38-12

Inleiding

Eind mei 2019 opende een van Brugges mooiste monumenten opnieuw de deuren na vijf jaar van grondige restauratie en renovatie. In het vernieuwde Gruuthusemuseum komt de Brugse geschiedenis tot leven in het verhaal van een vijfhonderdtal collectiestukken: van gotische glasramen tot majestueuze wandtapijten, van elegante houtsculpturen tot verfijnd historisch kant, van luxueuze handschriften tot een gedekte tafel met zilveren bestek en kostbaar Chinees porselein.

Boven de monumentale ingang van het paleis prijkt het devies van Lodewijk van Gruuthuse, die hier resideerde: Plus est en vous, wat zoveel wil zeggen als ‘Er zit meer in u’. Dit is ook de leidraad doorheen het museum. In de tentoongestelde objecten schuilt meer dan je op het eerste gezicht ziet. Het Gruuthusemuseum onthult de verhalen die deze eeuwenoude objecten vertellen: over de Brugse geschiedenis, de Brugse elite en de virtuoze ambachtslieden en kunstenaars, die de voorwerpen hebben gemaakt.

02+blz 1

Het resultaat van de restauratie van het Gruuthusepaleis is binnen even indrukwekkend als buiten. Het interieur dat Louis Delacenserie in de negentiende eeuw tekende, schittert weer in volle glorie. De vele (wentel)trappen en de aaneenschakeling van grote en kleine kamers maken van het museumparcours een spannende ontdekkingstocht.

Parel aan de kroon van het museum blijft de bidkapel, die dankzij een crowdfundingsactie van de Vrienden van Musea Brugge gerestaureerd werd. De bezoeker krijgt opnieuw een idee van hoe uitzonderlijk deze kapel moet geweest zijn in de vijftiende eeuw, ten tijde van Lodewijk van Gruuthuse.

Niet alleen het paleis kreeg een opknapbeurt. Ook het schilderachtige binnenplein werd in een nieuw jasje gestoken, met een hedendaags paviljoen in glas en staal dat zal dienen als centraal infopunt en ticketbalie van het Gruuthusemuseum en van de Onze-Lieve-Vrouwekerk. Met de komst van het paviljoen wordt een brug geslagen tussen oud en nieuw en krijgt het Gruuthusehof tegelijkertijd zijn intieme, gesloten karakter van weleer terug.

Inhoud

  • Van stadspaleis tot museum
  • Van verhalen en bezoekers
  • Van een stad en het water
  • Brugge, stad van verfijnd vakmanschap
  • Een blik op de stedelijke leefcultuur in Brugge
  • Praktisch
Gruuthusepaleis

VAN STADSPALEIS TOT MUSEUM

Het Gruuthusemuseum vertelt verhalen over meer dan 500 jaar geschiedenis van Brugge. Het Gruuthusepaleis is een gedroomd kader voor deze verhalen: het draagt heel wat aspecten van deze geschiedenis in zich.

Twee periodes zijn beeldbepalend voor het gebouw: de vijftiende en de negentiende eeuw. In de vijftiende eeuw, toen Brugge een bruisende internationale handelsstad was, bouwden de heren van Gruuthuse hun stadspaleis. In de negentiende eeuw onderging het gebouw een ingrijpende restauratie om het klaar te stomen voor een nieuw bestaan als museum. Het is ook in deze periode dat Brugge zich steeds meer bewust werd van haar glorierijke middeleeuwse verleden en dit als troef ging uitspelen. Vandaag bezoeken bijna zeven miljoen toeristen jaarlijks de stad. Bijna 600 jaar na de bouw van het paleis en meer dan 150 jaar na de opening van het museum, is het Gruuthusemuseum vandaag klaar voor een nieuwe fase.

EEN BOURGONDISCH STADSPALEIS

Het Gruuthusepaleis links aan de voet van de toren van de Onze-Lieve-Vrouwekerk, op de kaart van Marcus Gerards, 1562. COLLECTIE OPENBARE BIBLIOTHEEK BRUGGE

Het Gruuthusepaleis links aan de voet van de toren van de Onze-Lieve-Vrouwekerk, op de kaart van Marcus Gerards, 1562. COLLECTIE OPENBARE BIBLIOTHEEK BRUGGE

Lodewijk van Gruuthuse is waarschijnlijk de bekendste bewoner van het Gruuthusepaleis. Hij was schatrijk (door de opbrengsten uit zijn heerlijkheden en een taks op bier die de familie mocht innen), had een vooraanstaande positie (hij trad op als raadgever van de Bourgondische hertogen) en had, net als die hertogen, een uitgesproken smaak voor luxe.

De statige woning die zijn voorvaderen aan de Reie hadden gebouwd, breidt hij in het derde kwart van de vijftiende eeuw uit met een extra vleugel, waardoor het de L-vorm krijgt die het vandaag nog steeds heeft. Hij voegt ook de ruimte toe die vandaag het meest tot de verbeelding spreekt en het meest authentiek is gebleven: de bidkapel. In dezelfde periode verrijzen ook nog andere gebouwen op het domein: een gebouw op de brug over de Reie en een gebouw met een galerij en stallen langs de straatkant. Eén van de oudste afbeeldingen van het paleis, op de kaart van Marcus Gerards uit 1562, geeft een mooi totaalbeeld. Op de kaart is ook de tuin aan de overkant van de Reie te zien, en een muur die het domein aan de westzijde afscheidt van de Onze-Lieve-Vrouwekerk.

04+05

Links: Onderaan het gewelf van de bidkapel prijkt het devies van Lodewijk van Gruuthuse: Plus est en vous.

Rechts: De bidkapel van het Gruuthusepaleis

DE BIDKAPEL

De bidkapel van het Gruuthusepaleis en een van de engeltjes die de onderzijde van het gewelf sieren

Een van de engeltjes die de onderzijde van het gewelf sieren in de bidkapel van het Gruuthusepaleis 

De bidkapel, gebouwd circa 1472, verbindt het Gruuthusepaleis rechtstreeks met de Onze-Lieve-Vrouwekerk. Lodewijk en zijn echtgenote Margaretha Van Borssele konden van daaruit, met zicht op het koor, de misviering volgen. In tegenstelling tot de rest van het paleis, werd de kapel niet gerestaureerd in de negentiende eeuw. De kapel heeft haar vijftiende-eeuwse interieur bewaard. En dat interieur getuigt van een grote luxe.

De muren hebben een lambrisering van kwaliteitsvol eikenhout uit de Baltische regio. Onderzoek heeft uitgewezen dat de planken, op enkele uitzonderingen na, dateren uit de vijftiende eeuw. Op het gewelf zit een decoratie die uitzonderlijk is door zijn opbouw, die nog nergens anders is aangetroffen. De bladeren en ranken die mooi de vorm van de gewelfonderdelen volgen, zijn opgebouwd uit tinfolie en was, aangebracht op papier.

De motieven zijn verguld en omringd door een blauwe beschildering op zwarte achtergrond. Resten van deze decoratie zitten nog op het gewelf boven de bidbank. Ze werden in 2018-2019 zorgvuldig geconsolideerd en gereinigd door het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium, dat ter voorbereiding van deze ingreep uitvoerig onderzoek deed. Tot in de jaren 1950 zat deze decoratie ook op de rest van het plafond. Helaas blijven daarvan nog slechts afdrukken van de motieven op de planken over.

Onderaan het gewelf staat op een fries het devies van Lodewijk van Gruuthuse te lezen: Plus est en vous. Ook de initialen van Lodewijk en zijn echtgenote Margaretha, verbonden door een liefdesknoop, zijn afgebeeld. Gesculpteerde engeltjes ondersteunen de gewelfribben. Elk heeft een ander gezichtje, elk heeft de originele polychromie bewaard.

Het Gruuthusepaleis als Mons Pietatis (Berg van Barmhartigheid) in Antonius Sanderus’ Flandria illustrata, 1641. De functies van de verschillende onderdelen van het gebouw staan op de prent opgesomd. COLLECTIE UNIVERSITEITSBIBLIOTHEEK GENT

Het Gruuthusepaleis als Mons Pietatis (Berg van Barmhartigheid) in Antonius Sanderus’ Flandria illustrata, 1641. De functies van de verschillende onderdelen van het gebouw staan op de prent opgesomd. COLLECTIE UNIVERSITEITSBIBLIOTHEEK GENT

BERG VAN BARMHARTIGHEID

Na de dood van Lodewijk, in 1492, blijft het paleis nog iets meer dan een eeuw in handen van de familie. Dan wordt het verkocht aan de Spaanse koning die het op zijn beurt ter beschikking stelt van Wenceslas Coberger. Hij brengt er een Berg van Barmhartigheid onder, een pandjeshuis, die in 1628 de deuren opent. Tot het midden van de jaren 1870 behoudt het paleis deze functie, wat veel veranderingen aan het gebouw met zich meebrengt. Die zijn mooi af te lezen van een prent uit Sanderus’ Flandria Illustrata uit 1641.

: In 1914 maakte de Brugse edelsmid Jan Van Damme op vraag van het Oudheidkundig Genootschap zilveren draagtekens voor de suppoosten van het Gruuthusemuseum. Op de achterzijde prijkt het jaar van oprichting van het genootschap, 1865. COLLECTIE GRUUTHUSEMUSEUM BRUGGE, INV. X.O.0109-0115

In 1914 maakte de Brugse edelsmid Jan Van Damme op vraag van het Oudheidkundig Genootschap zilveren draagtekens voor de suppoosten van het Gruuthusemuseum. Op de achterzijde prijkt het jaar van oprichting van het genootschap, 1865. COLLECTIE GRUUTHUSEMUSEUM BRUGGE, INV. X.O.0109-0115

Het meest in het oog springend is de verdieping die wordt toegevoegd aan de hoofdvleugel, waarschijnlijk om de toevloed aan voorwerpen die in pand worden gegeven te kunnen stockeren. Aan de westkant van de koer verschijnen gebouwen met onder andere een verkoopzaal. De ingang met trapjes aan de hoofdvleugel verdwijnt. Voor bezoekers komt een toegang uiterst rechts aan de straatkant, aan de kant van de Onze-Lieve-Vrouwekerk. Medewerkers komen binnen langs de achterzijde van het gebouw, aan de kant van het kerkkoor. In de loop der eeuwen verrijzen aan de achterzijde en tussen de Reievleugel en de straatkant allerlei bijgebouwen. De tuin aan de overkant van de Reie en het gebouw op de brug worden in 1662 aan een privépersoon verkocht. Daar komen het huidige Arentshuis en Arentshof.

De directeur van de Berg van Barmhartigheid woont in de Reievleugel. In de hoofdvleugel zijn de bureaus en depots ondergebracht. In beide vleugels ondergaat het interieur heel wat veranderingen. Er worden bijvoorbeeld kamers binnen kamers gecreëerd.

Na bijna 250 jaar functioneren als Berg, verkeert het gebouw rond 1870 niet in florissante staat. Wanneer de stad het gebouw, op aansturen van het Oudheidkundig Genootschap van Brugge aankoopt, dringt een restauratie zich op.

Het oudheidkundig genootschap van Brugge

Op 23 maart 1865 keuren twaalf stichtende leden de statuten goed van een nieuwe vereniging: de Société Archéologique de Bruges, of het Oudheidkundig Genootschap van Brugge. Onder hen oudheidkundige James Weale, priester-dichter Guido Gezelle, rijksarchivaris Felix Hendrik d’Hoop, architect Karel Verschelde en glasraammaker Henri Dobbelaere. Het streven van het genootschap: “oudheidkundige en kunstvoorwerpen opsporen en verzamelen en deze bewaren in een openbaar museum”.

Dat museum is aanvankelijk ondergebracht in de hallen van het belfort. De zalen daar barsten na tien jaar uit hun voegen en de oudheidkundigen laten hun oog vallen op het Gruuthusepaleis, een getuige van het glorierijke verleden van de stad. Ze overtuigen het stadsbestuur om het paleis aan te kopen om er een museum van te maken.

De eerste museumobjecten worden geschonken door leden van het Genootschap. Al snel vinden ook particulieren de weg, net als het stads- en provinciebestuur. Verder kopen de leden stukken aan op veilingen en ze houden een oogje in het zeil bij archeologische opgravingen of afbraakwerken. Opvallend, maar geheel in de tijdsgeest, is dat ook gipsen afgietsels en wrijfsels van grafplaten een plaats krijgen in de collectie.

Heel wat objecten die vandaag nog schitteren in het Gruuthusemuseum werden door het Oudheidkundig Genootschap verzameld: de buste in terracotta van Karel V, het tinnen ruiterkandelaartje, de koperen grafplaat van Abel Porcket… De kantcollectie van barones Liedts wordt via bemiddeling van het Genootschap aangekocht door de stad. Wanneer de vereniging in 1955 ophoudt te bestaan, draagt zij haar hele verzameling over aan de stad.

grafplaat + karel v

Links: Conrad Meit (?), Buste van de jonge Karel V, 1520- 1530, Vlaanderen, terracotta en hout. De buste, nog steeds een pronkstuk uit de Gruuthusecollectie, werd door het Oudheidkundig Genootschap verworven in 1882. COLLECTIE GRUUTHUSEMUSEUM BRUGGE, INV. XXI.O.0004

Rechts: Grafplaat van hospitaalmeester Abel Porcket, ca. 1509, koper. De centrale scène en de varkentjes in de hoeken zinspelen op zijn naam. COLLECTIE GRUUTHUSEMUSEUM BRUGGE, INV. XI.O.0025

Delacenserie voltooide eerst de restauratie van de Reievleugel. Die is op deze foto uit 1890 afgerond, maar aan de hoofdvleugel wordt nog gewerkt. COLLECTIE STADSARCHIEF BRUGGE

Delacenserie voltooide eerst de restauratie van de Reievleugel. Die is op deze foto uit 1890 afgerond, maar aan de hoofdvleugel wordt nog gewerkt. COLLECTIE STADSARCHIEF BRUGGE

EEN MUSEUM

Gustaaf Pickery, Buste van stadsarchitect Louis Delacenserie, 1900-1909, Brugge, gips COLLECTIE GRUUTHUSEMUSEUM BRUGGE, INV. BMG.2120

Gustaaf Pickery, Buste van stadsarchitect Louis Delacenserie, 1900-1909, Brugge, gips COLLECTIE GRUUTHUSEMUSEUM BRUGGE, INV. BMG.2120

Stadsarchitect Louis Delacenserie krijgt de opdracht om het Gruuthusepaleis te restaureren. De werken duren van 1883 tot 1895. Na de restauratie is Brugge een neogotisch stadspaleis rijker.

Delacenseries restauratie is inderdaad ingrijpend en doordacht. Hij wil het paleis zijn laatgotische luister teruggeven. Sporen die hij terugvindt in het gebouw, voorbeelden uit gebouwen elders binnen en buiten Brugge, iconografische bronnen…: hij bestudeert ze allemaal en verwerkt ze in zijn plannen. Vooral de restauratie van de hoofdvleugel is ingrijpend.

De gebouwen tussen de Reievleugel en aan de achterzijde van de hoofdvleugel laat hij afbreken. De loggia, een uitbouw met balkon aan de achterzijde van de hoofdvleugel, is een toevoeging van Delacenserie, geïnspireerd op een oude uitbouw op een andere plaats. Een stuk borstwering, aangetroffen aan de achterzijde, dient als voorbeeld voor een nieuwe borstwering rondom het gebouw. De dakkapellen van de hoofdvleugel zijn een gelijkaardige toevoeging. Aan de voorzijde creëert Delacenserie opnieuw een monumentale ingang, deels geïnspireerd op de afbeelding bij Marcus Gerards. Begin twintigste eeuw wordt deze ingang bekroond met een ruiterbeeld van Lodewijk van Gruuthuse. Het torentje op de kruising van de hoofd- en de Reievleugel wordt door Delacenserie opnieuw opgetrokken zoals afgebeeld bij Gerards.

Ook binnen creëert Delacenserie een luisterrijk paleis, met een weelderig gebeeldhouwd en kleurrijk plafond in de hal, balken en balkzolen met referenties naar Lodewijk van Gruuthuse, rijkelijk uitgewerkte schouwen, nieuwe glas-inlood ramen en mooi afgewerkt schrijnwerk. Op de zolder van de hoofdvleugel laat hij de spanten beschilderen met Lodewijks devies: Plus est en vous.

Na de restauratie van het paleis wordt ook de omgeving aangepakt. Tussen 1900 en 1901 sloopt men de gebouwen langs de straatkant. Zo’n tien jaar later verrijst daar het Steenmuseum, naar een ontwerp van de ondertussen overleden Delacenserie. Aan de straatzijde oogt het gebouw gesloten, aan de paleiszijde heeft het een galerij. De westvleugel, aan de kant van de kerk, stort in 1908 in. In de loop der jaren plaatst men er  verschillende afsluitingen maar in de jaren 1950 wordt deze kant opengewerkt. In 1909 onteigent de stad Aquilin Arents de Beerteghem. Zijn woning en tuin veranderen in een publiek museum en park, vandaag het Arentshuis en het Arentshof. De tuinmuur waarachter het Gruuthusepaleis verborgen zit, wordt sterk verlaagd en het Bonifaciusbrugje gebouwd. Zo kunnen bezoekers volop van het zicht op het Gruuthusepaleis en de Onze-Lieve-Vrouwekerk genieten en ernaartoe wandelen. Wat ze tot vandaag in groten getale doen.

blz 8 links en rechts

Links: Delacenserie liet de spanten van de zolder beschilderen met het devies Plus est en vous. Deze beschildering wordt tijdens de restauratie 2014-2018 grotendeels gereconstrueerd.

Rechts: Het plaatsen van de nieuwe betonconstructie van de belvédère.

Het ontwerp voor het nieuwe onthaalpaviljoen door noAarchitecten.

Het ontwerp voor het nieuwe onthaalpaviljoen door noAarchitecten.

EEN MUSEUMSITE VOOR DE EENENTWINTIGSTE EEUW

De heropening van het Gruuthusemuseum betekent niet enkel een heringericht museum met een nieuw museumverhaal. De hele site werd aangepakt om de bezoeker optimaal te laten genieten van het paleis en zijn omgeving en een comfortabel bezoek te garanderen. Het plein werd heraangelegd. In het voormalige Steenmuseum kreeg het sanitair een plek. Daar zijn ook twee educatieve ruimtes ondergebracht. Nieuw ingebrachte vensters bieden er licht en een mooi uitzicht op het paleis.

Een nieuw onthaalpaviljoen is het sluitstuk van de hele herinrichtingscampagne. Het is opgetrokken tussen het Gruuthusepaleis en de Onze-Lieve-Vrouwekerk en bezoekers van beide sites kunnen daar hun ticket kopen. Het paviljoen is een hedendaags ontwerp van noAarchitecten maar het volgt de schaal van het gebouw dat vroeger het binnenplein afsloot. De vormgeving verwijst impliciet naar de omringende architectuur. Een blik op het verleden met het oog op de toekomst.

Restauratiecampagne 2014-2018

Van 2014 tot 2018 staat het Gruuthusepaleis in de steigers. Na de restauratie van de gevels van de hoofdvleugel in 2007, is nu de rest van het gebouw aan de beurt. Belangrijke onderdelen van de restauratiecampagne zijn: de reiniging en het herstel van de gevels van de Reievleugel, het vernieuwen van de daken en de dakgoten, de renovatie van het binnen- en buitenschrijnwerk en de restauratie van de glas-in-loodramen. De polychromie van het plafond in de hal wordt gereinigd.

Bijzonder is de restauratie van de belvédère. Delacenserie trok dit torentje opnieuw op in hout, bekleed met lood. Na enkele decennia verving een constructie van met lood bekleed beton Delacenseries torentje. Tijdens de recente restauratie bleken het beton en de bevestigingspunten van het lood in barslechte staat te verkeren. Nu prijkt een nieuwe belvédère uit beton en lood op het Gruuthusepaleis.

VAN VERHALEN EN BEZOEKERS - HET VERNIEUWDE GRUUTHUSEMUSEUM

Een schitterende collectie toegepaste kunst, verrijkt met talrijke objecten uit de ‘Collectie Brugge’. Een prachtig stadspaleis met wortels in de Bourgondische periode, gelegen in het hartje van een stad met een tot de verbeelding sprekende geschiedenis. Dit zijn de gedroomde ingrediënten voor een museum. Het vernieuwde Gruuthusemuseum brengt deze elementen samen in een boeiende cocktail voor diverse bezoekers.

EEN COLLECTIE VERTELT

: Zilveren plaquette met het wapenschild van Lodewijk van Gruuthuse, zijn devies Plus est en vous en de ketting van de Orde van het Gulden Vlies, 1461-1492. Mogelijk sierde deze plaquette een boekband. COLLECTIE GRUUTHUSEMUSEUM BRUGGE, INV. X.1974.0054

Meesterlijk gemaakte voorwerpen vertellen het verhaal van Brugs vakmanschap in de 17de en 18de eeuw.

Zilveren plaquette met het wapenschild van Lodewijk van Gruuthuse, zijn devies Plus est en vous en de ketting van de Orde van het Gulden Vlies, 1461-1492. Mogelijk sierde deze plaquette een boekband. COLLECTIE GRUUTHUSEMUSEUM BRUGGE, INV. X.1974.0054

Uitgangspunt voor de nieuwe museale presentatie is de Gruuthusecollectie. Het gaat om een fascinerende collectie toegepaste kunst: imposante wandtapijten, verfi jnde sculpturen, kleurrijke glas-in-lood ramen, prachtig afgewerkt meubilair, rijkelijk versierd porselein uit exotische landen en nog zoveel meer. Nieuw is dat objecten uit de ‘Collectie Brugge’ hun intrede doen. Schilderijen uit het Groeningemuseum, manuscripten uit de Openbare Bibliotheek en het Grootseminarie, historische documenten uit het Stadsarchief en bruiklenen uit privécollecties, kerken en kloosters vervolledigen en versterken het verhaal.

Voor elk collectiestuk in de nieuwe opstelling geldt: Plus est en vous. Het beroemde devies van Lodewijk van Gruuthuse betekent ook voor de collectie zoveel als ‘er zit meer in u’. Elk object is immers drager van verhalen over zijn ontstaan of over de context waarin het gemaakt of gebruikt werd. En omdat de objecten de leidraad zijn in dit museum, bepalen ze ook waarover het gaat: een ontdekkingstocht doorheen meer dan 500 jaar geschiedenis van Brugge.

Op de muren van de inkomhal van het Gruuthusepaleis staat nu opnieuw de steenimitatie geschilderd, zoals bedacht en uitgevoerd door Delacenserie. Rechts: Delacenserie ontwerpt een indrukwekkend versierd plafond voor de inkomhal.

Links: Op de muren van de inkomhal van het Gruuthusepaleis staat nu opnieuw de steenimitatie geschilderd, zoals bedacht en uitgevoerd door Delacenserie..

Rechts: Delacenserie ontwerpt een indrukwekkend versierd plafond voor de inkomhal.

EEN REIS DOOR DE TIJD

Het drieledige chronologische verhaal begint bij de metropool Brugge, wanneer de stad een draaischijf is van internationale handel. Ze biedt een ideale voedingsbodem voor ambachtslui en kunstenaars die streven naar verfijning en perfectie voor opdrachtgevers als de Bourgondische hertogen en hun entourage. In de zeventiende en achttiende eeuw valt de productie en het streven naar verfijnde producten niet stil. De kerk en Brugse kooplui die handeldrijven met Azië en Zuid-Amerika zijn nieuwe opdrachtgevers in een stad die blijft zoeken naar nieuwe uitwegen naar de zee. Het hoogstaande vakmanschap uit de middeleeuwen en de culturele en economische hoogtij vormen in de negentiende eeuw een inspiratiebron voor ambachtslui, historici, architecten en bestuurders. In die periode liggen de kiemen van het cultuurtoerisme van vandaag en van Brugge Zeehaven.

Binnen deze chronologie krijgen de objecten hun plaats, verspreid over maar liefst achttien museumzalen. Elke periode start met een contextzaal waar de bezoeker via filmpjes, touchscreens en doe-elementen meer te weten komt over een aantal belangrijke aspecten van die periode. In de daaropvolgende ruimtes staat de collectie centraal, gepresenteerd in nieuw meubilair dat de verfijning en hoogstaande afwerking van het gebouw reflecteert. Want het majestueuze stadspaleis zelf is, naast de collectie en de verhalen, de derde pijler van het Gruuthusemuseum.

Meubilair, bouwfragmenten, wandtapijten en kostbare kleinoden evoceren de leefcultuur in het laat-middeleeuwse Brugge.

Meubilair, bouwfragmenten, wandtapijten en kostbare kleinoden evoceren de leefcultuur in het laat-middeleeuwse Brugge.

DWALEN DOOR EEN PALEIS

En dat paleis overweldigt. De inkomhal is groots. Op de muren is opnieuw het patroon met steenimitatie aangebracht. Dit roept meteen de sfeer van de negentiende eeuw op en leidt de blik naar omhoog, naar het rijkelijk gesculpteerde plafond. Elk van de museumzalen kreeg een welgekozen, warme kleur op de muren. Het kleurenpallet is geïnspireerd op de neogotische kleuren en op sporen in het gebouw. Het is opvallend hoe ze de verfijning en de afwerking van het gebouw zoveel beter tot hun recht laten komen: de moerbalken, versierd met het devies Plus est en vous, de gebeeldhouwde balkzolen, de schouwen en het schrijnwerk vol overvloedige details… De afwisseling van kleuren versterkt ook de variatie aan ruimtes en sferen in het gebouw. De loggia, met een schitterend uitzicht op het koor van de Onze-Lieve-Vrouwekerk, biedt een fijne meerwaarde aan het bezoek, de authentieke bidkapel van Lodewijk van Gruuthuse is een hoogtepunt in het parcours.

Dit stadspaleis versterkt de museumervaring maar brengt ook beperkingen met zich mee. Elke ruimte is met een andere zaal verbonden via één of meerdere treden en smalle wenteltrappen verbinden de verschillende verdiepingen en delen van het gebouw met elkaar. In het totaal heeft de bezoeker zo’n 260 treden voor de boeg. Die complexiteit in toegankelijkheid samen met de mooi afgewerkte maar smalle deuren maken dit gebouw niet toegankelijk voor rolstoelgebruikers.

BIJZONDERE BEZOEKERSGROEPEN

Blinden en slechtzienden vinden in elke museumzaal  een voelstation

Blinden en slechtzienden vinden in elke museumzaal een voelstation

Het Gruuthusemuseum zet alles op alles om bezoekers met een sensoriële beperking optimaal te onthalen. Dankzij een beschrijvende audioguide en de vele voel-elementen krijgen bezoekers met een visuele beperking een volwaardige museumervaring. De voelstations, aanwezig in elke museumzaal, gaan in op de essentiële verhaallijn van elke ruimte en bieden verdieping over bijvoorbeeld de kaart van Marcus Gerards of de gebruikte materialen en technieken van objecten. Informatie die voor alle bezoekers interessant is. Elke bezoeker van het Gruuthusemuseum krijgt een audioguide aangeboden. Die is ook beschikbaar in gebarentaal.

De grote zolder, vroeger ‘Delacenseriezolder’ genoemd en nu omgedoopt tot Studio +, vormt een verrassende afsluiter van het museumbezoek. Deze indrukwekkende ruimte, met weer het Plus est en vous-devies op de balken, is prachtig gerenoveerd en nu voor het publiek toegankelijk. Hier kan de bezoeker zich neervlijen in de comfortabele zetels of even uitkijken over de stad die hij na zijn bezoek hopelijk met andere ogen zal bekijken. Een bibliotheek en tablets nodigen groot en klein uit verder te grasduinen in de geschiedenis van de stad en te bekijken wat er buiten de paleismuren te beleven valt. Dit is ook de ruimte waar het museum zijn participatieprojecten een plek geeft. Een uitnodigende link met de stad van vandaag en het orgelpunt van het museumbezoek.

De jongerencrew van ‘Paleisje Pimpen?’ aan het werk.

De jongerencrew van ‘Paleisje Pimpen?’ aan het werk.

Paleisje pimpen

Hoe maak je jongeren enthousiast voor een museum? Hoe overtuig je ze om mee te stappen in een kunstproject? Het project ‘Paleisje Pimpen?’ liet een groep jongeren tussen 16 en 24 jaar participeren aan de museumwerking.

Samen met de Batterie, een kunsteducatieve organisatie uit Brugge, zette Musea Brugge een co-creatieproces op poten, op maat van een eigen jongerencrew. In samenwerking met vier professionele kunstenaars gaven de jongeren hun visie op de Gruuthusecollectie vorm in foto, installatie, video en geluid. Daarbij waren jongeren en kunstenaars elkaars gelijken. De jongeren gaven het startschot en doken in de collectie. De kunstenaars anticipeerden en dachten mee. Het museum zorgde ervoor dat zij optimaal de kans kregen om hun ideeën ook uit te voeren. De jongeren beslisten hoe hun interpretatie vorm moest krijgen. Het resultaat is één kunstwerk dat te zien is in Studio +, de afsluitende zaal van het museumparcours.

‘Paleisje Pimpen?’ is een beginpunt. Het project wil de motor en katalysator zijn voor de uitbouw van de participatieve werking van Musea Brugge. Het wil de basis zijn voor een duurzame jongerenwerking die jongeren op langere termijn bindt aan Musea Brugge en haar locaties. Tegelijk wil het museummedewerkers aanzetten om ook met andere doelgroepen een participatief traject uit te bouwen. Food for thought and action de komende jaren.

Op de kaart van de Zwinstreek uit 1501, gemaakt in opdracht van het stadsbestuur, geeft Jan de Hervy de steden en dorpen maar vooral de voorhavens, waterwegen, sluizen en dijken weer.

Op de kaart van de Zwinstreek uit 1501, gemaakt in opdracht van het stadsbestuur, geeft Jan de Hervy de steden en dorpen maar vooral de voorhavens, waterwegen, sluizen en dijken weer.

Collectie Gruuthusemuseum Brugge, inv. 0000.GRO1382.I

VAN EEN STAD EN HET WATER

Hoe vaak is Brugge niet ‘het Venetië van het Noorden’ genoemd? Dat mag niet verwonderen: wie door de straten dwaalt, komt steeds opnieuw het water van de Reie tegen, en veel bruggen. Ook in rijkdom en handelsactiviteiten deden de twee steden niet onder voor elkaar. En zelfs vandaag gaat de vergelijking nog op: beide steden worden overspoeld door toeristen.

Toegang tot de zee.

Brugge dankt zijn bloei en welvaart aan de uitstekende ligging op het kruispunt van water- en landwegen. Met de grote stormvloed in 1134 krijgt Brugge een gemakkelijke toegang tot de zee. Er ontstaat een zeearm, het Zwin, waarlangs zeeschepen tot aan Damme kunnen varen. Daar worden de goederen overgeladen op kleinere schepen die verder varen tot in de binnenstad. De kaart van Jan de Hervy uit 1501 geeft, hoewel niet helemaal exact, een beeld van het Zwingebied en de verschillende voorhavens.

Detail van de gedrukte kaart van Marcus Gerards. COLLECTIE OPENBARE BIBLIOTHEEK BRUGGE

Detail van de gedrukte kaart van Marcus Gerards. COLLECTIE OPENBARE BIBLIOTHEEK BRUGGE

De Zwinarm is de levensader van de Brugse economie. Maar het in stand houden ervan is een strijd tegen de natuurelementen. Tot het einde van de zestiende eeuw volhardt men in het uitbaggeren. Ondertussen worden er ook andere initiatieven genomen, zoals het graven van de Verse Vaart in het tracé van het Oude Zwin tot net voorbij Damme. Toch volgt in 1604 de doodsteek: dan verliest de stad haar belangrijkste voorhaven, Sluis, aan de Noordelijke Nederlanden, die zich hebben afgescheiden van de Zuidelijke Nederlanden.

De kaart van Marcus Gerards

Marcus Gerards is een zestiende-eeuwse schilder en graveur. In 1561 krijgt hij de opdracht van het stadsbestuur om een plan van Brugge te tekenen. Het bestuur vraagt hem om de waterwegen breder te tekenen dan ze in werkelijkheid zijn. Zo zal Brugge nog steeds vlot bereikbaar lijken van op zee. Gerards voert de opdracht uit zoals gevraagd en graveert een zeer korte zeearm in verhouding tot de grootte van de stad.

Marcus Gerards is geen cartograaf. Het is dan ook een huzarenstukje dat hij op een jaar tijd dit meesterwerk aflevert. De kaart is in spiegelbeeld gegraveerd in tien koperen drukplaten. Niet alle details zijn correct, maar de kaart geeft toch een goed en indrukwekkend beeld van hoe Brugge er in de zestiende eeuw uitzag. Wie de kaart tot in het kleinste detail wil bekijken en bevragen, kan terecht op

De koperplaten met de kaart van Brugge, gegraveerd door Marcus Gerards, 1562, Brugge COLLECTIE GRUUTHUSEMUSEUM BRUGGE, INV. BMG.0565

De koperplaten met de kaart van Brugge, gegraveerd door Marcus Gerards, 1562, Brugge COLLECTIE GRUUTHUSEMUSEUM BRUGGE, INV. BMG.0565

Pieter Claeissens I, De zeven wonderen van Brugge, ca. 1550-1560, Brugge PRIVÉCOLLECTIE

Pieter Claeissens I, De zeven wonderen van Brugge, ca. 1550-1560, Brugge PRIVÉCOLLECTIE

De zeven wonderen van Brugge

Het schilderij SEPTEM ADMIRATIONES CIVITATIS BRUGENSIS of De Zeven Wonderen van de Stad Brugge, wordt toegeschreven aan Pieter Claeissens I en is te dateren tussen 1550-1560, waarschijnlijk vóór 1556. Hoewel dit geen realistische weergave van Brugge is, zijn verschillende gebouwen toch te herkennen: rechts de Stadshallen en het belfort, links de bakstenen toren van de Onze-Lieve-Vrouwekerk met het Paradijsportaal in witte zandsteen en centraal in beeld de langgerekte Waterhalle. Op het tweede plan staan van links naar rechts de Poortersloge, het Huis de Zeven Torren met Huis ’t Fransch Schild en het Oosterlingenhuis. Het zevende gebouw, het Waterhuis, staat links voor de Onze-Lieve-Vrouwetoren. Naast de indrukwekkende architectuur van de stad is ook de handel een centraal thema. Heel wat mensen zijn bezig met handel drijven en links boven op het schilderij worden er tonnen verplaatst met een kraan.

Een 15de-eeuwse miniatuur uit de Excellente cronike van Vlaenderen met Maria van Bourgondië te paard. COLLECTIE OPENBARE BIBLIOTHEEK BRUGGE

Een 15de-eeuwse miniatuur uit de Excellente cronike van Vlaenderen met Maria van Bourgondië te paard. COLLECTIE OPENBARE BIBLIOTHEEK BRUGGE

SPEKTAKELSTAD

De sleutelpositie in de handelsroutes over land en zee legt Brugge geen windeieren. De stad groeit uit tot een welvarende wereldstad, met prachtige gebouwen. Deze kosmopolitische stad oefent aantrekkingskracht uit op de jonge dynastie van Bourgondische hertogen die regelmatig in Brugge resideren. Zij tonen graag hun rijkdom en macht met hun rijkelijke levensstijl en met grootse feesten, toernooien en blijde intredes. Deze gebeurtenissen maken veel indruk en worden overgeleverd in geschriften, zoals de prachtig geïllustreerde Excellente Cronike van Vlaenderen. Lodewijk van Gruuthuse is raadgever en vertrouweling van de hertogen. Hij meet zich graag aan hun rijkdom en prestige, daarvan getuigt zijn Gruuthusepaleis. Ook Lodewijk bouwt mee aan de spektakelstad Brugge.

DE ZOEKTOCHT NAAR DE ZEE

Via een ambitieus kanalenplan zoekt en vindt Brugge in de zeventiende eeuw opnieuw een verbinding met de zee. Nieuwe kanalen verbinden Brugge met Gent en de kleinere steden aan de Leie en Schelde en met de zeehavens van Oostende, Nieuwpoort en Duinkerke. Vanaf 1665 kunnen schepen aanleggen in de Handelskom nabij de Dampoort. De Handelskom wordt uitgebouwd met kades, scheepswerven en opslagruimtes. Brugge heeft weliswaar haar rol verloren als knooppunt in het internationale handelsverkeer, maar blijft toch een belangrijke schakel in de doorvoer naar en uit het binnenland. Deze bescheiden maritieme heropleving geeft ook de verwerkende nijverheden in de stad weer zuurstof.

Ondernemende Brugse zakenlui proberen een graantje mee te pikken van de koloniale handel en keren na verloop van tijd terug als gefortuneerde burgers, met uitgebreide handelscontacten. Op zoek naar nieuwe mogelijkheden, verleggen avontuurlijke ondernemers uit Brugge, Antwerpen en Oostende letterlijk hun grenzen: ze drijven handel met de kolonies in het Verre Oosten (‘Oost-Indië’). Oostende fungeert daarbij als thuishaven.

2 glasramen

Jan de Rynghele (en Jan Lormier?), Twee glasramen van het Brugse stadhuis, 1409−1410, Brugge, glas-in-lood. COLLECTIE GRUUTHUSEMUSEUM BRUGGE, INV. XXII.O.0082-84

De glasramen van het stadhuis

De glasramen waarop engelen dartelen, zijn een zeldzaam voorbeeld van vroeg vijftiende-eeuws Vlaams gebrandschilderd glas. Ze zijn afkomstig uit het Brugse stadhuis waar de hoge vensters versierd zijn met gotisch maaswerk en visblaasvormige glasramen. Hun artistieke kwaliteit is uitzonderlijk hoog. Hoogstwaarschijnlijk werden de motieven ontworpen door pre-eyckiaanse schilders en vervolgens uitgevoerd door een Brugse glasschilder en/of glazenier. De glasramen worden gedateerd rond 1400 en gelinkt aan de opvolgers van glazenier Christiaan van de Voorde, Jan de Rynghele en Jan Lormier. Ze kregen onlangs een plaats op de Vlaamse topstukkenlijst.

Anonieme meester, Portret van Guillaume De Brouwer en zijn gezin in zijn handelskantoor, 1745-1755, olieverf op doek. COLLECTIE GROENINGEMUSEUM BRUGGE, INV. 0000.GRO1291.I

Anonieme meester, Portret van Guillaume De Brouwer en zijn gezin in zijn handelskantoor, 1745-1755, olieverf op doek. COLLECTIE GROENINGEMUSEUM BRUGGE, INV. 0000.GRO1291.I

Portret van Guillaume de Brouwer en zijn gezin

Een Bruggeling die zijn plek opeist op het nieuwe handelstoneel is Guillaume de Brouwer (1693-1767). Een anoniem Brugs schilderij van rond 1750 toont hem samen met zijn gezin in zijn handelskantoor. De Brouwer stamt uit een Oostendse zeeliedenfamilie en werkt zich op van matroos tot kapitein in de verre handel met Afrika, Indië en China. Voor de Oostendse Compagnie, opgericht in 1722, vaart hij tweemaal naar Kanton. Tijdens deze reizen vergaart hij een niet onaardig kapitaal met private theehandel. Na zijn maritieme loopbaan bouwt hij een handelshuis en rederij op in Oostende. In 1744 verhuist Guillaume de Brouwer naar Brugge en breidt zijn handelsactiviteiten uit naar Frankrijk en Spanje. In 1755 laat hij de leiding van zijn firma over aan zijn twee oudste zonen, die zich voornamelijk richtten op de handel met Franse en Spaanse havens. Naast wijn en brandewijn importeren zij ook veel koloniale producten naar Oostende en Brugge, zoals suiker, koffie en tabak.

Matthias de Visch, Portret van bisschop Van Susteren, 1740, olieverf op doek. COLLECTIE GROENINGEMUSEUM BRUGGE, INV. 000.GRO0576.I

Matthias de Visch, Portret van bisschop Van Susteren, 1740, olieverf op doek. COLLECTIE GROENINGEMUSEUM BRUGGE, INV. 000.GRO0576.I

Portret van bisschop van Susteren

Het portret van Hendrik-Jozef van Susteren (1668-1742) toont deze bisschop van Brugge als een echte kerkvorst. Na de godsdienstoorlogen tussen katholieken en protestanten is de katholieke kerk strijdvaardig en stelt haar geloof ten toon. Daarbij horen indrukwekkende gebouwen en barokkunst. De kerk wordt een belangrijke opdrachtgever voor schilderijen, glasramen, zilver- en goudwerk, meubels, houtsnijwerk… Ambachtslui en kunstenaars in Brugge en elders krijgen weer de kans hun kunnen te tonen.

deurnaald + tafereel

Links: Bovenaan deze eikenhouten deurnaald staat de heilige Petrus afgebeeld. Zijn gezicht wordt waarschijnlijk weggekapt tijdens de religieuze troebelen in de 16de eeuw. De deurnaald, uit 1460-1566, is afkomstig uit de voormalige Sint-Donaas- of uit de Sint-Salvatorskathedraal. COLLECTIE GRUUTHUSEMUSEUM BRUGGE, INV. V.O.0227

Rechts: Tafereel met Kaïn en Abel op een barokke, eikenhouten kast uit 1651-1700. COLLECTIE GRUUTHUSEMUSEUM BRUGGE, INV. VII.O.0023

KLOOSTERSTAD

Brugge wordt in de zeventiende eeuw een echte kloosterstad. Na de religieuze spanningen tijdens de tweede helft van de zestiende eeuw, waarbij heel wat kerken en kloosters worden vernield, keren de kloosterlingen terug naar hun verlaten of verwoeste klooster in de stad. Daarnaast verkiezen ook veel religieuze huizen het platteland rond Brugge te verlaten om opnieuw te beginnen binnen de veilige stadsmuren. Bij de nieuwkomers horen de monniken van de Duinenabdij. Zij brengen hun abdij en bijhorende rijkdom in 1627 over van Koksijde naar Brugge. Volgens een telling in 1748 verblijven in Brugge niet minder dan 33 kloosterorden. Zij tellen samen 863 leden. De geestelijken maken 4,2% van de beroepsbevolking uit, wat in vergelijking met andere steden vrij veel is.

Affiche van de tentoonstelling over de Orde van het Gulden Vlies, een van de evenementen naar aanleiding van de inhuldiging van de zeehaven. COLLECTIE STADSARCHIEF BRUGGE

Affiche van de tentoonstelling over de Orde van het Gulden Vlies, een van de evenementen naar aanleiding van de inhuldiging van de zeehaven. COLLECTIE STADSARCHIEF BRUGGE

Affiche Brugge zeehaven

De Zeehaven, dat is de heropleving van Brugge. Dat idee wordt meer dan eens in de verf gezet tijdens de officiële ingebruikname van de haven en de feestweek van 21 tot 29 juli 1907. De stad spaart geld noch moeite voor het welslagen van dit feest met internationale allure. Het hoogtepunt is de plechtige inhuldiging van de nieuwe haven in aanwezigheid van koning Leopold II, prinses Elisabeth en prins Albert. De koning bevestigt de teneur van de welkomsttoespraak van de burgemeester: ‘De stad Brugge, getrouw aan hare overlevering, zich haar verleden herinnerende, wil voor zich zelf een nieuw tijdvak van welvaart en luister.’ Naast het officiële gedeelte zijn er talrijke evenementen die het luisterrijke verleden van Brugge in beeld brengen. Tijdens de zomermaanden van 1907 wordt in Brugge de tentoonstelling over de Orde van het Gulden Vlies gehouden, in de feestweek gaat een historische stoet uit en zijn er middeleeuwse steekspelen. Ook het maritiem gedeelte met een indrukwekkende vlootparade, spreekt tot de verbeelding.

De stad Brugge, getrouw aan hare overlevering, zich haar verleden herinnerende, wil voor zich zelf een nieuw tijdvak van welvaart en luister.
Met een affiche kondigt het stadsbestuur de feestelijkheden voor de inhuldiging van de zeehaven aan. COLLECTIE STADSARCHIEF BRUGGE

Met een affiche kondigt het stadsbestuur de feestelijkheden voor de inhuldiging van de zeehaven aan. COLLECTIE STADSARCHIEF BRUGGE

BRUGGE ZEEHAVEN

Op economisch en sociaal vlak ziet de situatie er voor Brugge in de negentiende eeuw niet positief uit. Vanaf 1850 worden verschillende pogingen ondernomen om Brugge op industrieel en commercieel vlak weer enige betekenis te geven. Maar de stad is moeilijk bereikbaar. Het kanaal Brugge-Oostende, een belangrijke verbinding met de zee, wordt onder meer door verslijking steeds moeilijker bevaarbaar. Ook de verbinding met Gent, via het kanaal naar Terneuzen, biedt geen voldoende oplossing. Hoe dit aanpakken? Men begint op een planmatige manier na te denken over het handelsverkeer over water. De zee speelt daarbij een belangrijke rol. Het project Brugge Zeehaven is geboren. Het realiseren van dit ambitieuze project vergt vele jaren. In 1866 werkt de Gentse ingenieur August de Maere een eerste idee uit. Brugge omarmt het plan meteen en ziet het als dé mogelijkheid om de armoede te verminderen en de handel en industrie te doen heropleven. In 1895 wordt uiteindelijk het plan van de ingenieurs Coiseau en Cousin goedgekeurd. De nationale politiek en koning Leopold II erkennen het belang van een diepzeehaven. Tien jaar later vaart, onder een massale volkstoeloop, het eerste schip de haven binnen.

Het nieuwe, neogotische Provinciaal Hof op de Markt, gedeeltelijk voltooid in 1902. Een massa volk is toegestroomd om het bezoek van prins Albert en prinses Elisabeth aan de tentoonstelling Les Primitifs Flamands mee te maken. COLLECTIE STADSARCHIEF BRUGGE

Het nieuwe, neogotische Provinciaal Hof op de Markt, gedeeltelijk voltooid in 1902. Een massa volk is toegestroomd om het bezoek van prins Albert en prinses Elisabeth aan de tentoonstelling Les Primitifs Flamands mee te maken. COLLECTIE STADSARCHIEF BRUGGE

NEOGOTIEK EN TOERISME

De negentiende eeuw is voor Brugge in nog meer opzichten een ingrijpende tijd. De keuzes van toen bepalen ook vandaag nog het beeld van de stad. In de loop van de negentiende eeuw krijgt de neogotiek als bouwstijl in Brugge de voorkeur. De stijl verwijst naar de roemrijke, gotische middeleeuwen en de promotie komt ook uit katholieke hoek met prominente pleitbezorgers, zoals James Weale en Adolf Duclos. De Britten Augustus Welby Pugin en Thomas King bieden met hun publicaties volop inspiratie. Een belangrijke fi guur voor de Brugse neogotiek is Louis Delacenserie, van 1870 tot 1892 stadsarchitect van Brugge. Hij ontwerpt belangrijke nieuwbouwprojecten in de stad, zoals het Provinciaal Hof en het Postgebouw op de Markt en de Rijksnormaalschool in de Sint-Jorisstraat. Daarnaast voert hij belangrijke restauraties uit, onder andere van de Griffie van het Brugse Vrije, de Heilige Bloedkapel, het stadhuis én het Gruuthusepaleis. Het belang van de neogotiek wordt versterkt door de beweging van het opkomende toerisme, en omgekeerd. Bij de ontwikkeling van Brugge als toeristische stad speelt de ‘ontdekking’ van Brugge door de Engelsen bij het begin van de negentiende eeuw een belangrijke rol. Op bedevaart naar Waterloo passeren zij met de trekschuit vanuit Oostende langs Brugge en houden hier vaak halt. Het gaaf bewaarde middeleeuwse stratenpatroon, het pittoreske straatbeeld, de historische monumenten en de rust spreken hen aan. De toenemende mobiliteit via een Europees spoorwegennet creëert een extra stimulans. Ook publicaties hebben een grote impact: reisgidsen, reisverhalen, publicaties van prenten en foto’s, literaire verhalen… Een roman als Bruges-la-morte (1892) van Georges Rodenbach zorgt voor een toename van Franse bezoekers en bepaalt voor een lange periode mee het beeld van Brugge.

De titelpagina van de vierde druk van James Weale’s toeristische gids voor Brugge, 1884. COLLECTIE BIBLIOTHEEK MUSEA BRUGGE, INV. X A513

De titelpagina van de vierde druk van James Weale’s toeristische gids voor Brugge, 1884. COLLECTIE BIBLIOTHEEK MUSEA BRUGGE, INV. X A513

Toeristische gidsen

De Britten spelen ook een belangrijke rol in de promotie van Brugge via hun publicaties. James Weale publiceert in 1862 de stadsgids Bruges et ses environs. Ook Octave Delepierre, consul in London, promoot met zijn Album pittoresque de Bruges (1837) en Guide dans Bruges (1840) de stad onder de Engelsen. Het zijn in eerste instantie individuen die Brugge als toeristische bestemming promoten, na de Britten ook Bruggelingen, zoals Adolf Duclos, Octave Delepierre en de familie Daveluy. In 1883 publiceert Duclos bijvoorbeeld de reisgids Bruges en trois jours. Daarin geeft hij naast een beschrijving van de bezienswaardigheden ook een praktische adressenlijst mee: van het postkantoor tot de boekhandels, van restaurants en hotels tot de stopplaatsen van de rijtuigen, van de banken tot de kantverkopers. Vanaf 1880 promoten verenigingen zoals Brugge-Nuremberg, Brugge-voorwaarts en Die Roya de stad. In laatste instantie neemt de stad zelf het initiatief.

BRUGGE, STAD VAN VERFIJND VAKMANSCHAP

In het streven naar verfijnd vakmanschap heeft Brugge een eeuwenlange traditie. In de middeleeuwen worden de stoffen uit Brugge en Vlaanderen geprezen om hun rijkelijke uitzicht, hun degelijkheid en fijnheid. Wanneer de Vlaamse lakenindustrie in de vijftiende eeuw meer en meer concurrentie krijgt van andere steden en regio’s, legt Brugge zich toe op een meer gediversifieerde handel en productie van luxeartikelen. De paneelschilderkunst van de Vlaamse Primitieven is alom bekend, maar Brugge blinkt ook uit in de edelsmeedkunst, de diamantnijverheid, de productie van wandtapijten en verluchte handschriften.

LUXEPRODUCTEN

De positie van Brugge als handelsmetropool is een belangrijke motor voor deze luxenijverheden.  Maar ook de aanwezigheid in de stad van een kunstminnende elite, die waardering heeft voor artistieke virtuositeit, moedigt de ambachtsmeesters aan om te excelleren en het beste uit zichzelf te halen. Een anonieme dichter hanteert in het Gruuthusehandschrift (1395-1408) hiervoor de term const. Const overstijgt het puur ambachtelijke.

Resten van amberbewerking, opgegraven in de Jeruzalemstraat, 1375-1425. COLLECTIE RAAKVLAK

Resten van amberbewerking, opgegraven in de Jeruzalemstraat, 1375-1425. COLLECTIE RAAKVLAK

Het komt ook voort uit de inventiviteit, de artistieke prestatie en de inzet van de kunstenaar of ambachtsmeester. De Brugse bovenlaag van patriciërs, handelaars, bankiers, makelaars en geestelijken houdt van een rijk en verfijnd leven. Hun stadspaleizen en gebruiks- voorwerpen zetten hun prestige en sociale status in de verf en getuigen van een streven naar zelfverheffing. Lodewijk van Gruuthuses devies Plus est en vous drukt dit heel treffend uit. Inspiratie haalt de Brugse elite uit de Bourgondische hofcultuur. De hertogen van Bourgondië creëren met hun luisterrijke hofleven, spectaculaire feesten en opdrachten aan kunstenaars en ambachtslieden een ware spektakelstaat. Mannen als Lodewijk van Gruuthuse, Pieter Bladelin en Joos de Bul, die tot de toplaag van het Bourgondisch Brugge behoren, imiteren volop de smaak en het uiterlijk vertoon van het hertogelijke hof.

Ambervondsten

Tijdens opgravingen in de Jeruzalemstraat en de Rijkepijndersstraat in Brugge vinden archeologen kralen in amber of barnsteen en resten van amberbewerking. De amber, die zij aantreffen, behoort tot de meest kostbare soort: de doorzichtige amber. Brugge is in de middeleeuwen een van de weinige steden waar amber bewerkt wordt. Amber wordt in die periode vooral gebruikt om kralen te maken voor rozenkransen (paternosters). In 1420 zijn 70 meesters en meer dan 300 leerlingen aangesloten bij het Brugse paternostermakers-ambacht. Wanneer in 1454 de Duitse orde, die de amberhandel controleert, de export naar Brugge stopzet, zijn de paternostermakers genoodzaakt om te verhuizen of over te gaan op ivoorbewerking.

De openingsillustratie van Mansions Ovide moralisé, met de ontmanning van Saturnus. Tekst en illustratie zijn gedrukt, de randversiering is met de hand uitgevoerd. Deze vroege druk (1484) inspireert zich volledig op de luxueuze handschriften uit de Bourgondische periode. Het colofon vermeldt Mansion als drukker. Eronder prijkt zijn drukkersmerk. COLLECTIE OPENBARE BIBLIOTHEEK BRUGGE

De openingsillustratie van Mansions Ovide moralisé, met de ontmanning van Saturnus. Tekst en illustratie zijn gedrukt, de randversiering is met de hand uitgevoerd. Deze vroege druk (1484) inspireert zich volledig op de luxueuze handschriften uit de Bourgondische periode. Het colofon vermeldt Mansion als drukker.

Eronder prijkt zijn drukkersmerk. COLLECTIE OPENBARE BIBLIOTHEEK BRUGGE

Verluchte handschriften en vroege drukken

Brugge is een van de weinige steden ten noorden van de Alpen met een librariërsgilde. Deze gilde verenigt alle mensen die bij het maken van een boek zijn betrokken: boekbinders, miniaturisten, scriptoren, makelaars… Het boekenbedrijf draait op volle toeren in laat-middeleeuws Brugge. De in de stad geproduceerde boeken vinden hun weg naar alle windstreken. Middenin dit boekenbedrijf staat Colard Mansion, actief als boekondernemer van 1457 tot 1484. Aanvankelijk richt hij zich op de productie van handgeschreven boeken of manuscripten. Ze vinden gretig afzet bij de entourage van het Bourgondische hof. Een van de edellieden die bestellingen plaatst bij Mansion, is Lodewijk van Gruuthuse.

Vanaf 1476 produceert Mansion ook gedrukte boeken. In 1484 realiseert hij een meesterwerk: de Ovide moralisé, een vrije Franse bewerking van Ovidius’ Metamorphosen, rijkelijk geïllustreerd met houtsneden. De Ovide moralisé is zonder twijfel een hoogtepunt én eindpunt van het Bourgondische gedrukte luxeboek in Brugge. Na 1484 is immers geen spoor meer te bekennen van Colard Mansion. De Ovide moralisé en de vijftien andere incunabelen van Mansion uit de collectie van de Openbare Bibliotheek zijn als Vlaamse topcollectie erkend.

drukkersmerk

EEN STAD TOONT ZICH

Ook de stad zelf wil zich tonen. Grote infrastructuurprojecten, zoals het belfort, het stadhuis, de Waterhalle en de stadspoorten dragen de stedelijke macht en zelfstandigheid uit. Deze bouwwoede lokt bekwame ambachtslieden van heinde en ver naar de stad. Het Brugse stadshuis, gebouwd rond 1400, is een van de oudste stadhuizen in de Nederlanden. Later volgen nog de stadhuizen van Brussel, Gent en Leuven.

VAKMANSCHAP IS MEESTERSCHAP

De wandtapijten, heiligenbeelden, altaarstukken, glasramen, handschriften, edelsmeedkunst… in het Gruuthusemuseum zijn een toonbeeld van zelfbewust meesterschap. Het streven naar kwaliteit en gedegen vakkennis staat neergeschreven in de reglementen van de Brugse ambachtsgilden, die mensen met eenzelfde beroep verenigen. Aansluiten bij een ambachtsgilde is verplicht. Anders kan een ambachtsman geen zelfstandig meester worden. De ambachtsgilden controleren wie in de stad een beroep mag uitoefenen én verzekeren ook de kwaliteit van de producten. Veel voorwerpen in het Gruuthusemuseum dragen het zegel of keurmerk van de stad Brugge of een Brugse ambachtsgilde. Dit teken geldt als een waarborg dat de producten voldoen aan de kwaliteitsnormen, die de ambachtsgilde heeft opgelegd.

Ook na de hoogdagen als internationale handelsstad leeft in Brugge de traditie van verfijnd vakmanschap voort. De creaties van kunstenaars en ambachtslieden vinden hun weg naar welvarende burgers en edellieden, kerken en kloosters, die op zoek zijn naar passende decoratie voor hun nieuwe of vernieuwde interieurs. Ook de vele verenigingen, zoals de ambachten, schutters- en schermersgilden, rederijkerskamers, godsdienstige confrérieën en culturele genootschappen, willen hun prestige uitdrukken met mooi ingerichte ontmoetingsruimtes en kunstig vervaardigde kentekens.

Zowat alle kunstambachten zijn in Brugge goed vertegenwoordigd: kantwerk, broderie, goud- en zilversmederij, brons-, koper- en tingieterij, schrijnwerkers en meubelmakers, uurwerkmakers en orgelbouwers. Zij laten een rijke erfenis na, die vandaag nog te ontdekken is in de vele Brugse kerken, historische gebouwen en musea. Vooral de Brugse meubel- en edelsmeedkunst zijn goed vertegenwoordigd in het Gruuthusemuseum.

Een van de kraagstenen van het Brugse stadhuis. Het tafereel stelt Tristan en Isolde voor. Isolde wijst haar geliefde Tristan op de aanwezigheid van haar man, koning Mark, die in een boom verstopt zit. COLLECTIE GRUUTHUSEMUSEUM BRUGGE, INV. VI.O.0129

Een van de kraagstenen van het Brugse stadhuis. Het tafereel stelt Tristan en Isolde voor. Isolde wijst haar geliefde Tristan op de aanwezigheid van haar man, koning Mark, die in een boom verstopt zit. COLLECTIE GRUUTHUSEMUSEUM BRUGGE, INV. VI.O.0129

De kraagstenen van het stadhuis

Het Gruuthusemuseum bezit zestien van de oorspronkelijke zandstenen kraagstenen en vijf glasramen van het stadhuis. Zij geven een indruk van de rijke aankleding van het gebouw en van het meesterschap van hun makers. Bijzonder aan de kraagstenen is dat de maker bekend is, een zeldzaamheid voor veertiende-eeuwse sculptuur. Zijn naam luidt Jan van Valenciennes en zijn atelier produceert de kraagstenen tussen 1376 en 1379. Nadat de beelden en kraagstenen van het stadhuis gekapt zijn, worden ze beschilderd. Een van de belangrijkste meesters die in 1435 opdracht krijgt voor het vergulden en beschilderen van zes beelden van de graven van Vlaanderen, is niemand minder dan Jan van Eyck. Brugs vakmanschap wordt ook elders geapprecieerd. Vanaf 1394 is Jan van Valenciennes actief in Palma de Mallorca. Hij beeldhouwt er sculpturen voor de kathedraal.

Gildezilver

Staaltjes van vakmanschap zijn de zilveren borst- en fl ambeeuwschilden, die de gilden meedragen in processies, begrafenisstoeten en bij feesten. Dergelijke rituelen en hun bijhorende attributen moeten de rijkdom, onafhankelijkheid en collectieve identiteit van de gilden onderstrepen. Opvallend is dat de meest pronkerige schilden dateren uit de achttiende eeuw. De gilden lijken krampachtig hun positie in de samenleving te willen bekrachtigen, op een moment dat hun macht en aanzien tanend zijn. Alle schilden dragen merktekens van Brugse zilversmeden.

gildezilver + slot

Rechts:  Groot schild van de Brugse schoenmakers en leerbewerkers, met in het centrum een gekroonde laars geflankeerd door de patroonheiligen Crispinus en Crispianus, 1760- 1775, zilver, koper en goud. COLLECTIE GRUUTHUSEMUSEUM BRUGGE, INV. X.O.0081

Links:  Franciscus De Vooght, Meesterproef: slot en sleutel, 1794, Brugge, staal en smeedijzer. COLLECTIE GRUUTHUSEMUSEUM BRUGGE, INV. XIV.O.0535

Een slot als meesterproef

Om een beroep te mogen uitoefenen, moet een leerling zijn kunde bewijzen door een meesterproef te maken. Het stalen slot van Franciscus De Vooght is zo’n meesterproef. Met dit vernuftige slot in hoogwaardig staal bewijst De Vooght in 1794 dat hij zijn vak goed beheerst. Maar de timing kon beter. In datzelfde jaar valt het Franse revolutionaire leger Vlaanderen binnen. De nieuwe machthebbers schudden de samenleving stevig door elkaar. In 1798 schaft het nieuwe regime het systeem van ambachten en gilden af. Dit betekent ook het einde van de meesterproef.

In 1850 verschijnt in Brugge de ‘bijbel van de Belgische neogotiek’: Thomas Harper King’s Les Vrais Principes de l’Architecture Ogivale ou Chrétienne, een adaptatie van de geschriften van Pugin. Deze bladzijde toont neogotisch vaatwerk en kerkmeubilair, gemaakt in Brugge. COLLECTIE BIBLIOTHEEK MUSEA BRUGGE, INV. II D 80

In 1850 verschijnt in Brugge de ‘bijbel van de Belgische neogotiek’: Thomas Harper King’s Les Vrais Principes de l’Architecture Ogivale ou Chrétienne, een adaptatie van de geschriften van Pugin. Deze bladzijde toont neogotisch vaatwerk en kerkmeubilair, gemaakt in Brugge. COLLECTIE BIBLIOTHEEK MUSEA BRUGGE, INV. II D 80

INSPIREREND VERLEDEN

In de negentiende eeuw leiden de neogotische beweging en de grootschalige restauratie van het historische stadscentrum tot een nieuwe bloeiperiode voor de kunstambachten in Brugge. De ateliers van glazeniers, edelsmeden, beeldhouwers, kunstborduurders en drukkers werken voor een internationaal clientèle. Zij grijpen terug naar voorbeelden uit de christelijke, gotische middeleeuwen, daarin extra gestimuleerd door de katholieke kerk en hun katholieke klanten.

Een gedegen kennis over de middeleeuwen is de basis van al dat neogotische vakmanschap. Onder andere de leden van het Oudheidkundig Genootschap van Brugge doen onderzoek in archieven, gaan op studiereis, leggen collecties aan enbeginnen met de uitbouw van het Gruuthusemuseum en zijn collectie. Vakmensen zijn lid van de vereniging, Henri Dobbelaere is zelfs stichtend lid. De verzamelde objecten dienen als studiemateriaal, maar ook als stijlvoorbeeld voor ambachtslui. Met hun vele duizenden producten verspreiden zij het beeld van een samenleving waarin het katholieke geloof en de kerk centraal staan.

Een aantal ambachtelijke familiebedrijven die toen ontstonden, bestaan vandaag nog altijd. Zo zijn de Kunstateliers Slabbinck (kerkgewaden en bedlinnen) en Arte/Grossé (kerkgewaden en religieus zilver- en koperwerk) rechtstreekse erfgenamen van negentiende-eeuwse goudborduurateliers, die op hun beurt voortbouwden op een lange traditie van Brugse kunstambachten.

Henri Dobbelaere, Glasraam met koning Salomo, uit het voormalige Clara Feyklooster (Borsbeek), 1886, Brugge, glas-in-lood.

Henri Dobbelaere, Glasraam met koning Salomo, uit het voormalige Clara Feyklooster (Borsbeek), 1886, Brugge, glas-in-lood.

Collectie Gruuthusemuseum Brugge, inv. BMG.0566

Een gedegen kennis over de middeleeuwen is de basis van al dat neogotische vakmanschap. Onder andere de leden van het Oudheidkundig Genootschap van Brugge doen onderzoek in archieven, gaan op studiereis, leggen collecties aan enbeginnen met de uitbouw van het Gruuthusemuseum en zijn collectie. Vakmensen zijn lid van de vereniging, Henri Dobbelaere is zelfs stichtend lid. De verzamelde objecten dienen als studiemateriaal, maar ook als stijlvoorbeeld voor ambachtslui. Met hun vele duizenden producten verspreiden zij het beeld van een samenleving waarin het katholieke geloof en de kerk centraal staan.

Een aantal ambachtelijke familiebedrijven die toen ontstonden, bestaan vandaag nog altijd. Zo zijn de Kunstateliers Slabbinck (kerkgewaden en bedlinnen) en Arte/Grossé (kerkgewaden en religieus zilver- en koperwerk) rechtstreekse erfgenamen van negentiende-eeuwse goudborduurateliers, die op hun beurt voortbouwden op een lange traditie van Brugse kunstambachten.

Neogotische glasramen

Bekende Brugse makers van glasramen zijn Henri Dobbelaere en zijn zoon Jules. Hun productie is enorm: ze werken voor kerken en kapellen in België en het buitenland, tot in Amerika en het Verre Oosten toe. Het Gruuthusemuseum toont enkele glasramen die zij ontwierpen en uitvoerden. Vader Henri hecht veel belang aan de weergave van gezichten, die hij individualiseert en in grisailletechniek uitvoert. Neogotische kerken zijn Gesamtkunstwerken: alle elementen samen vormen één geheel en glasramen spelen een hoofdrol. Een concurrent van Dobbelaere is Samuël Coucke met zijn atelier, van wie het Prentenkabinet van Musea Brugge verschillende ontwerptekeningen bezit. Zijn werk kenmerkt zich door een fijne afwerking, met oog voor detail.

Meester van de Vorstenportretten, Portret van Lodewijk van Gruuthuse, ca. 1480, Brugge (?), olieverf op paneel. COLLECTIE GROENINGEMUSEUM BRUGGE, INV. 0000.GRO1557.I

Meester van de Vorstenportretten, Portret van Lodewijk van Gruuthuse, ca. 1480, Brugge (?), olieverf op paneel. COLLECTIE GROENINGEMUSEUM BRUGGE, INV. 0000.GRO1557.I

EEN BLIK OP DE STEDELIJKE LEEFCULTUUR IN BRUGGE

Brugge in de vijftiende eeuw, een stad op haar hoogtepunt. Een wereldhaven met een kosmopolitische smeltkroes van nationaliteiten. En een residentie van de Bourgondische hertogen. Een stad ook die haar succes niet verbergt. Daarvan getuigen belangrijke symbolische gebouwen zoals het belfort en het stadhuis. Groot, hoog en rijkversierd met kleurrijk glaswerk en verfijnd uitgewerkte kraagstenen die de standbeelden op de gevel van het stadhuis ondersteunen.

HERTOG EN ADEL

De hertog van Bourgondië, die soms in de stad resideert, etaleert een luxueuze levensstijl, met een pompeuze hofhouding en groots opgezette, indrukwekkende feesten. De Bourgondische spektakelstaat is een onderdeel van de Brugse leefcultuur.

Een portret van Lodewijk van Gruuthuse

Circa 1480 schildert de Meester van de Vorstenportretten Lodewijk van Gruuthuse. In zijn hand een bidsnoer. Rond zijn hals de ketting van de Orde van het Gulden Vlies. Onderaan op de originele lijst staat zijn wapenspreuk: Plus est en vous (Meer is in u).

De houding van Lodewijk en de scharniersporen links op de omlijsting wijzen erop dat het schilderij het rechterluik van een diptiek is geweest. Vermoedelijk troonde op het linkerluik een Madonna met Kind.

knielbankje + borstjuweel

Rechts: Knielbankje om op te bidden, met de namen Maria op de ene en Jhesus op de andere zijde, 1501-1525, Vlaanderen, eikenhout. COLLECTIE GRUUTHUSEMUSEUM BRUGGE, INV. VII.O.0066

Links: Borstjuweel van Joos de Bul, deken van de Broederschap van Sint-Joos, circa 1454-1488, verguld zilver, koper en email. COLLECTIE GRUUTHUSEMUSEUM BRUGGE

In de stad wonen ook edellieden en andere hooggeplaatsten uit de entourage van de hertog. Een Brugse exponent daarvan is Lodewijk van Gruuthuse. Rijk geworden door onder andere de taks die hij mag innen op bijna elke ton ingevoerd of lokaal gebrouwen bier, toont hij uitdrukkelijk zijn luxueuze levensstijl. Zijn portret is daar een getuige van.

Dat Lodewijk de opdracht kan geven om zijn portret te schilderen, is op zich al een teken van prestige en macht. Symbolen als de ketting van het Gulden Vlies en zijn sobere maar verfi jnde kledij ondersteunen dat beeld nog. Het portret getuigt ook van een ander belangrijk aspect van de middeleeuwse leefcultuur: de aanwezigheid van het geloof in het dagelijkse leven. Wie de middelen heeft, beleeft het geloof met luxueuze objecten bij en in de hand: een overvloedig geïllustreerd gebedenboek; een gebedssnoer in amber of git, exclusief op de Brugse markt te vinden; knielbankjes, ivoren pax- of kustafels, kleine triptiekjes enzovoort. Een diptiek met de Maagd Maria en Kind is het summum.

Goede werken die men doet vanuit het caritasideaal, moeten niet enkel het eigen zielenheil verzekeren. Ook hier is er weer een kans om rijkdom en prestige te etaleren. Recent verwierf het Gruuthusemuseum het borstjuweel van Joos de Bul, met centraal een afbeelding van Sint-Joos. De Bul is deken van de Broederschap van Sint-Joos, die een passantenhuis voor daklozen en armen heeft in de Ezelstraat. De Bul ondersteunt dit passantenhuis met een riante schenking. Vandaag prijkt zijn wapenschild nog steeds op de deurnaald van de toegangspoort.

Anonieme meester, Filips Dominicle en Barbara Ommejaeghere, 1551-1560, Brugge, olieverf op paneel. COLLECTIE GROENINGEMUSEUM BRUGGE, INV. 0000.GRO1424.I

Anonieme meester, Filips Dominicle en Barbara Ommejaeghere, 1551-1560, Brugge, olieverf op paneel. COLLECTIE GROENINGEMUSEUM BRUGGE, INV. 0000.GRO1424.I

WELSTAND IN HUIS

De stedelijke elite bestaat niet enkel uit getrouwen van de hertog. Ook sommige stedelijke ambtenaren kunnen er een weelderige levensstijl op nahouden. Ook hier staat het portret symbool voor de levensstijl die ze nastreven. De portretten van Filips Dominicle en Barbara Ommejaeghere vormen oorspronkelijk de zijluiken van een triptiek, waarvan het middenpaneel verloren is gegaan.

Dominicle is vanaf 1547 herhaaldelijk schepen, hoofdman en raadsheer in Brugge. Hij is gehuwd met Barabara Ommejaeghere. Op de achtergrond van de portretten tekent zich de stad af. Hoewel er geen directe link gelegd kan worden met de personages, mag de identifi catie met Brugge als teken van prestige niet verwonderen. Niet toevallig kiezen de echtlieden voor de symbolen van de (weliswaar tanende) macht en welvaart van de stad. Bij Filip Dominicle is dat het Kraanplein, een belangrijk handelsknooppunt. Achter Barbara Ommejaeghere prijken de religieuze en burgerlijke bakens van de stad: de Onze-Lieve-Vrouwekerk en het belfort. Hoogstwaarschijnlijk betrekken zij in de stad een statige woning, misschien wel bekleed met wandtapijten, een teken van prestige én nuttig tijdens koude dagen. Mooi uitgewerkte meubels of schouwornamenten vervolledigen de inrichting van het huis.

De portretten zetten, net als dat van Lodewijk, hun devote houding in de verf. Maar de kleding, inclusief boorden van kant en bont, en juwelen verraden een luxueuze profane levensstijl.

haarpen en ring

Links: Haarpen met de doos van Pandora, gevonden aan de Garenmarkt in Brugge, 1300-1500. COLLECTIE RAAKVLAK

Rechts: Gouden ring met inscriptie de bien en mieulx, 1400-1465. COLLECTIE GRUUTHUSEMUSEUM BRUGGE, INV. IX.O.0228

Ivoren haarpen en gouden ring

Archeologen vinden af en toe luxueuze accessoires terug. Uit de ondergrond van de Garenmarkt is een mooi uitgewerkte haarpen uit het midden van de veertiende eeuw naar boven gekomen. Zowel mannen als vrouwen gebruiken dit voorwerp om het haar te scheiden en eventueel mee op te steken. Deze haarpen is versierd met een gekroonde vrouw, Pandora, de eerste vrouw uit het scheppingsverhaal van de Griekse mythologie.

In Damme is een ander kleinood gevonden: een kleine gouden ring. Rondom op de buitenkant staan de woorden de bien en mieulx (van goed naar beter) gegraveerd. Meer dan waarschijnlijk is dit fijne sieraad een liefdesgeschenk van een bruidegom aan zijn aanstaande bruid.

Schoorsteenwang met Tristan en Isolde (?), 1401-1450, Brugge, zandsteen. COLLECTIE GRUUTHUSEMUSEUM BRUGGE, INV. VI.O.0095

Schoorsteenwang met Tristan en Isolde (?), 1401-1450, Brugge, zandsteen. COLLECTIE GRUUTHUSEMUSEUM BRUGGE, INV. VI.O.0095

Wandtapijt en schoorsteenwang

Op dit Brugse wandtapijt staat een gevechtstafereel afgebeeld. De gebouwen zijn die van een zestiendeeeuwse stad. De soldaten daarentegen dragen antieke harnassen en wapens. Mogelijk gaat het hier over een uitbeelding van een veldslag die Scipio Africanus uitvocht. Naast de Brugse merktekens (een weversspoel en gotische b) vallen ook de typische Brugse kleuren van het wandtapijt op: rood, bruin en geel.

Tot de Gruuthusecollectie behoren ook verschillende schoorsteenwangen uit woningen in de Brugse binnenstad. Deze verfijnde steensculpturen versieren de zijkanten van schoorsteenmantels. Heel vaak tonen ze subtiel uitgewerkte mannen- of vrouwenfiguren, zoals dit exemplaar met een dame in een modieuze jurk, getooid met een bloemenkroon en een hoofddoek. Op een levendige manier houdt de man haar vast. Een dynamisch tafereel.

Wandtapijt met een gevechtsscène uit de oudheid, 1576-1600, Brugge, wol en zijde. COLLECTIE GRUUTHUSEMUSEUM BRUGGE, INV. XVII.O.0003

Wandtapijt met een gevechtsscène uit de oudheid, 1576-1600, Brugge, wol en zijde. COLLECTIE GRUUTHUSEMUSEUM BRUGGE, INV. XVII.O.0003

EXOTISCHE WAREN

Ook in de zeventiende en achttiende eeuw blijft wie welgesteld is dit tonen aan de buitenwereld. Oude adel, welstellende handelaars en ambachtslui: ze pikken graag nieuwe dingen op. En hoewel er minder internationale handelaars in Brugge vertoeven, betekent dit niet dat de wereld niet meer naar Brugge komt. Exotische producten vinden hun weg naar de Brugse woningen en tafels. Kooplustigen kunnen daarvoor onder andere terecht in de winkel van Mary Anne van Outryve (1674-1746) in de Cordoeaniersstraat. Ze opent, samen met haar zus, in 1715 een winkel waar een waaier aan producten te koop is: diverse soorten Chinese thee, zijde, katoen, koffiebonen, tabak, porselein... De namen van haar klanten en hun aankopen noteert ze in haar cleen bouck, dat nog steeds bewaard wordt in het KADOC in Leuven.

Geribde theepot met vlinders in Imaristijl, 1735-1750, China, porselein. COLLECTIE GRUUTHUSEMUSEUM BRUGGE, INV. XXI.1976.0258

Geribde theepot met vlinders in Imaristijl, 1735-1750, China, porselein. COLLECTIE GRUUTHUSEMUSEUM BRUGGE, INV. XXI.1976.0258

Het porselein dat op de tafel komt, is een verhaal van wisselwerking tussen Europa en het Verre Oosten, met een sleutelrol voor de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC). Nadat koffie en thee hun weg naar de Europese markt hebben gevonden, wil men uiteraard ook gepaste kannen hebben om deze dranken te serveren. De VOC importeert porseleinen theekannen. Geïnspireerd door de theekannen, ontwikkelen Europese edelsmeden de koffiekan, vaak prachtig in zilver uitgevoerd. Die wordt op zijn beurt door de VOC meegenomen naar China en Japan, waar lokale vakmannen de vorm in porselein uitvoeren. Ook wat de decoratie van theeen koffieserviezen betreft is er wisselwerking: Chinese porseleinwerkers krijgen Europese motieven voorgelegd om ze te verwerken in hun ontwerpen.

Theepot

Dit theepotje illustreert nog een andere wisselwerking, namelijk die tussen China en Japan. Het is een theepot in Imari-porselein, Japans porselein dat herkenbaar is aan het gebruik van kobaltblauw, ijzerrood en een witte achtergrond met een goudlaagje. Dit porselein wordt erg populair in Europa. De VOC neemt het mee naar China en laat het daar namaken. Dit is een theepotje in Chinees Imari-porselein, met een helderder blauw, meer doorschijnend rood en een olieachtige glazuur.

Jan Anton Garemijn, Het vieruurtje, 1759/1778, Brugge, olieverf op doek. COLLECTIE GROENINGEMUSEUM BRUGGE, INV. 0000.GRO1356.I

Jan Anton Garemijn, Het vieruurtje, 1759/1778, Brugge, olieverf op doek. COLLECTIE GROENINGEMUSEUM BRUGGE, INV. 0000.GRO1356.I

Chatelaine met pastorale taferelen, 1750- 1800, verguld koper en email. BMG.2005

Chatelaine met pastorale taferelen, 1750- 1800, verguld koper en email. BMG.2005

MODIEUS GEKLEED

Op Jan Anton Garemijns schilderij Het vieruurtje (1778) biedt de bediende waarschijnlijk geen thee aan. De hoge kopjes doen vermoeden dat de ijverige jongedames koffi e zullen nuttigen. Dit charmante tafereel doet de kijker in de salon van de famillie Veranneman terecht komen. Een luchtige ruimte, in Franse stijl gedecoreerd, volgens de mode van die tijd. Behalve het servies op het dienblad, valt ook de klok rechts tegen de muur op. En het schaartje en de naaldenkoker naast het meisje in de roze jurk. Net zo goed had een van de dames een chateleine kunnen dragen. Dergelijk juweel bestaat uit een haak en kettinkjes waaraan allerlei handige benodigdheden bungelen, al dan niet opgeborgen in een kokertje. Sleutels, een schaartje, vingerhoed of een zegelstempel heeft men zo steeds bij de hand.

Maar wat vooral in het oog springt, is de kant waarmee de kleding van de dames verfraaid is. Hun mouwen zijn afgezet met brede stroken kant, en het meisje in het roze draagt een fijne kanten sjaal om de schouders. De vrouw links op de stoel heeft mutsenslippen in het haar. Dergelijke kantstroken draagt men op de meest uiteenlopende manieren: in het haar, vastgezet op mutsen, recht afhangend of gevouwen en gedrapeerd. Maria Coutteau en haar dochter, in dezelfde periode geportretteerd, dragen indrukwekkende mutsen, versierd met mutsenslippen. Het Gruuthusemuseum heeft heel wat van dergelijke mutsenslippen in zijn uitgebreide kantcollectie.

maria coutteau + mutsenslip

Rechts: , Portret van Maria Coutteau, 1770−1801, olieverf op doek. COLLECTIE GROENINGEMUSEUM BRUGGE, INV. 0000.GRO0456.I

Links: Mutsenslip in Mechelse kloskant, 1750-1799. COLLECTIE GRUUTHUSEMUSEUM BRUGGE, INV. XIX.O.0478

Sireschakel van de Sint-Sebastiaansgilde van Sint-Kruis, circa 1560, Brugge, zilver, messing en textiel. COLLECTIE GRUUTHUSEMUSEUM BRUGGE, INV. X.O.0005

Sireschakel van de Sint-Sebastiaansgilde van Sint-Kruis, circa 1560, Brugge, zilver, messing en textiel. COLLECTIE GRUUTHUSEMUSEUM BRUGGE, INV. X.O.0005

ONTSPANNING

Ongetwijfeld halen ook de heren hun mooiste kant uit de kast wanneer ze naar feestelijkheden van de schuttersgilde gaan. In de middeleeuwen hadden deze gilden nog een militaire functie (het gewapenderhand beschermen van de stad), maar in de zeventiende eeuw vervellen ze tot verenigingen waar men kan ontspannen en netwerken. En dat zijn ze tot op vandaag gebleven. Daarvan getuigt de sireschakel van de Sint-Sebastiaansgilde van Sint-Kruis.

Dit indrukwekkende juweel, waarvan de oudste onderdelen dateren uit de zestiende eeuw, verlaat nog elk jaar het museum tijdens de week van de koningsschieting. Wie tijdens dit toernooi de hoofdvogel afschiet, mag de ketting dragen. Aan de ketting hangt een vogel omgeven door schildjes waarop de namen van koningen of sires staan - het jongste is dat van Poupaert Fr. Sire 1951-1953. De gegraveerde medailles aan de ketting herinneren aan bepaalde gebeurtenissen. Een andere sireschakel uit de Gruuthusecollectie, is opgebouwd uit Bourgondische vuurslagen en vertoont zo gelijkenissen met de ketting van de ridders van de Orde van het Gulden Vlies. De gilde mocht dit motief gebruiken met goedkeuring van de Bourgondische hertogen, die immers op de gilden rekenden als stadsmilitie. Een referentie naar de middeleeuwse bloeiperiode…

buste

Henri Pickery, Buste van barones Augusta Liedts, 1889, Brugge, marmer. COLLECTIE GRUUTHUSEMUSEUM BRUGGE, INV. VI.O.0025

De kantcollectie van barones Liedts

De kantcollectie van het Gruuthusemuseum gaat terug tot de beginjaren van het museum. Dan verwerft de stad Brugge, met bemiddeling van het Oudheidkundig Genootschap, de kantcollectie van de jonggestorven barones Augusta Liedts. De collectie bestaat uit circa 300 stukken kant, van de zestiende tot de negentiende eeuw. Haar echtgenoot, baron Amedée Liedts, was op zoek naar een waardige bewaarplaats voor haar collectie. Brugge, in die dagen nog steeds een kantcentrum, lijkt hem een gedroomde plaats. De stad en het Oudheidkundig Genootschap zijn geïnteresseerd en men stelt de baron voor om de collectie te tonen in het Gruuthusepaleis. In 1889 is het zover. De baron laat vitrines bouwen in Brussel en installeert de stukken zelf. De voorzitter van het genootschap noteert: ‘Mr. Liedts dispose ses dentelles sans le concours de personne, qu’il ne consulte personne, ne désire voir personne, en un mot qu’il tient à travailler seul.’ Uit dankbaarheid laat het stadsbestuur een marmeren portretbuste van de barones maken, die een plaats krijgt in het museum.

Religieuze middeleeuwse sculptuur uit de Gruuthusecollectie.

Religieuze middeleeuwse sculptuur uit de Gruuthusecollectie.

Praktisch

GRUUTHUSEMUSEUM

Dijver 17C - 8000 Brugge - T + 32 (0)50 44 87 11 - [email protected]

Openingstijden: Van dinsdag tot zondag: 9.30 - 17.00 uur Gesloten op maandag (behalve paas- en pinkstermaandag), 1 januari, Hemelvaart (namiddag) en 25 december

Prijzen € 12 - € 10 (18-25 j., +65 j., +15 personen) gratis voor schoolgroepen en -18 j. Een audiogids is in deze prijs inbegrepen

Toegankelijkheid Voor bezoekers met een visuele beperking zijn doorheen het museum voelstations aanwezig. Vanaf het najaar 2019 is er een bijhorende beschrijvende audiogids ter beschikking. Wel wordt aangeraden het bezoek met een begeleider te doen, omwille van de vele trappen en niveauverschillen in het gebouw. Voor bezoekers met een auditieve beperking is er een visioguide met extra duiding door een tolk in Vlaamse gebarentaal of International Signlanguage. Het Gruuthusepaleis is door de niveauverschillen, smalle deuropeningen en wenteltrappen niet toegankelijk voor rolstoelgebruikers. Het binnenplein, de educatieve ruimtes en het sanitair zijn wel rolstoeltoegankelijk.

Activiteiten Elke derde donderdag van de maand blijft één locatie van Musea Brugge open tot 21u, met telkens een sfeervol programma. Het Gruuthusemuseum is één van deze locaties. Houd de website van Musea Brugge in de gaten. Voor gezinnen is er de familiezoektocht Ik zie, ik zie. Samen wordt er gespeurd naar de mooiste objecten. Als alle opdrachten tot een goed einde zijn gebracht, kan de code van het slot gekraakt worden. Enkel dan wacht er een verrassing… In samenwerking met de gidsenverenigingen worden rondleidingen aangeboden. Boeken kan via https://www.visitbruges.be/ticketshop

Museumshop Een herinnering aan het museumbezoek? Neem een kijkje in de Museumshop in het Arentshof, Dijver 16.

Download hier de pdf

Gruuthusemuseum Brugge

Een blik op de stedelijke leefcultuur in Brugge