het stadsleven in het verleden tonen. Drie gemeenschappen per jaar krijgen een vaste plaats via een filmpresentatie en een selectie van objecten waarmee ze zich voorstellen. Daarnaast wordt de zaal vraaggericht ingevuld met tijdelijke programmaties zoals lezingen, verhalensessies of demonstraties.

Mensen maken de stad
Paul Contryn, telg van een Mechelse poppenspelersfamilie MUSEUM HOF VAN BUSLEYDEN, MECHELEN

Paul Contryn, telg van een Mechelse poppenspelersfamilie MUSEUM HOF VAN BUSLEYDEN, MECHELEN

De drie eerste stedelijke spelers zijn: de kantvereniging Etterjefke, poppenmaker Paul Contryn en vrijwilligersorganisatie Welcome in Mechelen. Zij realiseren elk op hun manier een ontmoeting met de stad. Kantclub Etterjefke geeft de kunde en vaardigheden door om de typisch Mechelse kant te klossen en bewaart zo een stukje Mechels erfgoed. Paul Contryn wordt als laatste telg van de poppenspelersfamilie Contryn door de Mechelaars gekoesterd als levend Mechels erfgoed. Zijn familiegeschiedenis maakt deel uit van het collectieve geheugen van Mechelen. Maar het verhaal gaat over meer dan zijn persoonlijke geschiedenis. Het belicht ook zijn werk en ambacht als poppenmaker voor de nieuwe figuren van de Mechelse Ommegang in 2013. De stoet en het hele voorbereidingsproces – waaronder de nieuwe creaties van Paul Contryn voor de draak, de eenhoorn en de walvis – symboliseerden de Mechelse diversiteit anno 2013. Die diversiteit van vandaag zie je ook terug in de presentatie van Welcome in Mechelen. Het is een netwerk van geëngageerde Mechelaars die zich inzetten voor de ondersteuning van asielzoekers, (erkende) vluchtelingen en nieuwkomers in de stad.

Elk van deze drie spelers toont een ander facet van de stad in het museum, elk van hen daagt de bezoeker uit de stad op een andere manier te ontmoeten.

De Grond der Dingen, voorstel voor de vierkante meter: Jochen Debock, Oorlogsherinneringen

De Grond der Dingen, voorstel voor de vierkante meter: Jochen Debock, Oorlogsherinneringen

HET MUSEUM BEÏNVLOEDT DE STAD

Wat als je elke Mechelaar één vierkante meter grond zou geven om zelf in te vullen? De ruimte voor het project De Grond der Dingen reflecteert over de positie van macht en bezit van grond vandaag. Het museum maakt ruimte voor alle voorstellen, helpt deze verbeelden voor het publiek en gaat actief het maatschappelijk debat hierover aan. Dit stadsproject is een initiatief van het Mechelse theaterhuis ARSENAAL/LAZARUS, samen met Museum Hof van Busleyden.

De Grond der Dingen, voorstel voor de vierkante meter: Tilde Potoms, Tiny House

De Grond der Dingen, voorstel voor de vierkante meter: Tilde Potoms, Tiny House

Het wil de Mechelaar aanzetten tot het vormgeven van de stad en het gevoel van betrokkenheid op de stad stimuleren. Aan het eind van het traject, in 2021 wordt 20.000 vierkante meter stad tastbaar ter beschikking gesteld om daar ideeën concreet te realiseren. Het project overstijgt de stad, het geeft de niet-Mechelse bezoeker de kans te reflecteren op de inhoud van het museum en de verbondenheid met zijn of haar eigen leefwereld. Het project bevindt zich ruimtelijk precies tussen de zaal over de Bourgondische machtshebbers en hun strategieën voor machtsuitbreiding én die over het humanistische netwerk van Hiëronymus van Busleyden. De Grond der Dingen gaat de confrontatie met beiden aan door enerzijds het concept van ‘macht voor enkelen’ op zijn kop te zetten: elke Mechelaar krijgt precies evenveel grond en dus macht om zijn stad te verbeteren. Anderzijds is De Grond zelf een experiment, een poging om het utopische maatschappijbeeld van Thomas More vandaag weer leven in te blazen, maar dan via concrete kleine stapjes.

busleyden

Boven: Detail uit Besloten Hofje met Calvarie en Jacht op de Eenhoorn

Midden: Detail uit Besloten Hofje met H. Elisabeth, Ursula en Catherina

Onder: Detail uit Besloten Hofje met H. Augustinus, Anna-ten-Drieën, Maria en Kind

ONTMOETINGEN TUSSEN OBJECT EN PUBLIEK

De derde participatieve ruimte sluit de zone over meesterschap en ambachtelijke vaardigheden af. Het publiek krijgt daar vanaf 2019 de kans om een actieve relatie met de objecten aan te gaan. In het eerste werkingsjaar is die rol weggelegd voor een selectie hedendaagse kunstenaars. Zij reflecteren met hun werk op het Mechelse meesterschap in albast en houtsnijwerk uit het verleden. De actuele werken zijn gekozen als bespiegeling op de historische ambachtelijkheid in de voorgaande ruimtes en omwille van hun verwevenheid tussen kunst en wetenschap.

Na een jaar wijzigt deze opstelling en wordt de ruimte ingericht in samenwerking met Artechne, een meerjarig onderzoeksproject van de universiteiten van Utrecht en Amsterdam. Het publiek wordt er dan betrokken in een Citizen Scienceexperiment over de manier waarop wetenschappelijke en technische kennis over kunstproductie door de makers uit het verleden opgeslagen werden en hoe deze informatie door bezoekers vandaag ervaren wordt.

Het Museum Hof van Busleyden wil geen plaats zijn waar mensen, objecten en verhalen gemusealiseerd worden, maar wil ontmoetingen realiseren tussen de stad en de samenleving met zijn verhalen, objecten en mensen.

Anoniem, Besloten Hofje met H. Elisabeth, Ursula en Catharina, ca 1513, mixed media, 134 x 188,5 cm

Anoniem, Besloten Hofje met H. Elisabeth, Ursula en Catharina, ca 1513, mixed media, 134 x 188,5 cm

De besloten hofjes, absolute topstukken van het museum

De zeven Mechelse Besloten Hofjes zijn de absolute kroonjuwelen van het Museum Hof van Busleyden. Deze kostbare mixed media objecten bieden een unieke inkijk in de privédevotie tijdens de zestiende eeuw. Een Besloten Hofje bestaat uit een houten kast met beschilderde luiken waarop opdrachtgevers of patroonheiligen zijn afgebeeld. In dit kastje zijn honderden glinsterende pailletten, Agnus Dei (pauselijke wassen zegels met het Lam Gods), vergulde tinnen pelgrimsinsignes, pijpaarde of papier-pressé zegels, glazen parels, relieken en gepolychromeerde houten beeldjes (poupées de Malines) opgesteld tussen een overweldigende hoeveelheid zijden fauna en flora. Het ensemble verbeeldt een paradijselijke tuin die in enkele gevallen onderaan wordt afgesloten door een klein hekje. Het thema van de afgesloten tuin verwijst naar het oudtestamentische Hooglied. Deze Bijbelse tekst is een liefdesduet tussen een anonieme bruidegom en zijn bruid. Niet alleen beschrijft dit liefdesgedicht het samenkomen van de twee geliefden, maar eveneens het ondragelijk gemis wanneer de twee protagonisten elkaar verliezen. Om de maagdelijkheid van zijn bruid te loven, spreekt de bruidegom de volgende woorden uit: “Zusje, bruid, een besloten hof ben jij, een gesloten tuin, een verzegelde bron” (Hooglied 4:12). De vele vroegchristelijke interpretaties van deze erotisch geladen tekst hebben ervoor gezorgd dat de beeldspraak van dit duet uitgroeide tot een geliefd thema binnen de christelijke kunst. Vooral in vrouwelijke religieuze gemeenschappen was het thema bijzonder populair. Hierbij identificeerde de zusters zich met de anonieme bruid op zoek naar hun bruidegom, de zoon van God, Christus.

De grootste collectie Besloten Hofjes behoren toe aan de Onze-Lieve-Vrouwgasthuiszusters van Mechelen. Zij hebben deze curiosa vijfhonderd jaar lang weten te beschermen tegen verval en vernietiging. Toen de laatste gasthuiszusters hun woonst verlieten, gaven zij de Besloten Hofjes in langdurige bruikleen aan de Stad Mechelen. Zo kwamen ze in de collectie van Museum Hof van Busleyden terecht. In 2014 zijn acht restauratoren – ieder gespecialiseerd in een ander medium (schilderkunst, was, textiel, enz.) – aan de slag gegaan om de pracht van de Besloten Hofjes opnieuw te doen opleven. Deze conservatie- en restauratiebehandeling kwam in mei 2018 tot zijn einde en heeft gezorgd voor zeer veel nieuwe inzichten met betrekking tot de productie en het gebruik van deze stukken.

Een Besloten Hofje is een meditatief object waarbij de toeschouwer zichzelf verliest in de talloze devotionalia. Hij of zij gaat op ontdekkingsreis naar het mysterieuze paradijs waaruit de mens werd verdreven na het begaan van de ultieme zonde. Tijdens deze reis in de geest bereikt de gelovige niet enkel heilige plaatsen (met behulp van de pelgrimsinsignes) maar komt hij eveneens deugdzame heilige tegen (dankzij de relieken) en ruikt hij de zoete geur van het hemelse paradijs (vertegenwoordigd door de zijden bloemen). Tot slot, na intensieve meditatie, kan de toeschouwer het onzichtbare, het goddelijke ontmoeten. Hoewel het voor toeschouwers vandaag niet eenvoudig is om de spirituele rijkdom van deze kastjes te ervaren, is het niet moeilijk om overweldigd te worden door de veelheid en schittering van deze Besloten Hofjes. 

Zicht op de binnenkoer van het Hof van Busleyden langs de zijde van de Frederik de Merodestraat, ca. 1620, pentekening en aquarel

Zicht op de binnenkoer van het Hof van Busleyden langs de zijde van de Frederik de Merodestraat, ca. 1620, pentekening en aquarel

© STADSARCHIEF MECHELEN - WWW.REGIONALEBEELDBANKMECHELEN.BE

HET HOF VAN BUSLEYDEN DOOR DE EEUWEN HEEN

De geschiedenis van het Hof van Busleyden begint aan het einde van de vijftiende eeuw, toen Frans van Busleyden, kamerheer en opvoeder van Filips de Schone, in het gevolg van de jonge hertog naar Mechelen verhuisde. Hij vestigde zich in een ruime woning in de Koestraat, de huidige Frederik de Merodestraat. Via een tweede huisje had dit erf ook een uitgang in de Lange Biest, die tegenwoordig gekend staat als de Sint-Janstraat. Wanneer Frans in 1502 overleed, kwam dit eigendom in het bezit van zijn drie broers: Valeriaan, Gielis en Hiëronymus.

Panoramisch zicht van het Hof van Busleyden, 17de eeuw, kopergravure

Panoramisch zicht van het Hof van Busleyden, 17de eeuw, kopergravure

In 1506, twee jaar na zijn benoeming tot lid van de Grote Raad, kocht Hiëronymus zijn broers uit. Hij had nood aan een woning die bij zijn nieuwe status paste, en greep hiervoor naar de typische Bourgondische adelsarchitectuur. Aan de achterzijde van het perceel bouwde hij een nieuwe vleugel, die via een galerij verbonden werd met het huis van zijn overleden broer. In de hoek tussen beide vleugels verscheen een kleine toren met een overwelfde trappenpartij. Hiëronymus kocht ook bijna alle eigendommen gelegen tussen dit nieuwe stadspaleis en de prestigieuze Lange Biest op, waarvan hij het merendeel omtoverde tot één enorme siertuin.

Anoniem, Hof van Busleyden gezien vanuit de Koestraat (Merodestraat), eerste helft 19de eeuw, waterverf op papier, 420 x 520 mm

Anoniem, Hof van Busleyden gezien vanuit de Koestraat (Merodestraat), eerste helft 19de eeuw, waterverf op papier, 420 x 520 mm

Tot aan zijn overlijden in 1517 zou Hiëronymus zijn woning blijven verfraaien. Even later werd het pand verkocht aan Jacqueline de Boulogne, weduwe van Jean le Sauvage, grootkanselier van Karel V. Gedurende tachtig jaar bleef het complex in het bezit van deze familie, waarbij het geen grondige wijzigingen onderging. De verplaatsing van het Hof naar Brussel (1530), de ontploffing van de Zandpoort (1546) en de Spaanse en Engelse Furie (1572, 1580) hadden ertoe geleid dat Mechelen een groot deel van haar status had verloren. De adel investeerde dan ook niet veel meer in hun stadspaleizen.

Zicht op de binnenkoer van het Hof van Busleyden langs de zijde van de Sint-Jansstraat, 1875, pentekening en aquarel

Zicht op de binnenkoer van het Hof van Busleyden langs de zijde van de Sint-Jansstraat, 1875, pentekening en aquarel

De religieuze heropleving van de stad, aan het einde van de zestiende eeuw, bracht nieuwe bewoners naar het hof. In 1589 kwam het in het bezit van graaf Karel van Arenberg en Anna van Croy, een echtpaar uit de hoogste rangen van de Habsburgse elite. Zij voorzagen de bestaande traptoren van het complex, op dat ogenblik gekend als het Hof van Aarschot, van een hoge bovenbouw met impressionante torenspits, een klassiek statussymbool binnen de bourgondische adelsarchitectuur. Later breidden ze het geheel verder uit, door middel van de aankoop van twee woningen aan de noordzijde van het perceel.

Deze uitbreiding werd in 1608 grotendeels ongedaan gemaakt, wanneer het hof verkocht werd aan raadsheer Jacob van Varick en zijn vrouw Johanna Rovelasca. Zij stonden wat lager op de maatschappelijke ladder dan de vorige eigenaars, en hadden noch de middelen, noch de nood om zo’n grote residentie te onderhouden. Het echtpaar verkocht de twee woningen aan de noordzijde van het perceel, maar behield een deel van de tuinen.

Het Hof van Busleyden in november 1914: een uitslaande brand na beschietingen legde bijna het hele stadspaleis in de as

Het Hof van Busleyden in november 1914: een uitslaande brand na beschietingen legde bijna het hele stadspaleis in de as

Het pand werd in 1619 verkocht aan Wenceslas Cobergher, een econoom en architect, die er een Berg van Barmhartigheid in oprichtte. In deze instelling kon men geld lenen tegen een lage rente, in ruil voor onderpand. Ingrijpende verbouwingswerken waren nodig om het complex aan te passen aan deze nieuwe functie. Dit leidde tot het ontstaan van een nieuwe vleugel aan de noordzijde van de binnenkoer, waarin het eigenlijke pandjeshuis werd ondergebracht. Cobergher bouwde deze vleugel in dezelfde stijl als de reeds bestaande adellijke residentie, maar voorzag ze wel van de nodige beveiliging. Andere delen van het complex deden dienst als woningen voor het personeel.

De wederopbouw in na-oorlogse context verliep moeizaam, maar het stadsbestuur was vastbesloten om het gebouw in al haar glorie te herstellen, en er een stadsmuseum in onder te brengen.
Een zaal in het Stedelijk Museum ‘Hof van Busleyden’, Fr. de Merodestraat 65-67, [zd], foto

Een zaal in het Stedelijk Museum ‘Hof van Busleyden’, Fr. de Merodestraat 65-67, [zd], foto

Na enige tijd kreeg de Berg van Barmhartigheid met financiële problemen te kampen, waardoor men zich genoodzaakt zag delen van het gebouw te verhuren. De zuidvleugel van het complex bood vanaf halverwege de negentiende eeuw onderdak aan een school en muziekacademie. Het pand was rond die tijd aan grondige renovaties toe en deze werden door het stadsbestuur gefinancierd. De verscheidene romantiserende ingrepen, waarbij de bestaande architectuur aangevuld werd met ‘verbeteringen’, resulteerden in een veel homogener en pittoresker gebouwcomplex.

De restauraties waren geen lang leven beschoren. In 1914 legde een uitslaande brand, ten gevolge van een hevige beschieting, bijna het volledige complex in de as. De wederopbouw in na-oorlogse context verliep moeizaam, maar het stadsbestuur was vastbesloten om het gebouw in al haar glorie te herstellen, en er een stadsmuseum in onder te brengen. Men greep terug naar de toestand van net vóór de brand, waardoor het gebouw dat we vandaag kennen eigenlijk een reconstructie is van een geromantiseerd historisch gebouw. 

De oude apotheek in het Stedelijk Museum ‘Hof van Busleyden’, Fr. de Merodestraat 65-67, 1929, foto

De oude apotheek in het Stedelijk Museum ‘Hof van Busleyden’, Fr. de Merodestraat 65-67, 1929, foto

In 1938 opende het Hof van Busleyden haar deuren als Stadsmuseum. Dat bleef het tot het weer tijd was voor een nieuwe restauratieronde en uitbreiding met een ondergrondse exporuimte. Om tot een goed ontwerp te komen werd in 1990 een wedstrijd uitgeschreven. De voorstellen van respectievelijk David Driesen en van Hans Le Compte bevielen de jury het best. Dat van Driesen omwille van de sterke architecturale visie; dat van Le Compte omwille van het sterke museale concept. Zij kregen daarom de opdracht om samen het definitieve plan te tekenen. In 2010 werd de bouwtoelating bekomen en een aannemer aangesteld. De verbouwing kon van start gaan. De ondergrondse ruimte werd twee jaar later opgeleverd en doet vanaf dan dienst als tijdelijke tentoonstellingsruimte. In 2015 ging de tweede restauratiefase van start waarin de rest van het interieur werd aangepakt. Dankzij de erkenning als hefboomproject van Toerisme Vlaanderen, kon het Hof van Busleyden terug als Bourgondisch Stadspaleis ingericht worden.

Download hier de pdf

Museum Hof van Busleyden