Het Museum Mayer van den Bergh en het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen concipieerden een tweeluik rond twee kunstverzamelaars die hun collecties bepaald hebben: Florent van Ertborn en Fritz Mayer van den Bergh. Een verhaal over het verzamelen van schoonheid en twee persoonlijkheden met een kennersoog.

BEELDBEPALEND

De tentoonstelling is symbolisch opgedragen aan twee meesterwerken die beeldbepalend zijn voor de collectie van beide musea. Ridder Florent van Ertborn (1784-1840) verwierf Jean Fouquets Madonna omringd door serafijnenen cherubijnen (1454-1456) in Parijs. Toen het museum na Van Ertborns dood het werk erfde, bleken zijn voormalige adviseurs niet onder de indruk. ‘Wanstaltig’ en ‘afstotelijk’ luidde het scherpe oordeel. In 1894 kocht Fritz Mayer van den Bergh (1858-1901) op een Keulse veiling Pieter Bruegels DulleGriet. Het werd toen aangeboden als een ‘fantastisch land-schap met een groot aantal spookgestalten’ voor slechts 488 Belgische franken. Eén van de spraakmakendste werken van Bruegel werd op deze manier herontdekt.

Jean Fouquet, Madonna omringd door serafijnen en cherubijnen, 1454-1456, olieverf op paneel, 92 x 83,5 cm KONINKLIJK MUSEUM VOOR SCHONE KUNSTEN ANTWERPEN, INV. 132 KMSKA,

Jean Fouquet, Madonna omringd door serafijnen en cherubijnen, 1454-1456, olieverf op paneel, 92 x 83,5 cm KONINKLIJK MUSEUM VOOR SCHONE KUNSTEN ANTWERPEN, INV. 132 KMSKA,

Voor het academiemuseum, de voorloper van het KMSKA , betekende het legaat van Van Ertborn een correctie op het verzamelbeleid dat tot dan toe was gevoerd. Vooral Rubens en zijn zeventiende-eeuwse collega’s stonden op het verlang-lijstje. Zij kregen voortaan het gezelschap van een topcollectie met werk uit de veertiende tot de zestiende eeuw. Hiermee werd Rubens’ centrale rol en het dedain voor laatmiddel-eeuwse kunst bijgesteld. Of zoals Van Ertborn het zelf neerpende: “Het talent van Rubens werpt zo’n sterk licht op de Vlaamse schilderkunst en doet vergeten dat er voor die tijd ook al uitzonderlijke schilders waren. Onze vaders waren niet geïnteresseerd in de schilders die Rubens voorafgingen.”

In het geval van Fritz Mayer van den Bergh leidde zijn omvangrijke verzameling van schilderijen, sculpturen, grafiek, tekeningen, munten, handschriften, textiel, meubels en glasschilderkunst tot een van de eerste musea gewijd aan een privécollectie. Het was zijn moeder Henriëtte die na het schielijk overlijden van haar zoon in 1901 zijn integrale collectie vanaf 1904 publiek toegankelijk maakte. Ze liet een museum in neogotische stijl ontwerpen en oprichten aan de Lange Gasthuisstraat en richtte zelf de museumzalen in.

Madonna ontmoet Dulle Griet

Links: Jozef Geefs, Ridder Florent van Ertborn, burgemeester van Antwerpen, 1849, marmer 65 x 62,5 x 36,5 cm KONINKLIJK MUSEUM VOOR SCHONE KUNSTEN ANTWERPEN, INV.1067

Rechts: Jozef Janssens, Portret van Fritz Mayer van den Bergh, 1901, olieverf op doek, 82,7 x 64 cm MUSEUM MAYER VAN DEN BERGH, INV. MMB.1871.2

TWEE COLLECTIONEURS, TWEE PERSOONLIJKHEDEN

Florent van Ertborn was naast kunstverzamelaar van 1817 tot 1828 burgemeester van Antwerpen. Hij legde in die hoeda-nigheid onder andere de grondslag van het stedelijk onderwijs en bepaalde in 1823 dat het Nederlands de enige taal voor het stadsbestuur werd. Van de 106 schilderijen uit zijn legaat zijn er maar liefst 21 officieel beschermd als topstuk. Daarvan zijn er 10 op de afspraak in de tentoonstelling in Museum Mayer van den Bergh. Van Ertborn bezat dus een neus voor belangrijke kunst. Hij beschikte niet alleen over een goede intuïtie, hij verdiepte zich ook in de toen nog bijzonder duistere wereld van de laatmiddeleeuwse kunst. De leergierige Van Ertborn reisde, zag zo veel mogelijk werken en maakte aantekeningen en correspondeerde vooral met Duits kunsthistorici. In zijn testament van 1832 stipuleerde hij dat zijn collectie als een geheel in het Antwerpse academiemuseum moest gepresenteerd worden.

Fritz Mayer van den Bergh behoorde tot de hoge Antwerpse burgerij. Hij studeerde in Leuven en Gent, maar keerde na de dood van zijn vader in 1879 terug naar Antwerpen. Samen met zijn moeder Henriëtte laafde hij zich aan de passie voor kunst, archeologie en het verzamelen. Het woord ‘passie’ verbleekt bijde collectie die hij bij elkaar spaarde: 3.100 kunstvoorwerpen en 2.500 munten en penningen. Daarvan staan er 48 werken op de topstukkenlijst en zijn er nog eens 4 kandidaat om het te worden. Tien ervan zijn opgenomen in de tentoonstelling. Mayer van den Bergh had een voorkeur voor laatmiddeleeuwse en vroegmoderne, vooral religieuze, kunstwerken. De stukken die hij aankocht moesten hem raken door hun elegantie en mysticisme. De verzamelaar met romantische geaardheid hield ervan om zich te omringen met schoonheid.

Jan van Eyck, Madonna bij de fontein, olieverf op paneel, 19 x 12 cm KONINKLIJK MUSEUM VOOR SCHONE KUNSTEN ANTWERPEN, INV. 411 KMSKA

Jan van Eyck, Madonna bij de fontein, olieverf op paneel, 19 x 12 cm

KONINKLIJK MUSEUM VOOR SCHONE KUNSTEN ANTWERPEN, INV. 411 KMSKA

Mayer van den Bergh was zeer vertrouwd met de verzameling van zijn oudere collega Van Ertborn, die vanaf de jaren 1840 te bezichtigen was in een ruimte in het museum van de Academie in de Mutsaardstraat. Vanaf 1890 werd de collectie in het nieuwe KMSKA tentoongesteld. Beide, het museum en de verzameling-Van Ertborn, lagen Mayer van den Bergh nauw aan het hart en hadden invloed op zijn eigen smaak. Van Ertborn was een pionier geweest op het vlak van het verzamelen van de zogenaamde Vlaamse primitieven. Het was pas tijdens het leven van zijn jongere collega dat in België de interesse voor Van Eyck en Van der Weyden momentum kreeg, culminerend in de Brugse tentoonstelling Les Primitifs Flamands van 1902. Er werd toen ook werk van Mayer van den Bergh getoond.

Het pendantportret van Philippe de Croÿ werd in Van Ertborns tijd nog even beschouwd als een Memling en niet als een Van der Weyden. En het werk dat in de Van Ertborncollectie wel een Memling betrof, het exquise Portret van Bernardo Bembo, schreef men toe aan Antonello da Messina. Over Da Messina’s Calva-rieberg kon dan weer geen twijfel bestaan aangezien de Siciliaan het werkje had gesigneerd. Kort vóór 1835 zag Van Ertborn kans om bij de pastoor van Dikkelvenne nabij Gent één van de meest tot de verbeelding sprekende kleinoden te kopen: Jan van Eycks Madonnabij de fontein. Het is zijn laatst gedateerde en gesigneerde schilderij dat overgeleverd is.

Kalenderillustratie bij de maand december (detail) uit Breviarium Mayer van den Bergh, ca. 1500, fol. 7r MUSEUM MAYER VAN DEN BERGH, INV. MMB.0618

Kalenderillustratie bij de maand december (detail) uit Breviarium Mayer van den Bergh, ca. 1500, fol. 7r

MUSEUM MAYER VAN DEN BERGH, INV. MMB.0618

Bij Mayer van den Bergh treffen we een interesse voor de zogenaamde pre-eyckiaanse paneelschilderkunst van rond 1400. Opmerkelijk zijn twee panelen van het Antwerpen-Baltimore vierluik. Verder konden middeleeuwse sculpturen op zijn ongebreidelde aandacht rekenen en kocht hij vijf verluchte handschriften, waaronder het fameuze Breviarium Mayer van den Bergh. De 1.420 pond die hij ervoor betaalde bij Christie’s in Londen was het hoogste bedrag dat hij ooit uitgaf aan een kunstwerk. Het werd hoofdzakelijk uitgevoerd door de Maximiliaanmeester en zijn atelier, bijgestaan door Gerard Horenbout, Gerard David en de Meester van Jacobus IV van Schotland.

Anoniem, Geboorte van Jezus en Verrijzenis, twee panelen van het ‘vierluik AntwerpenBaltimore’, ca. 1380, tempera en olie, goud en zilver op paneel, 37,9 x 26,5 cm (per luik) MUSEUM MAYER VAN DEN BERGH, INV. MMB.0001

Anoniem, Geboorte van Jezus en Verrijzenis, twee panelen van het ‘vierluik AntwerpenBaltimore’, ca. 1380, tempera en olie, goud en zilver op paneel, 37,9 x 26,5 cm (per luik) MUSEUM MAYER VAN DEN BERGH, INV. MMB.0001

DE MADONNA EN DE GRIET

Jean Fouquet wordt beschouwd als de belangrijkste Franse schilder uit de vijftiende eeuw. In 1451-1452 bestelde Etienne Chevalier, die schatbewaarder van de Franse koning Karel VII was, een diptiek bij Fouquet. Het tweeluik hing ruim drie eeuwen lang in de Onze-Lieve-Vrouwekerk van Melun, een stadje ten zuidoosten van Parijs gelegen aan de oevers van de Seine. Het bevond zich boven het graf van Chevaliers vrouw, Catherine Budé. Het schilderij noemt men de Melun-diptiek, met op het ene luik de opdrachtgever Chevalier en zijn patroon de heilige Stephanus. Rechts vinden we de wereldbekende Madonna omringd door serafijnen en cherubijnen uit het KMSKA. Beide luiken zijn in 1773 van elkaar gescheiden. Het portret van de opdrachtgever vinden we nu terug in de Gemäldegalerie in Berlijn. Van Ertborn vond zijn paneel met de madonna in een kunsthandel in Parijs. Gelukkig vertrouwde Van Ertborn op zijn eigen kennersoog, want populair was het werk zoals gezegd aanvankelijk niet. Men gaf zelfs het advies om, als het dan toch getoond moest worden, het in de meest donkere hoek te hangen.

Pieter Bruegel de Oude, Dulle Griet (detail), 1563, olieverf op paneel, 117,4 x 162 cm MUSEUM MAYER VAN DEN BERGH, INV. MMB.0045

Pieter Bruegel de Oude, Dulle Griet (detail), 1563, olieverf op paneel, 117,4 x 162 cm MUSEUM MAYER VAN DEN BERGH, INV. MMB.0045

Tussen 2018 en begin 2019 was de gerestaureerde Dulle Griet nog te zien in de grootste Bruegeltentoonstelling die ooit werd gehouden. Sindsdien keerde ze terug van het Kunst-historisches Museum in Wenen naar het vertrouwde nest in Museum Mayer van den Bergh. Dat hebben we ten dele aan de eminente kunstkenner Max J. Friedländer (1867-1958) te danken. Het stuk werd tijdens de Keulse veiling van de collectie Hammer uit Stockholm toegeschreven aan Pieter de Jonge. Friedländer herkende een potentieel meesterwerk en raadde het museum van Keulen tevergeefs aan om het aan te kopen. Daarna contacteerde hij Mayer van den Bergh, die het voor een prikje meenam naar huis. De passage in Het Schilder-Boeck (1604) bracht hem zowel op het spoor van Bruegel de Oude als op het door Karel van Mander besproken schilderij: “een ‘dulle Griet’, die een roof voor de Helle doet, die seer verbijstert ziet, en vreemt op zijn schots toeghemaeckt is.” De recente restauratie door het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium bracht middels reiniging en wetenschappelijke beeldvorming aan het licht dat het schilderij niet in 1561 of 1562, maar in 1563 voltooid werd.

Hoewel ze danig van elkaar verschillen, is het geen toeval dat net deze schilderijen uitgroeiden tot twee iconen. Elk op hun eigen manier hebben ze vanuit artistiek oogpunt iets compromisloos. Ze intrigeren mateloos. Resoluut is de strakke kleurregie en compositie van de Fouquet. Even gedurfd, maar dan als antithese zijn de helse kleuren van de Bruegel die opflakkeren tegen de bruine aardekleur van voor- en middenplan. Even contrasterend zijn de gewijde verstilling van de Madonna en de verbetenheid van de drieste Dulle Griet met het overrompelende gekrioel dat haar omringt. Na al die eeuwen ademen beide schoonheid en mysterie.

Tentoonstelling

Madonna ontmoet Dulle Griet -  Van 5 oktober t.e.m. 31 december 2020 - Open: dinsdag t.e.m. zondag van 10 tot 17 uur–Gesloten: maandag - Museum Mayer van den Bergh - Lange Gasthuisstraat 19, 2000 Antwerpen - T 03 338 81 88

Download hier de pdf

Madonna ontmoet Dulle Griet - Ode aan twee kunstverzamelaars