collage inleiding

Inleiding

In 1969 vierde men in Vlaanderen het jubileum naar aanleiding van het 400-jarig overlijden van Pieter Bruegel de Oude. Wat weinigen weten is dat het Openluchtmuseum Bokrijk toen al in de ban was van Bruegel. Dat was onder impuls van dr. Jozef Weyns, de eerste conservator van Bokrijk, die zich zowel voor het uitzicht als de invulling van het museum liet inspireren door het werk van de Vlaamse meester.

Vijftig jaar later is ons beeld van Bruegel grondig bijgestuurd en ook Bokrijk evolueerde mee met de tijd. Wij zijn trots dat we aan de vooravond van de herdenking van de 450ste sterfdag van Bruegel de bezoeker hernieuwd kennis kunnen laten maken met deze uitzonderlijke meester én met Bokrijk.

Dit doen we aan de hand van een interactief Bruegelparcours dat zowel tentoonstellingen, theater als een Bruegelgame combineert. De unieke mix tussen onroerend, roerend, immaterieel, levend en natuurlijk erfgoed die Bokrijk rijk is, biedt een dankbaar aanknopingspunt om het werk van de Vlaamse meester op een hedendaagse manier te herontdekken.

De wereld van Bruegel in Bokrijk is mede tot stand gekomen dankzij talrijke partners, waaronder Toerisme Vlaanderen en de Provincie Limburg. Wij zijn elk van hen bijzonder erkentelijk voor hun steun en vertrouwen. Onze dank gaat ook specifiek uit naar het Kunsthistorisches Museum in Wenen voor de fijne en conviviale samenwerking.

Deze publicatie vertelt het verhaal van De wereld van Bruegel. Daarin komen behalve het parcours ook de voorgeschiedenis en het creatieve proces van dit ambitieuze project aan bod. Dit OKV-themanummer biedt de lezer dus zowel een blik achter de schermen als een overzicht van wat u als bezoeker in 2019 in Bokrijk kunt beleven. Wij wensen u veel leesplezier en hopen bovenal dat u Bruegel in Bokrijk dit seizoen zelf komt (her)ontdekken.

Inhoud

  • Een kennismaking 
  • Wat voorafging
  • Bruegel op weg naar Bokrijk De uitdagingen De aanpak Het team, de partners en de fasen
  • De wereld van Bruegel in Bokrijk
  • Praktisch

EEN KENNISMAKING

Johannes Wierix (toegeschreven aan), Portret van Pieter Bruegel de Oude, 1572, gravure, 203 x 124 mm

Johannes Wierix (toegeschreven aan), Portret van Pieter Bruegel de Oude, 1572, gravure, 203 x 124 mm

Wie is Bruegel?

Pieter Bruegel de Oude (ca. 1526/28-1569) is een icoon in Vlaanderen en ver daarbuiten. Zijn werk wordt generatie na generatie herontdekt en behoort tot ons collectieve geheugen. Bruegels faam staat in schril contrast met de feitelijke kennis over zijn leven. Zijn precieze geboortedatum en -plaats zijn tot op vandaag onbekend. Wel weten we dat hij zijn opleiding krijgt in het atelier van Pieter Coecke van Aelst (1502-1550), een van de belangrijkste kunstenaars van zijn tijd en later ook Bruegels schoonvader. In het gildejaar 1551/1552 wordt Bruegel vrijmeester – lees: zelfstandig schilder – in de Antwerpse Sint-Lucasgilde. Kort nadien vertrekt hij op Italiëreis. Daar maakt hij kennis met de Italiaanse renaissance en de kunst van de oudheid. Deze reiservaring en vooral de Alpenlandschappen maken een onuitwisbare indruk op hem. Terug in Antwerpen gaat hij aan de slag als prentkunstenaar en werkt voor uitgever en zakenman Hiëronymus Cock. Cock geeft verscheidene prentenreeksen uit waarvoor Bruegel het ontwerp levert. Ze vestigen Bruegels naam als ‘tweede Bosch’ én als landschapskunstenaar. Van in het begin van zijn carrière legt Pieter Bruegel een bijzondere interesse voor het landschap aan de dag. Het zal tijdens zijn relatief korte maar rijke carrière een belangrijke rol blijven spelen. In zijn eigen tijd al geniet Bruegel veel erkenning als landschapskunstenaar en ook nu nog behoren verschillende Bruegelwerken tot de hoogtepunten van de westerse landschapsschilderkunst. Bovendien is Bruegel een pionier: zo schildert hij als eerste winterlandschappen en voorstellingen van de seizoenen op groot formaat.

In 1563 huwt Bruegel Maycken Coecke, de dochter van zijn leermeester. Het koppel verhuist naar de hofstad Brussel, op dat moment het centrum van de religieuze macht. Hij overlijdt er in 1569 en wordt begraven in de Kapellekerk. Bruegels tijd is een woelige periode, waarin de Spanjaarden de Lage Landen regeren. Vooral aan het einde van zijn leven zijn er heel wat religieuze, politieke en economische troebelen. Zeker voor de gewone man zijn de tijden bitter.

Reeds tijdens zijn leven is Bruegels werk bijzonder populair. Maar vooral na zijn dood wordt het duchtig gekopieerd, in de eerste plaats door zijn zonen Pieter Brueghel de Jonge (1564-1638) en Jan Brueghel de Oude (1568-1625). Pieter Bruegel de Oude wordt zo de stamvader van een kunstenaarsdynastie. Nog altijd spreekt Bruegel tot de verbeelding. Hij is een van de weinige kunstenaars die een heel universum oproept. Bruegel neemt de mens als maat der dingen en houdt zijn toeschouwers, vaak op humoristische wijze, een spiegel voor. Net daarom is zijn werk meer dan 450 jaar later nog zo herkenbaar én relevant.

BKRK Brood op het Erf Meeuwen

BKRK Brood op het Erf Meeuwen

WAT IS BOKRIJK

Bokrijk is een begrip in Vlaanderen (en ver daarbuiten). Het park van 550 hectare omvat een arboretum, speeltuin, visvijvers, fietspaden én een openluchtmuseum. Dat museum is ook de unieke onderscheidende factor: landelijk erkend, beschermd als monument en erkend als Open Erfgoed. Recent kwam daar de landschappelijke installatie ‘Fietsen door het water’ bij, die inmiddels twee internationale landschapsprijzen won en in 2018 in de top 100 van TIME Magazine prijkte als een van ‘s werelds interessante plekken om te bezoeken. De actualiserende werking van de afgelopen jaren, in het bijzonder op het vlak van vakmanschap, leverde Bokrijk in februari 2019 de Ultima voor Cultureel Ondernemerschap op, een stevige erkenning op Vlaams niveau.

BKRK Textiel op het Erf Tessenderlo

BKRK Textiel op het Erf Tessenderlo

Het Openluchtmuseum bestrijkt 95 hectare, telt om en bij de 120 historische gebouwen en biedt onderdak aan een unieke mix van collecties: onroerend erfgoed, de roerende collecties en een rijk immaterieel, levend en natuurlijk erfgoed. In 2010 erkende UNESCO het museum als expertisecentrum voor immaterieel cultureel erfgoed. Het museum focust op de cultuur van het leven van alledag, met daarin vier themalijnen: vakmanschap, bouw- en wooncultuur, eet- en drinkcultuur, rituelen en feesten. Die lenen zich bij uitstek tot het leggen van verbindingen tussen heden, verleden en toekomst, en tussen groepen mensen. Bruggen slaan vanuit het heden naar gisteren en morgen in onze superdiverse maatschappij is een van Bokrijks belangrijkste ambities.

De volgende jaren zet het Openluchtmuseum prioritair in op vakmanschap en bouw- en wooncultuur. De meerjarige restauratie van het onroerend erfgoed en de link met BKRK (‘bokrijk brandmerkt’), het VAKlab en sinds kort CRAFTS. liggen mee aan de basis van die keuze. Terwijl BKRK museaal focust op crossovers tussen historisch en hedendaags vakmanschap, aansluitend bij de collectie, slaat VAKlab de brug tussen vakmanschap en ondernemerschap en zet CRAFTS. in op een platform voor vakmanschap en erfgoed in Vlaanderen. Door de jaren heen zullen ook de thema’s ‘eet- en drinkcultuur’ en ‘rituelen en feesten’ toenemende aandacht krijgen en zichtbaarder worden in de programmatie. Daarnaast presenteert Bokrijk verhaallijnen die daar dwars doorheen lopen. Zoals De wereld van Bruegel. Bokrijk is vandaag een levend en open huis, waar wordt gewandeld, gejogd en gefietst, gewerkt en beleefd, gespeeld en zelfs geleefd. Waar het eigentijdse dagelijks leven wordt beleefd in open ateliers, shops, recreatie… Nieuwe vormen van eigentijds (mede)gebruik kunnen zowel de publieke waardering voor dit erfgoed verhogen als extra middelen helpen genereren om in het dagelijkse en toekomstige onderhoud van het erfgoed te voorzien. Daarbij kiest het museum voor samenwerking met diverse partners. Het doel: het erfgoed dat aan het museum is toevertrouwd duurzaam beheren, en mensen inspireren, prikkelen, verrijken en verbinden met en door dit erfgoed.

Wat vooraf ging

Wie Bruegel wil leren kennen trekke ofwel naar Wenen om er in het ‘Kunsthistorisches Museum’ zijn schilderijen te zien, of naar Bokrijk om er zijn dorp, zijn heem te bezoeken.
Jozef Weyns, 1956
Zicht op ‘de Kempen’ in het Openluchtmuseum Bokrijk

Zicht op ‘de Kempen’ in het Openluchtmuseum Bokrijk

Weinig mensen zijn op de hoogte van de fascinatie van de eerste conservator van het Openluchtmuseum, dr. Jozef Weyns (1913-1974), voor het werk en de leefwereld van Pieter Bruegel de Oude. Die begeestering bleef gedurende zijn veertigjarige carrière in Bokrijk doorwerken in de diverse facetten van de museumwerking. Op 20 april 1956 schrijft de 43-jarige Jozef Weyns een nota voor de Museumkommissie van Bokrijk. De conservator houdt daarin een vurig pleidooi voor de naam van het nog te openen Openluchtmuseum. Hij is van mening dat die “warmer en zinvoller moest klinken dan het zakelijke, algemene ‘openluchtmuseum’.” Gloedvol draagt hij vijf argumenten aan waarom er voor hem geen andere naam denkbaar is dan ‘Bruegelheem (te) Bokrijk’. De geschiedenis leert dat het anders is uitgedraaid en dat de Museumkommissie hem hierin niet heeft gevolgd. Des te intrigerender is het om nu achterom te kijken en het Bruegelspoor te detecteren dat Jozef Weyns, ondanks het negatieve advies van de Kommissie, in Bokrijk heeft nagelaten. We stippen de belangrijkste momenten aan en op enkele daarvan gaan we elders in dit nummer iets dieper in. Tegelijkertijd slaan we de brug tussen 1974, het jaar van Weyns’ overlijden, en 2019, het jaar waarin Bruegel 450 jaar geleden stierf en waarin Bokrijk dat herdenkt met De wereld van Bruegel.

1958. Regisseur Frans Verstreken draait op vraag van Jozef Weyns de film Levend verleden. In zijn beelden legt de regisseur de link tussen de schilderijen van Bruegel en de collectie van Bokrijk, inclusief een bruegeliaans feest.

Zicht op de ‘Bruegelhoeve’ in het Openluchtmuseum Bokrijk (1967)

Zicht op de ‘Bruegelhoeve’ in het Openluchtmuseum Bokrijk (1967)

1962. Jozef Weyns spot een hoeve in Vorselaar die als basis zal dienen voor zijn ‘Bruegelhoeve’, zowel architecturaal als naar inrichting. Hij ‘combineerde’ die met de restanten van twee andere hoeves tot een hoeve zoals die meermaals te zien is in Bruegels werk. Vanaf 1969 tot aan de restauratie in 2018 wordt hier de prent De magere keuken geëvoceerd.

1966. Jozef Weyns en Frans Verstreken brengen Hoedje van Papier uit, een “kleurendokumentaire” waarin ze onderzoeken wat er medio 1960 in Vlaanderen overblijft van de kinderspelen zoals Bruegel ze vierhonderd jaar eerder schilderde. De gedateerde stijl van beeld en geluid staan zestig jaar en een multimediale omwenteling later een appreciatie niet in de weg.

Hoezeer voorspelbaar de link van Bruegel met Bokrijk mag zijn (wellicht dacht u direct aan strobalen, rijstpap en klompen), u zal kunnen ervaren hoe eigenzinnig en eigentijds een ‘Bokrijk 2.0’ u weet mee te nemen in de wereld van Bruegel.
Still uit Hoedje van Papier, een documentaire van Jozef Weyns en Frans Verstreken (1966)

Still uit Hoedje van Papier, een documentaire van Jozef Weyns en Frans Verstreken (1966)

1969. Bij de herdenking van het vierhonderdjarige overlijden van de Vlaamse meester publiceert Jozef Weyns eerst in Ons Heem en nadien als losse overdruk Bij Bruegel in de leer voor honderd-en-een dagelijkse dingen, een becommentarieerde lijst van 164 items uit het dagelijks leven, van dieren tot voorwerpen en types gebouwen, zoals ze in het oeuvre van Bruegel voorkomen. Bij het lemma ‘boerenhuis’ schrijft Weyns: “Op de prent Patientia (…) is een huis te vinden, dat geheel hetzelfde silhouet van dak heeft als de abdijhoeve uit Oevel, thans te Bokrijk.” Dergelijke bedenkingen, soms in een Bruegel-context, soms los daarvan, doen de vraag rijzen welke collectiestukken, zowel onroerend als roerend, Weyns verzameld heeft vanuit zijn fascinatie voor Bruegel. Datzelfde jaar organiseert hij, in zijn functie als voorzitter van het Verbond voor Heemkunde, de jaarlijkse Landdag van het verbond. Die staat in het teken van Bruegel… in Bokrijk.

Pieter Bruegel de Oude, De strijd tussen Carnaval en Vasten, detail

Pieter Bruegel de Oude, De strijd tussen Carnaval en Vasten, detail

1974. In het jaar van Jozef Weyns’ overlijden werkt zijn echtgenote Paula Mijlemans zijn levenswerk af. Het vierdelige Volkshuisraad in Vlaanderen geldt tot op vandaag als het standaardwerk voor de studie van dagelijkse gebruiksvoorwerpen in onze contreien tot begin twintigste eeuw.

2015. Bij de voorbereiding van de grote Bruegelexpo in het Kunsthistorisches Museum in Wenen treff en de medewerkers van het Weense museum en het Openluchtmuseum Bokrijk elkaar, op initiatief van prof. dr. Manfred Sellink, hoofddirecteur-hoofdconservator van het KMSKA en als Bruegelexpert verbonden aan het curatorenteam dat de Weense expo voorbereidt. Het resultaat: een gemeenschappelijke focus op de realia in Bruegels werk, die uitmondt in een selectie van zestiende-eeuwse objecten uit De strijd tussen Carnaval en Vasten op de expo in Wenen, de tentoonstelling in Bokrijk én in de publicatie Voorwerp van gesprek, een coproductie van Uitgeverij Hannibal, het Kunsthistorisches Museum en Bokrijk.

Confrontatie van zestiende-eeuwse realia met De strijd tussen Carnaval en Vasten op de Bruegeltentoonstelling in het Kunsthistorisches Museum, Wenen

Confrontatie van zestiende-eeuwse realia met De strijd tussen Carnaval en Vasten op de Bruegeltentoonstelling in het Kunsthistorisches Museum, Wenen

2016-2019. Het museum omringt zich met een projectteam, een expertenteam en een creatief team. Van meet af aan worden vier lijnen uitgezet: convivium, humor, de kracht van het beeld en de hyperlink. Dat worden de rode draden in de tentoonstelling. 2018. In het Kunsthistorisches Museum in Wenen opent op 2 oktober de eerste monografische monografi sche tentoonstelling over Pieter Bruegel de Oude.

2019. Op 6 april opent Bokrijk De wereld van Bruegel. Spiegel naar vandaag, in het kader van en met steun van het programma Vlaamse Meesters van Toerisme Vlaanderen. Dat staat in 2019 volledig in het teken van Bruegel. Het museum legt een aantal minder gekende bouwstenen uit zijn geschiedenis bloot in relatie tot het werk en de leefwereld van Pieter Bruegel de Oude en verknoopt deze elementen met het dagelijks leven in de eenentwintigste eeuw. Bokrijk houdt zowel de bezoekers als zichzelf een spiegel voor.

De kracht van realia

Het idee om het werk van Bruegel te analyseren op zestiende-eeuwse realia ontstond tijdens de voorbereiding van de grote Bruegeltentoonstelling (2 oktober 2018 tot en met 13 januari 2019) in het Kunsthistorisches Museum Wenen, dat de grootste verzameling Bruegels ter wereld bezit. In samenwerking met het ALMA-onderzoeksproject in Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam, het Openluchtmuseum Bokrijk in Genk en het Rijksmuseum in Amsterdam is gekozen voor De strijd tussen Carnaval en Vasten. Dat stuk wemelt van de voorwerpen voor dagelijks gebruik in de zestiende eeuw. Maar hoe kan men ze presenteren in de context van het schilderij en hoe kunnen hun vaak vergeten functies zichtbaar gemaakt worden voor het publiek? Er is gezocht naar bewaarde objecten uit Bruegels tijd die precies beantwoorden aan wat op het schilderij te zien is. Die werden gevonden in Belgische, Duitse en Nederlandse verzamelingen. Het is een verbazingwekkende hoeveelheid en verscheidenheid aan alledaagse en ongewone voorwerpen.

Een deel daarvan was te zien in de Weense Bruegelexpo. Door de presentatie van driedimensionale objecten wilde het museum het schilderij tot leven wekken: de voorwerpen zien eruit alsof ze pas uit het schilderij werden gehaald. Een deel vormde letterlijk en figuurlijk het voorwerp van gesprek in de gelijknamige publicatie Voorwerp van gesprek. De wereld van Bruegel, waarin de objecten meerstemmig worden benaderd: als object en gebruiksvoorwerp, vanuit de kunstgeschiedenis en vanuit de literatuur. Met De wereld van Bruegel in Bokrijk en de indrukwekkende uitvergroting van De strijd tussen Carnaval en Vasten sluit het Openluchtmuseum het drieluik af. Door zijn rijkdom aan details en zijn precieze en gedetailleerde weergave van de materialiteit van de voorwerpen, kledingstukken, kostuums en ook gebouwen biedt Bruegel ons een tijdvenster op het verleden.

BRUEGEL OP WEG NAAR BOKRIJK

Het Bruegelproject getuigt van een vernieuwd Bokrijk, dat actueel, eigentijds, eigenzinnig en relevant zijn verleden weet in te zetten naar vandaag en morgen.
Zicht op ‘Haspengouw’ in het Openluchtmuseum Bokrijk

Zicht op ‘Haspengouw’ in het Openluchtmuseum Bokrijk

De uitdagingen

De wereld van Bruegel is geen klassieke, conventionele tentoonstelling op één locatie binnen een museum. Het is een parcours van meer dan twee kilometer en met elf locaties – de Bruegelhaltes – verspreid over delen van het Openluchtmuseum Bokrijk.

Hoe begin je aan zo’n uitdaging? Of beter: aan zo’n reeks uitdagingen, zowel inhoudelijk als vormelijk en qua communicatie? Hoe een parcours ontwikkelen dat impactvol is en traceerbaar voor de bezoeker, binnen de bestaande dynamiek van het museum van ruim 95 hectare met zijn meer dan 120 historische gebouwen? Evident is dat niet, ook omdat een wandeling door de parkachtige, feeërieke omgeving de bezoeker vaak zo ontspant dat die de neiging heeft te ‘dwalen’. Hoe ga je om met dit ritme en met de dynamiek van een intuïtieve wandeling in de buitenlucht, waar alle zintuigen geprikkeld worden en waar de bezoeker regelmatig een gebouw in- en uitloopt om ‘een kijkje te nemen’?

Een tweede uitdaging: hoe ontwikkel je het thema ‘Bokrijk en Bruegel’ inhoudelijk en overstijg je het versleten cliché van de ‘Boerenbruegel’? Dit vraagstuk sluit aan bij de huidige koers van Bokrijk, waarin de hedendaagse en toekomstige relevantie van het erfgoed van het dagelijks leven centraal staat. En tot slot: hoe De wereld van Bruegel opzetten voor een breed publiek – van meer dan 300.000 bezoekers – waarvan een belangrijk deel zelden of nooit kunsthistorische musea bezoekt?

blz 10 Installatiez Zuienkerke zonder lint

Tentoonstellingen en ervaringen

De wereld van Bruegel stond voor een uitdagende opgave. Originele Bruegels zijn er niet in het Openluchtmuseum. Bovendien kennen maar weinig mensen de historische relatie tussen Bokrijk en Bruegel. De gelijkenis in de dorpse en landelijke Bruegel- en Bokrijkdecors is voor velen dan weer wel vanzelfsprekend.

Het spanningsveld tussen deze elementen biedt voor tentoonstellingsmakers bijzondere mogelijkheden. Voor de scenografie werkte Katrien Vandermarliere (A.C.P.) samen met de scenografen van ruimtevaarders (Karolien De Schepper en Christophe Engels) en met multimediakunstenaar Bob Takes. De opzet is vertaald in een ervaringsgerichte, sensitieve en immersieve aanpak. De meerlagige boodschappen zijn gekoppeld aan diverse tentoonstellingsmedia en ervaringen. De parcourshaltes van het virtueel spel en het toewijzen van de locaties voor de tentoonstelling waren daarbij bepalende factoren. Enkele andere facetten in het kort.

De collectie van Bokrijk bestaat, behalve uit gebouwen, ook uit huisraad en werktuigen, met de bijbehorende kennis over hun gebruik en het maken ervan. Omdat voorwerpen uit het dagelijks leven ook als rekwisiet veelvuldig op Bruegels taferelen voorkomen, is er voor gekozen de corresponderende historische objecten tentoon te stellen.

Om de raadselachtige inhoud van De strijd tussen Carnaval en Vasten uit te lichten viel de keuze op zes kijkkasten, driedimensionale miniwerelden waarin met humor, verwondering en hedendaags vakmanschap deze thema’s aan bod komen: de symbolische strijd, Bruegels kijk op de mens, de blik van de schilder, vasten en religie, carnavalsbanket en vastenspijs, en ‘de wereld op z’n kop’. De situering van Pieter Bruegel en Bruegel als inspiratiebron voor museumconservator Jozef Weyns leverden verhalen op met heel wat feiten en data. Hier is gekozen voor het medium film: gebald en visueel prikkelend een publiek van 8 tot 88 jaar ‘meenemen’ is het doel.

En dan is er de apotheose: fysiek in Bruegels wereld stappen. De schuur uit Zuienkerke, de grootste zestiende-eeuwse museumruimte, met haar fenomenale dakstoel, diende zich aan als een vanzelfsprekend eindpunt van de tentoonstelling en de game. Centraal in de ruimte bevindt zich op de vloer een veel meer dan levensgrote afdruk van het schilderij – 12 bij 16 meter. Schuin daarboven hangt een enorme spiegel waarin het schilderij wordt weerspiegeld. De bezoeker kan vrij rondlopen, zitten of zelfs liggen op de afdruk. Wanneer hij opkijkt, ziet hij zichzelf in het bruegeliaanse tafereel weerspiegeld. Hij of zij ‘is’ letterlijk in het schilderij en maakt deel uit van het schouwtoneel.

A.C.P. en Ruimtevaarders

blz 10 deel

DE AANPAK

Basis van het project is de inhoudelijke verdieping. Inhoudelijk coördinator en Bruegelspecialiste dr. Katrien Lichtert concentreerde zich op de relatie tussen Bokrijk en Bruegel. Met een expertenteam (Marc Jacobs, Manfred Sellink, Jan Van der Stock en Joris Van Grieken) en de Bokrijkploeg werden vier rode draden bepaald die Bruegels oeuvre kenmerken: het convivium, humor, de kracht van het beeld en de hyperlink. Het convivium staat voor de traditie van samen tafelen, kijken naar en praten over Bruegels schilderijen en prenten. Dat Bruegel zijn medemensen met humor observeert en weergeeft, is welbekend. De kracht van het beeld en de hyperlink zetten het encyclopedische opzet en de gelaagdheid van Bruegels werk in the picture. Die wordt verbonden met de zestiende-eeuwse kennis- en verzamelcultuur en haar hedendaagse variant: de wijze waarop we via ons digitale netwerk en visuele links kennis vergaren.

Vier rode draden, één expo, een parcours met elf locaties. Welke strategie en scenografie ontwikkel je om tot een logisch, inhoudelijk boeiend en ruimtelijk behapbaar parcours te komen waarin Bruegel en het hedendaagse Bokrijk en publiek elkaar ontmoeten? Gelaagdheid was een belangrijke sleutel bij de creatie van parcours en programma. Dit project wil bezoekers lichtvoetig, met humor en ‘conviviaal’ met Bruegel laten kennismaken en tegelijk de mogelijkheid bieden om ‘dieper’ op ontdekking te gaan, bijvoorbeeld via hyperlinks. Via de ErfgoedApp van FARO kun je meer informatie oproepen bij voorwerpen, gebouwen of archiefstukken. Maar ook de game en de kleine werelden van de kijkkasten bieden mogelijkheden om dieper in te gaan op het dagelijks leven in Bruegels zestiende eeuw. Hoe maak je de ondertitel van de tentoonstelling, Spiegel naar vandaag, waar? Het team stelde al snel de vraag aan de orde hoe we Bruegels werk samen met de bezoeker kunnen ontcijferen en laten ervaren waarom zijn oeuvre nog relevant is.

Conservator Jozef Weyns gebruikte in zijn tijd Bruegels werk als encyclopedie van gebouwtypes, alledaagse voorwerpen en gewoontes, maar hoe ga je daar in onze tijd mee om? De aanpak sluit aan bij hoe we nu naar Bruegel kijken als commentator van de maatschappij van zijn tijd. Een voorbeeld: Weyns gebruikte de prent De magere keuken letterlijk als informatiebron om zijn ‘Bruegelhoeve’ in te richten en objecten uit het dagelijks leven aan te kopen of te laten namaken. Wij vinden het nu interessant om te laten zien dat Bruegel naast De magere keuken ook de prent De vette keuken maakte. Als duo geven ze commentaar op de situatie in zijn tijd: een groot deel van de bevolking leed honger en een klein deel leefde in overvloed. Wat kunnen de begrippen ‘magere’ en ‘vette ‘ keuken voor ons vandaag betekenen?

Laika’s geurendiorama

Laika’s geurendiorama

Het plein der zinnen

De strijd tussen Carnaval en Vasten is een van Bruegels ‘wemelschilderijen’, met meer dan tweehonderd figuren in volle feestactie. Ze drinken, eten, koken, dobbelen, dansen, musiceren en spelen toneel. Frontaal staan twee stoeten opgesteld, pal tegenover elkaar. De mageren tegenover de vetten, klaar voor de strijd. Spelplezier en conflict: meer heb je niet nodig om theater te maken. Bruegel schildert de wereld als een schouwtoneel.

Uit de wemeling hoef je als theatermaker maar te plukken. Aan personages geen gebrek. In Bravo! meneer Bruegel zijn de personages mensen van nu die een zotte Vastenavond anno 1559 opvoeren, door middel van spel, muziek en beweging, compleet met parades, kluchten en een steekspel. De rijke, de arme, de hebzucht, de winter, de dood en de nar: ze doen allemaal mee.

Laika, theater der zinnen raakte gefascineerd door dat ene meisje met het blauwe kleed en de witte schort, centraal op het schilderij, dat bij de waterput in een emmer kijkt. Lichtgevend lijkt ze, opgeslorpt door wat ze ziet. Haar spiegelbeeld? Een lege emmer? Zij wordt het mysterieuze Watermeisje, de spilfiguur wiens verhaal als een rode draad door het script loopt. Zij neemt niet deel aan de dolle kluchten van de Wildeman en de Vuile Bruid die de feestvierders opvoeren. Ze danst niet met de kreupele lepralijders. Ze luistert niet naar de pastoor die de anderen vergeefs oproept tot bezinning en gebed. Zij heeft de spannende, verontrustende rol van de buitenstaander, die weet wat niemand anders weet…

Het wemelt niet alleen van mensen in het schilderij. Ook voedsel en drank zijn rijkelijk aanwezig. Dat inspireerde Laika, theater der zinnen tot een geurendiorama. In deze zintuiglijke installatie ruik je de geur van het bier dat wordt geschonken, het gebraden vlees, de vis die te koop wordt aangeboden, de broodjes én de zoete suiker waarmee de wafels op smaak worden gebracht. Terwijl je de geur opsnuift, luister je naar een kortverhaal over deze ingrediënten. Tot slot kun je aan Laika’s keukenkar proeven van een stukje Paradijskoek en een slok Kleyn Bier, gerechten geïnspireerd op de zestiende-eeuwse keuken.

Laika, theater der zinnen

HET TEAM, DE PARTNERS EN DE FASEN

Het project De wereld van Bruegel in Bokrijk is het werk van een Bruegelteam, met Terenja van Dijk als projectleider, Katrien Lichtert als inhoudelijk coördinator en Kenneth Ramaekers als coördinator voor marketing, communicatie en publiekswerking. Zij vormden samen met tentoonstellingsmaker A.C.P., gameontwerper Toyfoo, Laika, theater der zinnen en Bart Lens, bouwmeester van Bokrijk, het creatieve team. Het team liet zich in de eerste fase door de input van Katrien Lichtert onderdompelen in de kennis en inzichten over Bruegel. Al brainstormend en met inbreng uit ieders discipline en kennis bepaalde het team het parcours en het programma. Bart Lens’ kritische en ruimtelijke blik als vernieuwer van Bokrijk was daarbij steeds een belangrijke toetssteen.

Zo kan een tentoonstelling als deze zich op een meer intuïtieve, speelse en interactieve wijze tot een publiek verhouden, niet alleen visueel en cognitief.

Zo’n multidisciplinaire samenstelling van het team is uiteraard een keuze. Die komt voort uit het idee om niet alleen met een tentoonstelling en ruimtelijke installaties te werken, maar ook theater in te zetten en nieuwe technieken, zoals augmented reality. Zo kan een tentoonstelling als deze zich op een meer intuïtieve, speelse en interactieve wijze tot een publiek verhouden, niet alleen visueel en cognitief. Met humor en conviviaal: zoals Bruegel wil ook Bokrijk dat mensen met elkaar in gesprek gaan over wat ze zien en ervaren.

Laika, theater der zinnen, o.l.v. Peter De Bie en Jo Roets, heeft ervaring met het werken op locatie en met een internationaal publiek, jong en oud. Hun zintuigelijke, laagdrempelige en conviviale producties verhouden zich goed tot Bokrijk, het brede publiek én Bruegel. Bovendien is ‘eten’ en ‘drinken’ een belangrijk thema in hun voorstellingen, net als in Bruegels werk en in dit project. Zo ontwikkelt Laika ook recepten op basis van zestiende-eeuwse ingrediënten, die de bezoeker kan proeven: de Paradijskoek is een soort wafel die je ontdekt in Bruegels Strijd tussen Carnaval en Vasten en ‘Kleyn Bier’ een gemoute drank zonder alcohol.

Toyfoo, o.l.v. Thomas Laureyssens, ontwikkelt interactieve urban games waarin fysieke en virtuele ingrepen elkaar versterken. Als professor gaming ontwikkelt hij op de LUCA – School of Arts zijn games met studenten. Het was confronterend en leerzaam te ondervinden hoe weinig notie jonge twintigers van Bruegel de Oude en zijn oeuvre hebben. Hen triggeren om Bruegel te ontdekken en een spel te ontwikkelen waar ze plezier in hadden, was boeiend.

A.C.P., o.l.v. Katrien Vandermarliere, heeft als tentoonstellingsmaker veel ervaring met het maken en initiëren van tentoonstellingen en andere communicatievormen vooral op het gebied van architectuur. A.C.P. ging op een precieze en gevoelige manier om met de niet evidente ruimtelijke condities en kwaliteiten van de monumenten van Bokrijk en de hedendaagse vormelijke koers.

A.C.P. en Toyfoo werkten samen met het scenografisch bureau ruimtevaarders (Karolien De Schepper en Christophe Engels) de ruimtelijke ontwerpen uit. Buro Landschap ontwikkelde een landschappelijke route door het park en de ontwerpers Oeyen en Winters maakten grafische beelden voor de publiekscommunicatie en de signalisatie: de steltenloperis het campagnebeeld en de begeleider van bezoekers. Last but not least: bij dit project waren de inzet en kennis van het Bokrijkteam onontbeerlijk. Van onderzoek en publieksbemiddeling tot collectiebeheer, van communicatie en sales tot boekhouding, van timmerman tot ploegbaas, van ICT’er tot tuinier: dankzij hun enorme productiekracht kreeg De wereld van Bruegel vorm. Er is intensief samengewerkt door en met de afdelingen Museum, Marketing en Sales, Infrastructuur en Ondersteunende Diensten.

collage

SAMEN ZIJN, SAMEN PRATEN, SAMEN KIJKEN

Bruegel als voorwerp van gesprek. Een begrip dat in de recente vakliteratuur over Pieter Bruegel de Oude in sneltreinvaart opgang heeft gemaakt is convivium. Dit Latijnse woord betekent in de zestiende eeuw zowel ‘gastmaal’ als ‘tafelgezelschap’.

In de stedelijke en humanistische cultuur van de Lage Landen was in Bruegels tijd gezamenlijk tafelen met vrienden en geestverwanten het uitgelezen moment om diepgaand te discussiëren over hot topics: kwesties die ertoe deden, die de tongen beroerden en die de gasten van alle kanten belichtten. De grote humanist Erasmus maakte er literatuur van en schreef religieuze en profane werken met titels als Convivium en Colloquia – geïnspireerd door klassieke voorbeelden zoals Plato, Xenofon en tal van anderen. De aanleiding voor de gesprekken konden ook schilderingen zijn die de disgenoten omringden of afbeeldingen die men bij de hand had of rond liet gaan: geïllustreerde boeken, prenten of zelfs teljoren, de al dan niet beschilderde houten borden waaruit men at. Bruegel heeft die overigens zelf nog vervaardigd. Daarvan getuigt het paneel met twaalf gezegdes in het Antwerpse Museum Mayer van den Bergh.

Een dergelijke (visuele) aanleiding voor een gedachtewisseling staat nu te boek als conversation piece, voorwerp van gesprek. Het is in ons tijdsgewricht, waarin we voortdurend gebombardeerd worden met visuele indrukken uit alle hoeken, moeilijk voor te stellen hoe indringend en beklijvend een afbeelding kan zijn geweest. Wat moet dan de impact zijn geweest van de eetzaal in het Antwerpse buitenverblijf Hof ter Beke van Nicolaes Jonghelinck, de immens rijke investeerder, mecenas en vermoedelijke vriend van Pieter Bruegel? Daar, net buiten Antwerpen, kon men aan tafel zitten met rondom zich de monumentale cyclus van zes landschapspanelen die per twee maanden de macrokosmos als een afspiegeling van de goddelijke schepping verbeeldden. Bij uitstek dit ensemble smeekte erom – als geheel en in detail, in zijn gelaagdheid, variatie en rijkdom – bekeken, besproken en ontrafeld te worden als ‘voorwerp van gesprek’.

Bruegels werken zijn inderdaad een lust voor het oog. Maar ze nodigen ons, 450 jaar na zijn dood, nog evenzeer als tijdens zijn leven uit om met elkaar in gesprek te gaan over de dingen des levens.

Bruegelgames

Links: Het creatieve team at work, Openluchtmuseum Bokrijk

Rechts: Prototype hoeden voor de Bruegelgame © LUC DAELEMANS

De Bruegelgame

Bezoekers een ervaring bieden die informatie aanreikt en de reflectie stimuleert over De strijd tussen Carnaval en Vasten. Op een speelse manier en met hedendaagse insteken, met als uitgangspunt het convivium: mensen kijken samen naar een werk en wisselen interpretaties en kennis uit. Ook in onze tijd hoeft een museumbezoek geen individuele ervaring te zijn. Dat zijn de vertrekpunten van de Bruegelgame in Bokrijk.

De sleutel voor het inhoudelijke concept van de game komt van de meester zelf. In Bruegels prent Elck zie je eenzelfde persoon zoeken in een boek, onder een zak, een kist… En bovenaan op de prent bekijkt een nar zichzelf in de spiegel (zie blz. 31). Vrij geïnterpreteerd: het leven is een tocht waarbij we in verschillende situaties naar onszelf zoeken en we in de spiegel naar onszelf kijken. Na een prototypingtraject – met studenten game- en interaction-design van LUCA School of Arts – is dit idee vertaald in een zoekspel waarbij de bezoekers met behulp van een RFID-bandje in het museum een tiental ‘verloren voorwerpen’ zoeken en ‘scannen’. Het zijn sleutels tot Bruegels verhalen. Ze verzamelen die op een bruegeliaanse hoed naar keuze, die zichtbaar wordt in een interactieve augmented reality-spiegel. Bezoekers kunnen hun hoed ook opmaken en personaliseren door de gevonden voorwerpen te schikken. Ze kunnen deze delen op sociale media. Zo brengen we ook Bruegels humor dichter bij de bezoeker: durven we het aan om onszelf te relativeren? Daarnaast zijn de gevonden objecten ook sleutels tot Bruegels verhalen en is vooral de hedendaagse interpretatie essentieel.

Door de speldynamiek worden de sociale schotten doorbroken en de ‘conviviale’ uitwisseling tussen bezoekers gestimuleerd. De smartphone wordt bewust niet gebruikt. Door in te zetten op zowel fysieke als digitale componenten werpt de technologie geen barrière op tussen mensen, maar brengt hen samen. In een afsluitende interactieve video-installatie komt het schilderij zelf in een 3D-animatie tot leven met hedendaagse thematieken.

Toyfoo

Zicht op de wildemanshut in het bos, Openluchtmuseum Bokrijk

Zicht op de wildemanshut in het bos, Openluchtmuseum Bokrijk

HET PARCOURS

Het parcours van De wereld van Bruegel in Bokrijk telt elf haltes verspreid over de Kempen, het bos en Oosten West-Vlaanderen. Er zijn tentoonstellingen in bestaande gebouwen, maar ook nieuwe interventies in het landschap, zoals een pad en de Wildemanshut in het bos en een theaterinstallatie en -voorstelling op het erf van Hoogstade in Oost- en West-Vlaanderen.

Bezoekers maken kennis met de historische connectie tussen Bokrijk en Bruegel. Een belangrijk onderdeel is daarom de parallel tussen Bokrijk en Bruegels landschappen: alle twee zijn ze nieuw samengestelde gehelen. Deze thema’s komen aan bod in historische gebouwen in museumdeel de Kempen.

Met Bruegels encyclopedische werk De strijd tussen Carnaval en Vasten als leidraad op het parcours ontdekken, proeven en verzamelen bezoekers elementen, impressies en verhalen uit het dagelijks leven: voedsel, gewoonten en gebruiken, en ook feesten en rituelen komen aan bod. Aan de hand van het schilderij rijgt de humoristische Bruegelgame de elf Bruegelhaltes aan elkaar. Het gaat om zogeheten fygitale interventies met de bezoeker, de locatie en Bruegels werk: de digitale en fysieke wereld komen er samen. Bezoekers verzamelen onderweg ‘verloren voorwerpen’ uit Bruegels paneel. Zo komen ze gebruiksvoorwerpen en verhalen uit Bruegels tijd op het spoor.

De schuur uit Zuienkerke, de laatste halte, evoceert het schilderij en belicht de historische thema’s in kijkkasten. Ieder gevonden voorwerp van de Bruegelgame kan als ‘sleutel’ een scène uit het schilderij door animatie transformeren tot een hedendaagse situatie.

Het bos ligt tussen de Kempen en Oost- en West-Vlaanderen, en is een vergeten plek in hartje Bokrijk. Het wordt tot leven gewekt met een nieuw pad en de Wildemanshut, met het verhaal van de Wildeman: Ourson en Valentijn zijn tweelingbroers die bij hun geboorte gescheiden worden. Wildeman Ourson groeit op in het bos bij de beren, Valentijn aan het hof. Dit verhaal werd in de zestiende eeuw door rederijkers opgevoerd. Bruegel verwerkte het niet alleen in De Strijd tussen Carnaval en Vasten, maar ook in de prachtige houtsnede De maskerade van Valentijn en Ourson.

De schattenkaart

De schattenkaart

© OEYEN&WINTERS

DE WERELD VAN BRUEGEL IN BOKRIJK

Pieter Bruegel de Oude, De strijd tussen Carnaval en Vasten, 1559, olieverf op paneel, 118 x 164,5 cm KUNSTHISTORISCHES MUSEUM, WENEN, INV. NR. 1016

Pieter Bruegel de Oude, De strijd tussen Carnaval en Vasten, 1559, olieverf op paneel, 118 x 164,5 cm KUNSTHISTORISCHES MUSEUM, WENEN, INV. NR. 1016

Vier rode draden

Van bij de conceptfase van De wereld van Bruegel werden enkele krachtlijnen uitgezet. De keuze viel op vier thema’s die kenmerkend zijn voor Bruegels kunst en bijzonder relevant zijn voor het Bokrijkse Bruegelproject: de kracht van het beeld, de hyperlink, het convivium en humor. Deze rode draden zijn gaandeweg ‘gouden leidraden’ geworden: zowel inhoudelijk als vormelijk zijn ze op verschillende niveaus verweven in het parcours.

Wat maakt Bruegels beeldtaal zo universeel en tijdloos? Waarin schuilt de kracht van zijn kunst? Een van de belangrijkste redenen is ongetwijfeld zijn trefzekere weergave van de mens en diens relatie met de hem omringende wereld. Bruegel neemt steeds de mens als maat der dingen. Als meester-observator weet hij de psyche haarfijn te doorgronden. Als geen ander zet hij zijn karakters, inclusief hun kleine kantjes, in de verf. Bovendien snijdt Bruegel vaak grensoverschrijdende en tijdloze thema’s aan: schaarste en overvloed, goed en kwaad, overdaad en onthouding, de zoektocht naar het juiste pad… Bruegel houdt zijn toeschouwers een spiegel voor. Net daarom is zijn kunst ook na meer dan 450 jaar nog zo relevant.

Bruegels vermogen om de mens en zijn gedrag trefzeker te vatten, hangt onlosmakelijk samen met zijn meesterschap en schilderkunstig talent. Dat picturale vernuft blijkt onder meer uit de losheid waarmee hij schildert en het schijnbare gemak waarmee hij zijn vaak complexe composities opbouwt. Dit geldt in het bijzonder voor zijn encyclopedische schilderijen: panelen op groot formaat en met een bijzondere detailrijkdom. Bekende voorbeelden zijn De spreekwoorden (1559), De strijd tussen Carnaval en Vasten (1559) en De kinderspelen (1560). Deze ‘visuele verzamelingen’ bulken van de scènes, figuren, details en voorwerpen. Bij zijn composities hanteert Bruegel een weldoordachte opbouw, waardoor hij de blik van de toeschouwer leidt zonder dat die zich daarvan bewust is.

Pieter Bruegel de Oude, De spreekwoorden, 1559, olieverf op paneel, 117,5 x 163,5 cm

Pieter Bruegel de Oude, De spreekwoorden, 1559, olieverf op paneel, 117,5 x 163,5 cm STAATLICHE MUSEEN ZU BERLIN, GEMÄLDEGALERIE, BERLIJN, INV. NR. 1720

Pieter Bruegel de Oude, De kinderspelen, 1560, olieverf op paneel, 118 x 161 cm KUNSTHISTORISCHES MUSEUM, WENEN, INV. NR. 1017

Pieter Bruegel de Oude, De kinderspelen, 1560, olieverf op paneel, 118 x 161 cm KUNSTHISTORISCHES MUSEUM, WENEN, INV. NR. 1017

Pieter Bruegel de Oude, Volkstelling in Bethlehem, detail, 1566, olieverf op paneel, 115,5 x 163,5 cm KONINKLIJKE MUSEA VOOR SCHONE KUNSTEN VAN BELGIË, BRUSSEL, INV. NR. 3637

Pieter Bruegel de Oude, Volkstelling in Bethlehem, detail, 1566, olieverf op paneel, 115,5 x 163,5 cm KONINKLIJKE MUSEA VOOR SCHONE KUNSTEN VAN BELGIË, BRUSSEL, INV. NR. 3637

Het ontdekken van de afzonderlijke elementen in het geheel en het leggen van verbanden verschilt van individu tot individu. Elke toeschouwer vallen eerst andere details op en daardoor verschilt de volgorde waarin mensen het schilderij ‘lezen’. Bruegels encyclopedische werken lijken op complexe puzzels waarin je steeds meer stukjes herkent. Dit proces maakt deel uit van het spel van het kijken, het eigenlijke ‘toe-schouwen’, en is precies hoe Bruegel zijn encyclopedische stukken concipieerde en hoe ze in hun oorspronkelijke gebruikerscontext functioneerden. Net zoals wij in de virtuele wereld doorklikken en zoeken naar informatie, bevatten Bruegels werken diverse betekenislagen. Deze zogenaamde hyperlinks en gelaagdheid zijn een wezenlijk kenmerk van zijn kunst, als een Wikipedia avant la lettre. Uit schriftelijke bronnen weten we dat Bruegels schilderijen op groot formaat interieurs van rijke burgers sierden. Vaak hingen ze in de eetkamer, waar ze voorwerp van gesprek waren. Daar werden de stukken als het ware ‘geconsumeerd’ in de context van het convivium, wat zowel ‘gastmaal’ als ‘feestelijk tafelgezelschap’ betekent. In de zestiende eeuw bestond er een rijke traditie van tafelfeesten, waarbij welgestelde burgers gelijkgestemden ontvingen in hun stadswoning of buitenverblijf om er uitgebreid te tafelen en discussiëren. Dergelijke diners passen in de humanistische traditie en gaan terug tot de oudheid. Een belangrijk werk voor de revival van dergelijke conviviale bijeenkomsten is Erasmus’ Convivium religiosum of Goddelijk festijn (1522). Vele van Bruegels werken kunnen we niet los zien van deze traditie en meer algemeen van de zestiende-eeuwse tafel-, verzamel- en discussiecultuur. Dit geldt voor de encyclopedische stukken, maar ook voor de boerentaferelen en landschappen.

Een laatste rode draad in Bruegels artistieke persoonlijkheid is zijn scherpzinnige, vaak humoristische beeldtaal. Voor hedendaagse toeschouwers ligt dit komische element op het eerste gezicht minder voor de hand. Toch werd Bruegels werk in zijn tijd als bijzonder grappig ervaren. Karel van Mander, zijn eerste biograaf, typeert de kunstenaar als ‘Pier den drol’ (drol = grappig, kluchtig) en stelt dat er veel gelachen werd om zijn werk. Het zit hem bij Bruegel vooral in subtiele details, het gebruik van overdrijvingen, contrasten en zogenaamde beeldrijmen.

Bruegel en hyperlinks

Dat de panelen en prenten van Bruegel vol hyperlinks zitten, kan men in onze tijd iedereen (media)wijs maken. In onze leefwereld zijn hyperlinks de in digitale media onderstreepte tekst- of beeld(fragment)en waar je met je vingers, muis of andere pointers op kan klikken om te ‘springen’ naar een gerelateerde tekst, beelden of klanken. Onze ervaring met de alomtegenwoordige hypertexttechnologie kan helpen om te beschrijven en zelfs te begrijpen wat er gebeurt bij het bekijken en interpreteren van een Bruegelschilderij. Zeker in combinatie met augmented reality, waardoor iets achteraf als een aanklikbaar virtueel laagje kan worden toegevoegd. Dat is nog wat anders dan de klassieke metaforen ‘puzzel’ of ‘raadsel’ die men voor Bruegels werk vaak gebruikt. Denk aan het schilderij uit 1560 in het Kunsthistorisches Museum in Wenen. Tientallen fragmenten daaruit activeren bij kijkers een kinderspel (zie blz. 19). Een reproductie van dit paneel werd al regelmatig gebruikt om spelen effectief te spelen. Of neem dat meesterwerk uit 1559, nu in Berlijn (Gemäldegalerie). Kijk ernaar en je hoort jezelf diverse relevante spreekwoorden uitspreken (zie blz. 19). Vroeger stonden er nummertjes bij de uitleg en tegenwoordig kun je op sommige digitale reproducties de spreekwoorden horen. Deze hyperlinks kunnen je leiden naar verschillende bestemmingen binnen het oeuvre van Bruegel en zijn tijdgenoten, maar ook naar latere maatschappelijke fenomenen.

Fascinerend zijn de titels die Bruegels schilderijen arbitrair kregen en die voor verbetering vatbaar zijn. Het zijn hyperlinks naar en vanuit de werken, maar ook intellectuele paardenbrillen voor kunsthistorici. Denk aan de zogenaamde Volkstelling in Bethlehem uit 1566. Welke details uit het schilderij kunnen geactiveerd worden? Speculatief zou zijn: de ondergaande zon boven het wapenschild van Karel V en zijn rijk waar de zon nooit ondergaat. Het daar effectief prijkende woord ‘sauvegarde’ is de sleutel (en een betere titel). De brede hoeden van de zigeunervrouwen passen in het register en zijn ook hyperlinks tussen schilderijen van Bruegel. Maar ook naar klederdrachtboeken die Abraham Ortelius bezat. Enzoverder. Dankzij onze hyperlinktechnologie vatten we de verwijzingen in Bruegels werk tegenwoordig beter.

Pieter Bruegel de Oude, Volkstelling in Bethlehem, 1566, olieverf op paneel, 115,5 x 163,5 cm KONINKLIJKE MUSEA VOOR SCHONE KUNSTEN VAN BELGIË, BRUSSEL, INV. NR. 3637

Pieter Bruegel de Oude, Volkstelling in Bethlehem, 1566, olieverf op paneel, 115,5 x 163,5 cm KONINKLIJKE MUSEA VOOR SCHONE KUNSTEN VAN BELGIË, BRUSSEL, INV. NR. 3637

Pieter Bruegel de Oude

Links boven: Pieter Bruegel de Oude, De aanbidding door de koningen in de sneeuw, detail, 1563, olieverf op paneel, 35 x 55 cm SAMMLUNG OSKAR REINHART ‘AM RÖMERHOLZ’, WINTERTHUR, INV. NR. 1930.2

Rechts boven: Pieter Bruegel de Oude, Het Sint-Maartensfeest, detail, ca. 1566-67, tempera op doek, 148 x 270,5 cm MUSEO NACIONAL DEL PRADO, MADRID, INV. NR. P 8040

Links onder: Pieter Bruegel de Oude, De dorpskermis, detail, ca. 1568, olieverf op paneel, 113,5 x 164 cm KUNSTHISTORISCHES MUSEUM, WENEN, INV. NR. 1059

Rechts onder: Pieter Bruegel de Oude, De parabel van de blinden, detail, 1568, tempera op doek, 86 x 156 cm MUSEO NAZIONALE DI CAPODIMONTE, INV. NR. 84-490

BRUEGEL ALS INSPIRATIEBRON VOOR BOKRIJK

Voor Jozef Weyns was het werk van Pieter Bruegel de Oude een belangrijke inspiratiebron. Aan het begin van dit themanummer werd al vermeld dat de eerste conservator het Openluchtmuseum aanvankelijk ‘Bruegelheem’ wou noemen. Het is slechts een van de vele voorbeelden van de rechtstreekse link tussen Bruegel en Bokrijk. Ook andere archiefdocumenten getuigen van Weyns’ bijzondere interesse in Bruegel. Vooral in de jaren 1960 wijdde hij verschillende bijdragen aan de meester, zoals Bij Bruegel in de leer voor honderd-en-één dagelijkse dingen en Bruegel en het stoffelijke kultuurgoed van zijn tijd. Een rode draad in Weyns’ aanpak is dat hij Bruegels werk letterlijk als encyclopedie gebruikte, als een catalogus van het dagelijkse leven in de zestiende eeuw. Ook voor de vormgeving en inrichting van het Openluchtmuseum liet Weyns zich diepgaand beïnvloeden door het werk van Bruegel. Het meest iconische voorbeeld is de zogenaamde ‘Bruegelhoeve’. Die stond oorspronkelijk in Vispluk, een gehucht van Vorselaar. Daar werd de hoeve in 1962 afgebroken, waarna ze in 1963 in Bokrijk werd heropgebouwd. De conservator liet het gebouw ‘aanvullen’ met andere bouwelementen, zodat de hoeve zoveel mogelijk leek op een type Kempische hoeve zoals Bruegel die schilderde. De zuid- en westgevel bevatten elementen van twee andere boerderijen. Weyns was er zich van bewust dat het samenvoegen van drie bouwwerken vatbaar was voor kritiek. Hij meende echter dat een dergelijke educatief verantwoorde constructie verdedigbaar was in een museale context.

Pieter Bruegel de Oude, De dorpskermis, ca. 1568, olieverf op paneel, 114 x 164 cm KUNSTHISTORISCHES MUSEUM, WENEN, INV. NR. 1059

Pieter Bruegel de Oude, De dorpskermis, ca. 1568, olieverf op paneel, 114 x 164 cm KUNSTHISTORISCHES MUSEUM, WENEN, INV. NR. 1059

Een van de karakteristieke elementen is de overkraging van de zolderruimte boven ‘de kamer’ – om de zware last van het graan op de zolder te kunnen dragen – zoals we die ook duidelijk zien bij Bruegels hoeve. Ook de keuze om de buitenzijden niet te witten en de lemen wand zijn kleur te laten behouden, is gebaseerd op de gelijkenis met het geschilderde exemplaar. Weyns ging dus letterlijk in de leer bij Bruegel. Hij kende de boerderij van Bruegels Dorpskermis waar deze een prominente plaats inneemt op het dorpsplein. Ook in De aanbidding in de sneeuw (1563), De Sint-Maartenswijn (1566/67) en De parabel der blinden (1568) zien we dezelfde hoeve, een duidelijke aanwijzing dat de meester het gebouw naar een bestaand exemplaar en dus ‘naar het leven’ weergaf.

Tekening van Jozef Weyns, met verwijzing naar het werk van Pieter Bruegel, uit Volkshuisraad in Vlaanderen (1974)

Tekening van Jozef Weyns, met verwijzing naar het werk van Pieter Bruegel, uit Volkshuisraad in Vlaanderen (1974)

Weyns greep de herdenking van Bruegels 400ste sterfjaar aan om ook andere referenties aan Bruegel te integreren in het museum. Zo richtte hij de Bruegelhoeve in naar Bruegels prent De magere keuken. Hij leende zestiende-eeuws steengoed om het tentoon te stellen in Vorselaar. Hij liet ook voorwerpen namaken: een bakermat, een ronde tafel en enkele driepootstoelen. Tot midden jaren 1960 werd in de Bokrijkarchieven naar het gebouw verwezen als ‘de hoeve Willems’, naar de laatste eigenaar. Vanaf dan, en tot op de dag van vandaag, staat ze in Bokrijk bekend als ‘de Bruegelhoeve’.

Jozef Weyns was een expert op het gebied van volkshuisraad. Zijn leven lang bestudeerde hij gebruiksvoorwerpen van gewone mensen. De eerste conservator gebruikte daarbij het werk van oude meesters als encyclopedie om het dagelijkse leven uit de zestiende eeuw te reconstrueren. Zijn opus magnum, het vierdelige Volkshuisraad in Vlaanderen, postuum uitgegeven in 1974, is tot op vandaag een standaardwerk. De illustraties zijn eigenhandige tekeningen van Weyns en daarin refereert hij vaak aan het werk van Pieter Bruegel.

In 1958 draaide regisseur Frans Verstreken de film Levend verleden, een rondleiding door het gloednieuwe Openluchtmuseum. De film laat de toenmalige visie op Bokrijk zien: de afbraak en heropbouw van een schuur, een demonstratie strodekken en een nagespeeld bruegeliaans feest. In de beelden legt de regisseur steeds de link tussen de schilderijen van Bruegel en de collectie van Bokrijk, met de gebouwen, voorwerpen en verhalen. Ook Jozef Weyns komt uitgebreid aan bod en becommentarieert voorwerpen uit de museumcollectie.

Tekeningen van Jozef Weyns, met verwijzingen naar het werk van Pieter Bruegel, uit Volkshuisraad in Vlaanderen, (1974)

Tekeningen van Jozef Weyns, met verwijzingen naar het werk van Pieter Bruegel, uit Volkshuisraad in Vlaanderen, (1974)

Jozef Weyns (1913-1974), de eerste conservator van het Openluchtmuseum Bokrijk

Jozef Weyns (1913-1974), de eerste conservator van het Openluchtmuseum Bokrijk

In 1966 maakten Weyns en Verstreken samen de film Hoedje van Papier over het kinderspel in de jaren 1960. In de documentaire gebruikt de eerste conservator Bruegels bekende schilderij De kinderspelen als een visuele verzameling uit de zestiende eeuw. Hij vraagt zich af wat er in de wereld van het kind anno 1966 nog overblijft van oude spelen zoals Bruegel ze in 1560 voorstelde. Hoedje van Papier werd zo een aanklacht tegen de oprukkende verstedelijking en verkeersdrukte. Die perkten de publieke ruimte en speelplaatsen van de kinderen drastisch in. De film stelt ook, in navolging van de Nederlandse historicus Johan Huizinga, dat in ieder van ons een homo ludens, een spelende mens, schuilt.

HET SAMENGESTELDE LANDSCHAP BIJ BRUEGEL EN IN BOKRIJK

Bruegels landschappen

Pieter Bruegel is nog steeds een van de belangrijkste landschapskunstenaars die de Lage Landen hebben voortgebracht. Voor zover we weten, startte de meester zijn carrière met het maken van landschappen: tekeningen, prenten en later ook schilderijen. Het thema werd een constante in zijn relatief korte carrière. Bruegel voerde verschillende innovaties in de Oudnederlandse beeldtraditie door. Zo schilderde hij als een van de eersten winterlandschappen op monumentale schaal. Bruegels landschappen zijn zelden topografisch. Het zijn ‘hybride’ of samengestelde landschappen: een combinatie van indrukken, schetsen naar het leven en imaginaire elementen die hij samenbalt tot een overtuigende compositie. Vaak gaat het om een samenvoeging van inheemse of Brabantse landschapselementen, zoals velden, weiden en glooiende heuvels, en meer zuiderse elementen, zoals vergezichten met steile rotsen en hoge bergen. Verder integreert hij op de voorgrond vaak bomen die dienen als repoussoir, strategisch geplaatste onderdelen die de blik van de toeschouwer door het landschap leiden. Bruegel maakt ook gebruik van het atmosferisch perspectief, herkenbaar aan de graduele overgang tussen een bruine zone vooraan, groen in het midden en blauw achteraan. Daarmee sluit hij aan bij de Oudnederlandse landschapstraditie en in het bijzonder bij het wereldlandschap, een picturaal genre dat aan het begin van de zestiende eeuw werd ontwikkeld door Joachim Patinir (ca. 1475-1524).

Zoals Bruegel zijn werk en landschappen samenstelde uit verschillende waarnemingen en schetsen uit het dagelijkse leven, zo ook werd Bokrijk bij zijn oprichting in 1958 op een bijna even zorgvuldige manier samengesteld uit een collectie ontheemd erfgoed, in een historisch juiste setting, met een museale duiding over de samenleving van toen.

Het Bokrijkse landschap

Zoals Bruegel zijn landschappen samenstelde, zo is ook het Openluchtmuseum Bokrijk een zorgvuldig samengestelde verzameling van cultuurlandschappen uit Vlaanderen. De gebouwen, interieurs, voorwerpen en gewassen werden één voor één gekozen en samengebracht door Jozef Weyns en zijn opvolgers. Bouwwerken werden steen per steen afgebroken en nadien zorgvuldig gereconstrueerd in het museum. De museuminrichting gebeurde volgens een weloverwogen ordening en geografische opdeling in cultuurlandschappen: het heidelandschap van de Kempen, het vruchtbare heuvelland van Haspengouw en het vruchtbare laagland van het Waas- en Meetjesland, de Scheldepolders en de laagvlakte aan de kust. Zo biedt het Openluchtmuseum een staalkaart van het landschap in Vlaanderen.

Pieter Bruegel de Oude, De hooioogst, 1565, olieverf op paneel, 114 x 158 cm

Pieter Bruegel de Oude, De hooioogst, 1565, olieverf op paneel, 114 x 158 cm

LOBKOWICZ COLLECTION, PRAAG

Bruegels reeks De Maanden

De maanden is een van Bruegels meest ambitieuze verwezenlijkingen en de reeks geldt als een absoluut hoogtepunt in de westerse landschapsschilderkunst. Vroeger dacht men dat de vijf nog bestaande panelen oorspronkelijk behoorden tot een reeks van twaalf waarin elk schilderij één specifieke maand voorstelde. De ‘twaalfmaandentheorie’ werd begin 20ste eeuw ter discussie gesteld. Tolnay was de eerste die suggereerde dat de reeks oorspronkelijk uit zes panelen bestond, die een opeenvolging van de seizoenen voorstelde maar dan per twee maanden. Deze hypothese werd in de jaren 1980 bevestigd door Hans van Miegroet aan de hand van een tekening van de Mechelse kunstenaar Pieter Stevens (1567-1624). Het blad is geïnspireerd op Bruegels Sombere dag en heeft als opschrift linksboven ‘februaris’ en rechtsboven ‘mert’.

Pieter Bruegel de Oude, De oogst, olieverf op paneel, 1565, 119 x 162 cm THE METROPOLITAN MUSEUM OF ART, NEW YORK, INV. NR. 19.164

Pieter Bruegel de Oude, De oogst, olieverf op paneel, 1565, 119 x 162 cm THE METROPOLITAN MUSEUM OF ART, NEW YORK, INV. NR. 19.164

Bruegel combineert twee iconografische tradities: de traditionele weergave van de vier seizoenen en de afzonderlijke voorstelling van de maanden met de bijbehorende activiteiten, een beeldtraditie die we vooral van laatmiddeleeuwse getijdenboeken kennen.

De vijf panelen stellen respectievelijk voor: De hooioogst, juni/juli; 27 De oogst, augustus/september; De terugkeer van de kudde, oktober/november; De jagers in de sneeuw, december/januari en De sombere dag, februari/maart. Het verloren paneel stelde de maanden april/mei voor. Als we uitgaan van een logische chronologie en van de jaartelling in Bruegels tijd – de zogenaamde ‘Paasstijl’: eeuwenlang begon het jaar met Pasen, de belangrijkste hoogdag in de christelijke kalender – was het verloren paneel het eerste in de reeks.

Pieter Bruegel de Oude, De terugkeer van de kudde, olieverf op paneel, 1565, 117 x 159 cm KUNSTHISTORISCHES MUSEUM, WENEN, INV. NR. 1018

Pieter Bruegel de Oude, De terugkeer van de kudde, olieverf op paneel, 1565, 117 x 159 cm KUNSTHISTORISCHES MUSEUM, WENEN, INV. NR. 1018

Bijzonder is dat we de opdrachtgever kennen, én ook de plaats waar de reeks initieel hing. Dat is uitzonderlijk in Bruegels oeuvre: slechts zelden is de oorspronkelijke opdrachtgever of eigenaar bekend, laat staan de locatie waar een stuk zich bevond. Een van de weinige authentieke archiefdocumenten over Bruegels leven en werk vermeldt dat Nicolaes Jonghelinck (1517-ca. 1570), een rijke Antwerpse koopman, zijn verzameling kunstwerken in pand gaf aan de stad Antwerpen voor accijnzen en andere rechten die een zekere Daniël de Bruyne aan de stad verschuldigd was. Uit het document, gedateerd 21 februari 1566, blijkt dat Jonghelinck op dat moment maar liefst zestien schilderijen van Bruegel bezat, waaronder een Toren van Babel, een Kruisdraging en de reeks De maanden. De reeks hing samen met de andere Bruegels en onder meer werk van Frans Floris en Albrecht Dürer in zijn villa suburbana of hof van plaisantie Hof ter Beke. Rond het midden van de zestiende eeuw was het bon ton voor rijke stadsbewoners een dergelijk buitenverblijf aan te schaffen en het op te smukken met kunstwerken. Onderzoek toonde bovendien aan dat de reeks in Jonghelincks eetkamer hing.

Pieter Bruegel de Oude

Links: Pieter Bruegel de Oude, De jagers in de sneeuw, 1565, olieverf op paneel, 117 x 162 cm KUNSTHISTORISCHES MUSEUM, WENEN, INV. NR. 1838

Rechts: Pieter Bruegel de Oude, De sombere dag, 1565, olieverf op paneel, 118 x 163 cm KUNSTHISTORISCHES MUSEUM, WENEN, INV. NR. 1837

Pieter van der Heyden, naar Pieter Bruegel de Oude, De lente, 1570, gravure, 222 x 286 mm KONINKLIJKE BIBLIOTHEEK VAN BELGIË, BRUSSEL

Pieter van der Heyden, naar Pieter Bruegel de Oude, De lente, 1570, gravure, 222 x 286 mm KONINKLIJKE BIBLIOTHEEK VAN BELGIË, BRUSSEL

Het verloren paneel

Hoe het verdwenen paneel er precies uitzag, weten we niet. Een mogelijk aanknopingspunt vinden we in een van Bruegels ontwerpen voor de prentenreeks De seizoenen. In 1565, het jaar waarin hij De maanden schilderde, maakte Bruegel De lente (Albertina, Wenen). Zo’n drie jaar later tekende hij De zomer (Kunsthalle, Hamburg). Beide tekeningen zijn opgevat als een prentontwerp, werden later door Pieter van der Heyden gegraveerd en zijn in 1570 uitgegeven door Hiëronymus Cock. Hans Bol, een tijdgenoot van Bruegel, verzorgde de ontbrekende ontwerpen van herfst en winter.

Pieter van der Heyden, naar Pieter Bruegel de Oude, De zomer, 1570, gravure, 223 x 285 mm KONINKLIJKE BIBLIOTHEEK VAN BELGIË, BRUSSEL

Pieter van der Heyden, naar Pieter Bruegel de Oude, De zomer, 1570, gravure, 223 x 285 mm KONINKLIJKE BIBLIOTHEEK VAN BELGIË, BRUSSEL

De lente is het meest voor de hand liggende iconografische vergelijkingsmateriaal in onze zoektocht naar de voorstelling van het verloren paneel in de reeks De maanden. Bruegels tekening en de prent naar zijn ontwerp behandelen nagenoeg hetzelfde onderwerp als het verloren paneel, met dat verschil dat het in het eerste geval om één seizoen en dus drie maanden gaat – maart, april en mei – terwijl het verloren paneel slechts een periode van twee maanden behelst: april en mei. De drie lentemaanden worden uitgebeeld door het scheren van de schapen en het snoeien van de bomen voor de maand maart, werken in de tuin voor de maand april en een galant tuinfeest in de maand mei. Opmerkelijk is de samenvoeging van de spelende, feestende en varende rijkelui met de schaapscheerders, het hovenierende werkvolk, alsook de ietwat onderdanige houding van de wat oudere tuinbaas tegenover de kasteelvrouw. Deze samenvoeging van hoge en lage cultuur zien we ook in andere voorbeelden van de kalendervoorstellingen, bijvoorbeeld in het werk van Simon Bening (1483-1561).

The Lost Season: het begon als een grap. Men vertelde ons, dat als je als museum een topstuk –zoals een echte Bruegel- als bruikleen vraagt, je dan vaak in ruil een belangrijk werk uit de eigen collectie toezegt. We zouden het Kunsthistorisches Museum van Wenen een ‘levend echt’ schilderij aanbieden, met als inspiratie Bruegels werk en vanuit het Vlaams kader: Bokrijk. Een levensecht schilderij in ruil voor een ‘levend echt’ schilderij: The Lost Season.
Frits Jeuris, video-installatie The Lost Season, in opdracht van het Openluchtmuseum Bokrijk n.a.v. De wereld van Bruegel, 2018

Frits Jeuris, video-installatie The Lost Season, in opdracht van het Openluchtmuseum Bokrijk n.a.v. De wereld van Bruegel, 2018

The lost season

In opdracht van het Openluchtmuseum Bokrijk creëerde kunstenaar Frits Jeuris The Lost Season. Deze digitale installatie is zijn interpretatie van Bruegels verloren schilderij, getoond tussen de overige panelen uit de reeks De maanden. Jeuris stelde een hedendaags Bruegellandschap samen dat bestaat uit talrijke gezichten op Bokrijk en omgeving.

Frits Jeuris: “Het Openluchtmuseum Bokrijk heeft mij van jongs af geïnspireerd en daar heb ik me eerlijk gezegd nooit vragen bij gesteld. Al toen ik zes jaar was, stond ik vol dromen tijdens een schoolreis aan de smidse. Bokrijk is een plaats die aanzet tot het aan de slag gaan met wat voorhanden is. De kracht van de beperking is ook de rode draad in alles wat ik maak, bedenk of bouw. De eerste indruk van Bokrijk is bruegeliaans en dat is geen toeval. Maar wat echt te gek is, is dat het museum zelf een collage van erfgoed en landschappen is, zoals bij Bruegels landschappen. Dat wilde ik op een toegankelijke manier zichtbaar maken, met een reflectie op ons eigen dagelijks leven. Een soort van hedendaags instapvenster dat je op een natuurlijke manier dichter bij Bruegels universele blik op de wereld brengt. Het begon met een simpele fotoshopcollage en eindigde twee jaar later in een Brusselse VFX-studio. De vele fantastische samenwerkingen brachten mij tijdens het creatieproces in Wenen, Italië, Rotterdam en Antwerpen. Wie op zoek wil gaan, vindt elk element van de collage in het Openluchtmuseum terug. Zelfs de omstreden Oude Stad is zo eindelijk op haar plaats gekomen. Alsof het altijd zo bedoeld was. In het kader van de samenwerking met het Kunsthistorisches Museum in Wenen bleef onze hedendaagse aanpak niet onopgemerkt. Zo kwam dan de vraag van prof dr. Manfred Sellink en het curatorenteam om aan de slag te gaan met het ontbrekende paneel De lente uit Bruegels seizoenenreeks. We zijn toen eigenlijk helemaal opnieuw begonnen. Door de herschikking van de vijf nog bestaande panelen ontdekte ik een vloeiend panorama waarin we de ontbrekende lente konden samenstellen. Dat werd een digitale installatie met een instapvenster van waaruit je links en rechts de originele seizoenen van Bruegel kan inwandelen. Wat op het eerste gezicht een statisch tafereel lijkt, komt na enige observatietijd helemaal tot leven.

Na het bekijken van het kosmische geheel en vooral van het maakproces kijken bezoekers misschien met een nieuwe blik naar hetzelfde Bokrijk. Of met een ander perspectief naar hun eigen wereld. Aan Pieter Bruegel zou ik willen zeggen: ‘Kan je het mij vergeven?’, maar vooral: ‘Bedankt: mijn kijk op de wereld zal nooit meer dezelfde zijn.’

Pieter Bruegel de Oude, De strijd tussen Carnaval en Vasten, detail

Pieter Bruegel de Oude, De strijd tussen Carnaval en Vasten, detail

SPIEGEL NAAR VANDAAG: BIJ BRUEGEL EN IN BOKRIJK

De strijd tussen carnaval en vasten

Een van de centrale stukken in De wereld van Bruegel is De strijd tussen Carnaval en Vasten. Dat paneel is als een encyclopedie van het dagelijks leven in Bruegels tijd: talrijke voorwerpen, gebouwen, gebruiken, feesten en rituelen passeren de revue. Dit was ook Jozef Weyns in zijn tijd niet ontgaan. In 1969, tien jaar na de opening van Bokrijk en naar aanleiding van Bruegels vierhonderdste sterfjaar, schrijft hij: “Het schilderij De Strijd van Vasten en Vastenavond is m.i. Bruegels belangrijkste paneel voor de kennis van het volksleven in zijn tijd.” Jozef Weyns, 1969. Anders dan de eerste conservator van Bokrijk, die Bruegels werk letterlijk als een encyclopedie gebruikte, voegen wij aan De wereld van Bruegel een hedendaagse dimensie toe. Welke thema’s schildert Bruegel waarmee wij nog steeds aan de slag kunnen? Welke verhaallijnen zijn relevant voor een hedendaagse bezoeker? Wat leert Bruegels Strijd tussen Carnaval en Vasten ons over de wereld vandaag?

Pieter Bruegel de Oude, De strijd tussen Carnaval en Vasten, detail

Pieter Bruegel de Oude, De strijd tussen Carnaval en Vasten, detail

Tegengestelden: overdaad en onthouding

Vooraan in Bruegels Strijd springen twee opmerkelijke figuren in het oog: links een dikke man op een ton en rechts een magere vrouw op een driepootstoel. Deze hoofdrolspelers zijn allegorische voorstellingen van Carnaval en Vasten. In vele opzichten zijn ze elkaars tegenpolen: heer Carnaval is een vadsig onderuitgezakte vent met bolle buik, getooid met een zorgvuldig gedrapeerd kapje met daarop een pastei. Vasten is een uitgemergelde non, gekleed in een grijs gewaad en bekroond met een bijenkorf. Beide partijen gaan zowel letterlijk als figuurlijk de strijd met elkaar aan: Carnaval gewapend met een braadspit, Vasten met een broodschop. Met deze karikaturale tegenstelling klaagt Bruegel op humoristische wijze excessief gedrag aan: zowel de overdaad van Carnaval als de onthouding van Vasten is extreem en dus ongewenst. Die tegenstelling wordt herhaald in het gevolg van de ‘strijdende partijen’, de figurengroepen en het decor: links het liederlijke leven, rechts het verondersteld vrome bestaan.

Pieter Bruegel de Oude, De strijd tussen Carnaval en Vasten, detail

Pieter Bruegel de Oude, De strijd tussen Carnaval en Vasten, detail

De gulden middenweg en de nar

Centraal in het stuk valt een verlichte plek op, met een rugwaarts weergegeven koppel. Zij volgen een nar die – op klaarlichte dag – met brandende toorts de weg lijkt te wijzen. Vinden zij het verlichte pad, tussen beide extremen in? In zijn oeuvre voert Bruegel de nar in verschillende gedaanten op: als gids, komisch figuur of commentator. Net als in het toneel van zijn tijd houdt de nar de toeschouwers een spiegel voor. Dat doet ook de allegorische prent Elck. Met een lantaarn gaat het hoofdpersonage Elck op klaarlichte dag tevergeefs op zoek. Zonder te vinden. Door gebrek aan zelfkennis en door kortzichtigheid. Elck staat voor elk van ons. De spiegelende nar achterin bevestigt dit: ‘Niemant kent hem selven’. Zonder het nodige zelfinzicht is iedereen gedoemd om te dwalen.

Anoniem, naar Pieter Bruegel de Oude, De maskerade van Valentijn en Ourson, 1566, houtsnede, 272 x 410 mm KONINKLIJKE BIBLIOTHEEK VAN BELGIË, BRUSSEL

Anoniem, naar Pieter Bruegel de Oude, De maskerade van Valentijn en Ourson, 1566, houtsnede, 272 x 410 mm KONINKLIJKE BIBLIOTHEEK VAN BELGIË, BRUSSEL

Pieter Bruegel de Oude, De strijd tussen Carnaval en Vasten, detail

Pieter Bruegel de Oude, De strijd tussen Carnaval en Vasten, detail

Rederijkers, theater en de wildeman

Aan de linkerzijde in Bruegels Strijd worden twee toneelspelen opgevoerd: voor de herberg In De Blauwe Schuit De vuile bruid en achterin De maskerade van Valentijn en Ourson. Beide waren populaire vastenavondspelen in Bruegels tijd. De maskerade van Valentijn en Ourson vertelt het verhaal van ridder Valentijn en wildeman Ourson, tweelingbroers. Kort na hun geboorte worden ze van elkaar gescheiden. Valentijn groeit op aan het hof, Ourson bij een berin in het bos. Als ze elkaar later terug ontmoeten, temt Valentijn zijn broer, de wildeman, en wordt hij zijn trouwe metgezel. De wildeman staat symbool voor het onbekende, het primitieve en de driften, kortom: alles wat niet in de reguliere maatschappij thuishoort. Bruegel herneemt het thema van de wildeman later nog eens: in 1566 snijdt een anonieme prentkunstenaar het tafereel naar Bruegels ontwerp. Het wildemanspel behoorde tot het vaste rederijkersrepertoire. In de Lage Landen bestond er een nauwe connectie tussen rederijkerskamers en het gilde van de kunstenaars. Tijdens optochten, blijde intreden en kermissen werkten ze vaak samen bij het opluisteren van de publieke ruimte. Bruegel was overigens een van de eerste kunstenaars die rederijkersspelen integreerde in zijn prenten en schilderijen.

Pieter Bruegel de Oude, De strijd tussen Carnaval en Vasten, details

Pieter Bruegel de Oude, De strijd tussen Carnaval en Vasten, details

Bruegel als meester-observator

De ‘strijd’, en alles wat daarbij komt kijken, speelt zich af op een plein dat gonst van de menselijke bedrijvigheid. Bruegel schilderde meer dan tweehonderd figuren: allemaal spelen ze een rol in het schouwtoneel. Opvallend is de hoge mate van individualisering. Bruegel was een meester-observator, die zijn personages en hun kleine kantjes treffend in verf wist te vatten. Bijzondere details zijn de hoofddeksels en hoeden die de schilder als uitroeptekens gebruikt om hun karakter kracht bij te zetten. Behalve typisch zestiende-eeuwse hoeden passeren in het schilderij allerhande absurde en bizarre hoofddeksels de revue: maskers, een gedekte tafel, een pastei, een ketel, een bijenkorf. Dat past in de omkeringstraditie van carnaval, een gebeuren dat de wereld voor even op z’n kop zet en waarin ook de dagelijkse functie van gebruiksvoorwerpen tijdelijk wordt ‘omgedraaid’.

Pieter van der Heyden, naar Pieter Bruegel de Oude, De magere keuken, 1563, gravure, 224 x 291 mm KONINKLIJKE BIBLIOTHEEK VAN BELGIË, BRUSSEL

Pieter van der Heyden, naar Pieter Bruegel de Oude, De magere keuken, 1563, gravure, 224 x 291 mm KONINKLIJKE BIBLIOTHEEK VAN BELGIË, BRUSSEL

Pieter van der Heyden, naar Pieter Bruegel de Oude, De vette keuken, 1563, gravure, 224 x 295 mm KONINKLIJKE BIBLIOTHEEK VAN BELGIË, BRUSSEL

Pieter van der Heyden, naar Pieter Bruegel de Oude, De vette keuken, 1563, gravure, 224 x 295 mm KONINKLIJKE BIBLIOTHEEK VAN BELGIË, BRUSSEL

Installatie De magere keuken versus de vette keuken in het woonstalhuis uit Vorselaar, Openluchtmuseum Bokrijk

Installatie De magere keuken versus de vette keuken in het woonstalhuis uit Vorselaar, Openluchtmuseum Bokrijk

De magere en de vette keuken

In het Bruegeljaar 1969 richtte Jozef Weyns de Bokrijkse Bruegelhoeve in naar het voorbeeld van De magere keuken, een prent naar een verloren ontwerp van Pieter Bruegel en gepubliceerd door Bruegels vaste uitgever Hiëronymus Cock in 1563. Weyns verzamelde hiervoor voorwerpen en liet ook replica’s maken.

De magere keuken is een pendant van De vette keuken, uitgegeven in hetzelfde jaar. Beide prenten zijn thematisch onlosmakelijk met elkaar verbonden. In alles zijn de twee ‘keukens’ elkaars tegenpolen: terwijl in de magere keuken de schappen leeg zijn en de figuren uitgemergeld, zijn in de vette keuken de buiken goedgevuld en pruttelen de potten op het vuur. Meer dan nu hadden ‘mager’ en ‘vet’ toen de betekenis ‘arm’ en ‘rijk’. Het gegraveerde tweeluik is dus opgevat als een satire: samen verbeelden de prenten de tegenstelling tussen mager en vet, arm en rijk. Het thema was bijzonder relevant in Bruegels tijd: veranderende weersomstandigheden leidden tot misoogsten en een te geringe toevoer van levensmiddelen. Voor een groot deel van de bevolking was de arme keuken schering en inslag, terwijl enkelingen in overvloed leefden. Met deze bitter-komische tegenstelling houdt Bruegel toeschouwers een spiegel voor.

Tijdens De wereld van Bruegel maak je in de Bruegelhoeve kennis met De magere keuken en De vette keuken. We tonen zeven duo’s met voorwerpen uit de collectie van het Openluchtmuseum die de tegenstelling treffend illustreren. Bovendien nodigt Bokrijk de bezoeker uit om mee te denken over wat de magere of arme keuken kan betekenen.

Pieter Bruegel de Oude, De strijd tussen Carnaval en Vasten, detail

Pieter Bruegel de Oude, De strijd tussen Carnaval en Vasten, detail

HET DAGELIJKSE LEVEN IN BEELD

Bruegels De strijd tussen Carnaval en Vasten is als een tranche de vie die de hedendaagse toeschouwer een blik biedt op het leven in de zestiende eeuw. De talrijke voorwerpen die Bruegel zo realistisch weergeeft, vervullen een belangrijke rol in het stuk.

Tijdens De wereld van Bruegel ontdekt de bezoeker in de Bergschuur uit Zuienkerke in Bokrijk een bijzondere verzameling zestiende-eeuwse voorwerpen, afkomstig uit de collectie-Bokrijk en uit publieke en private Belgische en Nederlandse collecties. Samen vertellen deze alledaagse en minder alledaagse objecten het verhaal van het leven van alledag en van feesten, rituelen, spelen en symboliek uit Bruegels tijd.

Rommelpot uit de collectie van het Openluchtmuseum Bokrijk

Rommelpot uit de collectie van het Openluchtmuseum Bokrijk

Rommelpot

Deze rommelpot uit de collectie-Bokrijk is het Vlaamse kalenderinstrument bij uitstek. Kalenderinstrumenten gebruikte men tijdens feesten en hoogdagen volgens de christelijke kalender. Afhankelijk van de streek kreeg de rommelpot diverse benamingen: foeper, foekepot, brompot, brulpot en andere klanknabootsingen. Het instrument bestaat uit een aardewerken kruik met een gespannen varkensblaas die de opening afdekt. In het midden steekt een houten of rieten stokje dat men op en neer beweegt, waardoor een laag en brommend geluid ontstaat. De rommelpot in Bruegels Strijd is de oudste weergave van dit Vlaamse volksinstrument, maar het basisprincipe is veel ouder. Wellicht werd het instrument in onze contreien geïntroduceerd door de Spanjaarden, die het principe van de wrijftrom op hun beurt leerden kennen tijdens ontdekkingsreizen langs de Afrikaanse westkust.

Pieter Bruegel de Oude

Pieter Bruegel de Oude, De strijd tussen Carnaval en Vasten, detail

 

Hoed uit de collectie van Archeologie Westfriesland, Hoorn

Hoed uit de collectie van Archeologie Westfriesland, Hoorn

Hoed

In Bruegels Strijd zien we tal van verklede en gemaskerde fi guren. Het dragen van maskers is typisch voor carnaval en andere omkeringsfeesten. Men verhult zijn ware identiteit en neemt tijdelijk een andere aan. Het masker van de dobbelende man links onderaan is in feite een hoge vilten hoed die hij als ‘mombakkes’ over zijn hoofd heeft getrokken. Dergelijke zestiende-eeuwse hoeden zijn zeer zeldzaam. In de Karperskuil, een haven in Hoorn (West-Friesland), vond men tijdens archeologische opgravingen enkele gave exemplaren uit Bruegels tijd, samen met andere voorwerpen in leer en textiel.

Schertsglas uit de collectie van het Glasmuseum Hentrich, Museum Kunstpalast, Düsseldorf

Schertsglas uit de collectie van het Glasmuseum Hentrich, Museum Kunstpalast, Düsseldorf

Schertsglas

Deze feestganger van de carnavalsstoet met een ronde tafel op zijn hoofd houdt een bijzonder bierglas in de hand: een Duits schertsglas of pasglas. Het glaswerk is gemaakt van het groenkleurige ‘Waldglas’. De vreemde vormgeving houdt verband met het gebruik ervan tijdens een drinkspel. Om beurten dronk men een slok uit het glas. Het doel was om precies van pas tot pas te drinken. Als dat niet in één keer lukte, moest je doordrinken tot de volgende pas, en zo verder. De holle uitstulpingen van het bierglas maakten het drinkspel extra moeilijk, omdat ook de slurven zich met bier vulden. Het realisme waarmee Bruegel het glaswerk schilderde, doet vermoeden dat hij zelf een glascollectie bezat of dat een opdrachtgever glas verzamelde.

Pieter Bruegel de Oude, De strijd tussen Carnaval en Vasten, detail

Pieter Bruegel de Oude, De strijd tussen Carnaval en Vasten, detail

Beslagkom uit de collectie van Erfgoed Zeeland, Middelburg

Beslagkom uit de collectie van Erfgoed Zeeland, Middelburg

Beslagkom

Achter de carnavalsstoet stookt een zittende vrouw met gedroogde takken een vuur. Daarboven bakt ze wafels met behulp van een beslagkom, een pollepel en een wafelijzer. In Bruegels tijd waren wafels een typisch feestgebak. Op Vastenavond en tijdens andere feesten bakte men ze op straat. Er waren soms zoveel ‘straatwafelbakkers’ dat een minimale afstand tussen hen moest worden vastgelegd om het brandgevaar in te perken.

Deze beslagkom is een eenvoudig gebruiksvoorwerp uit de laatmiddeleeuwse keuken, vervaardigd van roodbakkend aardewerk, bedekt met loodglazuur en voorzien van twee oren en een schenksneb. De ingekraste decoratie of sgraffito toont een hert en toren.

Bruegels rekwisieten

De schilderijen van Pieter Bruegel de Oude zijn niet alleen dichtbevolkt met vele personages, maar vooral ook met een grote variatie aan eigentijdse materiële objecten uit het dagelijks leven. De uiterst realistische weergave van die gebruiksvoorwerpen geven de toeschouwer een bijna tastbaar idee van de rekwisieten waarmee Bruegel zijn voorstellingen tot leven wekt.

Huisraad en ander gebruiksgoed uit de tijd van Bruegel is als archeologisch erfgoed overgeleverd. Aan de hand van die concrete objecten uit de zestiende eeuw kunnen we de nauwkeurigheid aantonen waarmee Bruegel de geschilderde versies in verf uitdrukte. Bierkruiken in steengoed, een glazen schertsbeker, een beslagkom in aardewerk, tripschoenen van hout en leer, een koperen mosselketel…: ze zijn in hun vorm en materialiteit met grote trefzekerheid op het paneel vastgelegd. Jozef Weyns, de eerste conservator van het Openluchtmuseum Bokrijk en een groot kenner van het Vlaamse volkshuisraad, besefte dat talent van de schilder als geen ander toen hij in 1969 Bij Bruegel in de leer voor honderd-en-een dagelijkse dingen publiceerde.

Vuurpot uit de collectie van Erfgoed Zeeland, Middelburg.

Vuurpot uit de collectie van Erfgoed Zeeland, Middelburg.

Bruegels wereld in het klein

In de Bergschuur uit Zuienkerke tonen we ook een opmerkelijke collectie miniatuurgebruiksvoorwerpen en -huisraad. Dit ‘poppengoed’ is vervaardigd in loodtin en was erg populair in Bruegels tijd. Kinderen gebruikten het bij hun spel. De term ‘poppengoed’ gebruiken we vandaag de dag niet enkel voor kleine voorwerpen waarmee een poppenhuis – een later fenomeen – werd ingericht, maar ook voor miniatuurkeukengerei en serviesgoed dat kinderen bij hun poppenspel gebruikten. In zijn Emblemata (1617) beschrijft Jacob Cats het poppengoed van meisjes als volgt:

Den huysraet van dit poppe-goet, Verheught der meyskens sacht gemoet, Al is het best maer loot off eerd’, Sy achten ’t al van grooter weerd.
Verzameling miniatuurvoorwerpen PRIVÉCOLLECTIE, NEDERLAND

Verzameling miniatuurvoorwerpen PRIVÉCOLLECTIE, NEDERLAND

Het assortiment aan zestiende-eeuws tinnen poppengoed in de vorm van huisraad is opvallend divers: keuken-, tafel- en haardgerei, meubels, kledingaccessoires... Het formaat van de miniatuurvoorwerpen varieert van 2 tot 7 centimeter. De tinnengieters van Bruegels tijd wisten allerlei objecttypes en materialen na te bootsen in loodtin: brons, koper, ijzer, aardewerk en hout. Dit poppengoed laat in alle opzichten treffend de materiële cultuur van het dagelijks leven in Bruegels tijd zien, zij het in miniatuur.

speelschuur

Praktisch

DE WERELD VAN BRUEGEL | SPIEGEL NAAR VANDAAG

Een realisatie van Het Domein Bokrijk, Van 6 april t.e.m. 20 oktober 2019

Openluchtmuseum Bokrijk, Bokrijklaan 1 B-3600 Genk, T 011 265 300, [email protected]

Download hier de pdf

De wereld van Bruegel in Bokrijk - Deel 1

De wereld van Bruegel in Bokrijk - Deel 2